Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.3:9.4.3 Last-sale bij plaatsing van de goederen onder tijdelijke opslag of een bepaalde bijzondere regeling zonder voorafgaande verkoop voor uitvoer
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.3
9.4.3 Last-sale bij plaatsing van de goederen onder tijdelijke opslag of een bepaalde bijzondere regeling zonder voorafgaande verkoop voor uitvoer
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258410:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in gelijke zin S. Vonderbank, ‘Neues Zollwertrecht – Auswirkungen für Europa,Sale for Export’ und andere Neuigkeiten im Zollwertrecht’ in: T. Weiβ,Bewegte Welt’’ – Handel in stürmischen Zeiten, Tagungsband des 29. Europäischen Zolrechtstags des EFA am 29. Und 30. Juni 2017 in Bremen, Mendel Verlag: Bochum 2017, p. 59-60.
Minutes of the 5th meeting of the Customs Expert Group - Valuation held on 11th and 12th October 2018, taxud.e.5(2018)6229638.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De transactiewaarde kan in beginsel geen toepassing vinden, indien de overbrenging van de goederen naar het douanegebied van de Europese Unie niet is onderworpen aan een verkoop voor uitvoer. Artikel 128, lid 2, UDWU vormt daarop de uitzondering. In het geval de goederen bij binnenkomst worden geplaatst onder tijdelijke opslag of een bepaalde bijzondere regeling en de goederen, terwijl zij onder tijdelijke opslag of een bepaalde bijzondere regeling zijn geplaatst, worden verkocht, kan de transactiewaarde op basis van die verkoop worden vastgesteld. Het gaat daarbij om de bijzondere regelingen extern douanevervoer, opslag (daaronder begrepen douane-entrepots en vrije zones), tijdelijke invoer en actieve veredeling.
Aan de hand van een voorbeeld waarbij de goederen worden geplaatst onder de bijzondere regeling douane-entrepot, kan een en ander het beste geïllustreerd worden. Zoals schematisch weergegeven in figuur 9.5 brengt fabrikant X, gevestigd in China, zijn eigen goederen over naar de Europese Unie. De overbrenging is niet aan te merken als verkoop voor uitvoer (onderdeel 7.4.2.4.3). Nadat de goederen op 15 oktober 2020 zijn binnengebracht in de Europese Unie worden zij geplaatst onder de bijzondere regeling douane-entrepot. Daaropvolgend worden zij op 20 oktober 2020, terwijl de goederen zijn geplaatst onder de bijzondere regeling douane-entrepot, doorverkocht voor 150 EUR aan handelaar A, gevestigd te Zwitserland. Daaropvolgend worden de goederen voor 200 EUR op 30 oktober 2019 verkocht aan handelaar B, gevestigd in Nederland. Tegelijk met deze laatstgenoemde verkoop worden de goederen in het vrije verkeer gebracht. In dit voorbeeld vindt artikel 128, lid 2, UDWU toepassing en wordt de transactiewaarde of op de transactie van 150 EUR of op de transactie van 200 EUR vastgesteld.
Figuur 9.5 – Laatste verkoop voor uitvoer onder artikel 128, lid 2, UDWU.
Voor de toepassing van artikel 128, lid 2, UDWU moeten de volgende voorwaarden in ogenschouw worden genomen:
De goederen moeten worden overgebracht naar de Europese Unie zonder daarbij onderworpen te zijn aan een verkoop voor uitvoer in de zin van artikel 128, lid 1, UDWU. In het geval er een verkoop voor uitvoer in de zin van artikel 128, lid 1, UDWU kan worden geïdentificeerd maar niet aan de voorwaarden van artikel 70, lid 3, DWU wordt voldaan (onderdeel 7.5), kan de transactiewaarde van de ingevoerde goederen in het geheel niet worden toegepast. Mijns inziens brengt dat met zich, dat dan ook niet aan de toepassing van artikel 128, lid 2, UDWU wordt toegekomen. Met andere woorden, in een dergelijk geval moet de douanewaarde op basis van een alternatieve waarderingsmethode worden vastgesteld;1
De goederen moeten bij aankomst in tijdelijke opslag of onder een bijzondere regeling anders dan intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling worden geplaatst (gemakshalve beperk ik mij tot de bijzondere regeling douane-entrepot);
De goederen worden in of vanuit het douane-entrepot verkocht en deze verkoop voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 70, lid 3, DWU.
