Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.3:7.2.3 Wat zou de burger hebben gedaan?
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.3
7.2.3 Wat zou de burger hebben gedaan?
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS511054:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 oktober 1994, NJ 1997/174 m.nt. M. Scheltema, AB 1996/125 m.nt. B.J.P.G. Roozendaal (Staat/Van Benten).
Volgens Barendrecht e.a. 2002, p. 81, dient vast te staan dat de schade niet zou zijn ingetreden als de onjuiste informatie niet zou zijn verstrekt
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.2.1 is toegelicht dat het causaal verband tussen een onrechtmatige daad en de schade in twee stappen dient te worden vastgesteld, waarbij de eerste stap bestaat in het maken van een vergelijking van de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en de situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. Deze vergelijking is niet compleet met het wegdenken van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en het beantwoorden van de vraag hoe de overheid in de rechtmatige situatie zou hebben gehandeld, op de wijze die in paragraaf 7.2.2 is beschreven. De vaststelling van een csqn-verband tussen de geleden schade en de gewraakte onjuiste informatieverstrekking bestaat namelijk in zichzelf ook in twee afzonderlijke treden. Dat blijkt reeds uit het in paragraaf 7.2.2.1 besproken arrest Staat/Van Benten.1 Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre Van Benten ten gevolge van de gegeven inlichtingen schade had geleden, moest immers uitgangspunt zijn hoe de situatie voor Van Benten zou zijn geweest, wanneer zij juist, althans volledig zou zijn ingelicht.2 Het antwoord op deze vraag hangt mede ervan af of Van Benten ook in die situatie akkoord was gegaan met de aangeboden schadeloosstelling. Uit deze vraagstelling volgt dat de uit te voeren csqn-test niet voltooid is met het wegdenken van het normschendende element van de gedraging en de beantwoording van de vraag hoe de overheid zou hebben gehandeld, had zij geen onjuiste informatie verstrekt. Daarmee valt immers de schade nog niet weg. Uitgaande van de situatie waarin de hypothetische handelwijze van de overheid is vastgesteld, is de vervolgvraag hoe de burger in dat geval zou hebben gehandeld. De relevantie van deze vervolgvraag wordt in de volgende subparagrafen toegelicht.
7.2.3.1 De eis van gedragsafstemming7.2.3.2 Het dispositievereiste7.2.3.3 De Fabricom-arresten