Indien er zowel in als vanuit het douane-entrepot een verkoop plaatsvindt, komt de vraag op welke transactie in aanmerking genomen moet worden voor het vaststellen van de douanewaarde. Een en ander blijkt niet uit artikel 128, lid 2, UDWU. In de Guidance Document on Customs Valuation was tot 17 september 2020 opgenomen dat de douanewaarde moet worden gebaseerd op “[...] a transaction value of a sale taking place in / from a customs warehouse [...]”, waarmee mijns inziens de importeur de keuze werd gelaten om een transactie te kiezen als er meer dan één verkoop in en/of vanuit het douane-entrepot plaatsvond.2 De Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) van de Europese Commissie heeft zich in dit verband uitgelaten in een bijeenkomst op 11 en 12 oktober 2018.3 In de notulen van deze bijeenkomst stond opgetekend dat een voorstel was ingediend om de Guidance Document on Customs Valuation zo aan te passen dat bij opeenvolgende verkopen in of vanuit het douane-entrepot, alleen de eerste verkoop kwalificeert als verkoop voor uitvoer. Tegen dit voorstel heeft een aantal vertegenwoordigers van EU-lidstaten zich uitgesproken. Bepaalde vertegenwoordigers gaven aan dat de in aanmerking te nemen transactie afhankelijk moet zijn van de beschikbaarheid van de relevante documenten. Andere vertegenwoordigers gaven aan dat de relevante transactie de verkoop moet zijn die het dichtst aanligt tegen het moment van invoer. Tot slot is door een andere groep vertegenwoordigers opgemerkt dat artikel 128, lid 2, UDWU geen voorkeur uitspreekt en dat daarom de importeur de vrijheid moet worden gelaten om een verkooptransactie te kiezen waarop hij de transactiewaarde wil bepalen. De tweede zienswijze lijkt mij het meest passend bij het uitgangspunt dat de douanewaarde de economische waarde van de ingevoerde goederen moet reflecteren. Echter, gelet op enerzijds de praktische uitvoerbaarheid voor de importeur (beschikbaarheid van de benodigde documenten) en anderzijds de bewoordingen van artikel 128, lid 2, UDWU, ben ik desondanks van mening dat de importeur de vrijheid gelaten zou moeten worden om een keuze te maken. Dit komt ook tegemoet aan een ander uitgangspunt van het douanewaardesysteem, namelijk dat de bepalingen ter vaststelling van de douanewaarde op eenvoudige en billijke, met de handelspraktijk verenigbare grondslagen dienen te berusten. In de herziene Guidance Document on Customs Valuation van 17 september 2020 wordt echter aangesloten bij de verkoop die het dichtst bij het moment van fysieke binnenkomst van de goederen ligt.4
Voor zover de transactiewaarde van de ingevoerde goederen wordt bepaald op basis van artikel 128, lid 2, UDWU, gelden er bijzondere regels voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten. Indien voor onder een douaneregeling of tijdelijke opslag geplaatste goederen in het douanegebied van de Europese Unie kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen zijn ontstaan, worden deze kosten of de waardevermeerdering niet in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten ex artikel 86, lid 1, DWU. Uitsluiting van de kosten vindt plaats onder de voorwaarde dat de aangever afdoende bewijs van het bestaan van die kosten levert. Voorts volgt uit voornoemd artikel dat de douanewaarde, hoeveelheid, aard en oorsprong van niet-Uniegoederen die bij de behandeling worden gebruikt juist wel in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de verschuldigde invoerrechten.