Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.4.1.1.2
4.4.1.1.2 Een ontsnappingsmogelijkheid: soms is statutenwijziging toch mogelijk
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232462:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vastgesteld bij Wet van 15 november 1989, Stb. 541. In de Memorie van Toelichting heet het: ‘De wet maakt een rechterlijke wijziging van de statuten mogelijk, doch verbiedt wijziging van doel en doelomschrijving, indien de statuten die hebben uitgesloten. In deze tijd van snelle wisseling van technische mogelijkheden en sociale omstandigheden is deze beperking niet wenselijk, en de voorgestelde wijziging strekt ertoe, haar weg te nemen, zij het onder het voorschrift dat de rechter bij wijziging van het bestaande doel een verwant doel moet uitkiezen’, Kamerstukken II 1982-1983, 17725, nrs. 1-3 p. 82.
Voor deze wijziging is dus geen notariële akte nodig, die wel vereist is voor de door de statuten toegestane wijziging (artikel 2:293 BW). In procedures wordt dit wel eens over het hoofd gezien en worden conceptakten van statutenwijziging aan de rechtbank overgelegd, zie Rechtbank Arnhem 27 juli 1990, ECLI:NL:RBARN:1990:AD1202, NJ 1991/261; HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4496, NJ 2002/27 (Henriëtte Sara De Lanoy Meijer Stichting). Uiteraard is het wel verstandig in het verzoekschrift tot statutenwijziging de gewenste tekst van de wijziging op te nemen.
Van Veen 2011, p. 31, merkt op dat de toetsingsmaatstaf bij fusie of splitsing – gegronde redenen om aan te nemen dat de fusie strijdig is met het belang van de stichtingen – minder stringent is dan die voor statutenwijziging. Niettemin heeft Rechtbank Amsterdam 22 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9514, RN 2016/27 bij de beoordeling of sprake was van bedoelde gegronde redenen aansluiting gezocht bij het criterium van artikel 2:294 BW.
Rechtbank Noord-Nederland 3 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:876, JOR 2016/124, m.nt. J.M. Blanco Fernández.
Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter het nauw neemt met beperkte bevoegdheid tot het wijzigen van de statuten, vooral als het de wijziging van het doel betreft. Wijziging van het doel is alleen dan mogelijk, indien het doel niet meer kan worden bereikt. Bekende voorbeelden hiervan zijn Rechtbank Arnhem 27 juli 1990, ECLI:NL:RBARN:1990:AD1202, NJ 1991/261 (Roomsch Catholijk Vrouwenhuis te Arnhem); Rechtbank Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2378, JOR 2015/202.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8167, RN 2017/4.
V.A.M. van der Burg, ‘De culturele en maatschappelijke beschikking – de wetgeving en het toezicht op modern mecenaat’, in: Bestuur onder controle (Ars Notariatus LXXXX), Deventer: Kluwer 1999. Van der Burg wordt hierin gevolgd door Van Uchelen-Schipper 2018/4.4.2. Ook J.M. Blanco Fernández in zijn noot bij HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5779, JOR 2000/145 (Moskee Al Firdaus, Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum) legt een verband tussen artikel 4:123 BW/4:134 BW en artikel 2:294 BW. Hij doet dat onder verwijzing naar A.S. Hartkamp, ‘Wijziging of opheffing van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen: van Museumwet tot Nieuw BW’, in: Bestuur onder controle (Ars Notariatus LXXXX), Deventer: Kluwer 1999. Ook Hartkamp legt genoemd verband.
Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 3, p. 10. Hoewel ik denk dat Van der Burg ongelijk heeft ten aanzien van het positieve recht, zie ik wel degelijk de voordelen van zijn visie. De oplossing zou echter gevonden moeten worden in een wijziging van artikel 2:294 BW. Dit onderwerp valt echter buiten het onderzoek naar de bij dode opgerichte stichting.
Artikel 6.33 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001.
Anders: P.H.N. Quist in zijn noot onder Rechtbank Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2378, JOR 2015/202. Zie voor die grenzen Asser/Perrick 4 2017/172; Handboek Erfrecht F.W.J.M. Schols 2015/VII.4.2. Vgl. ook J.H. Nieuwenhuis, ‘Tekst en tijd. Het belang van het voortschrijden van de tijd bij uitleg van juridische teksten’, WPNR 2007/6709. Als artikel 4:46 BW niet van toepassing is, kan de ‘Horizontverschmeltzung’, in de door Hans-Georg Gadamer daaraan gegeven betekenis, waarover Nieuwenhuis schrijft, zijn werk doen. Zo schrijft Nieuwenhuis: ‘Uitleg van juridische teksten is niet mogelijk zonder een gezonde dosis vooroordeel.’
Handboek Erfrecht F.W.J.M. Schols 2015/VII.4.1.
Noot bij Rechtbank Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2378, JOR 2015/202.
De hoofdregel mag dan zijn dat statutenwijziging niet mogelijk is, toch biedt artikel 2:294 BW een ontsnappingsmogelijkheid aan het wijzigingsverbod, zelfs voor wijziging van het doel. De mogelijkheid ook het doel te wijzigen als de statuten dit niet mogelijk maakten of zelfs uitsluiten, is ingevoerd bij de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 NBW zesde gedeelte per 1 januari 1992.1
Hoe werkt deze mogelijkheid? Op verzoek van een oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie, kan de rechtbank,2 ondanks dat de statuten hierin niet voorzien, de statuten toch wijzigen:
‘indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild.’3
Hoewel de rechter moet uitgaan van de wil van de oprichter, leidt het gebruik van het woord ‘redelijkerwijze’, bij de beoordeling door de rechter tot een objectivering van die wil (waarover meer in 2.2.2.4.1).4
Van een verzoek tot statutenwijziging door de oprichter zal bij de bij dode opgerichte stichting uiteraard geen sprake kunnen zijn. Artikel 2:294 lid 2 BW bepaalt verder dat de rechtbank zo min mogelijk van de statuten mag afwijken. Indien wijziging van het doel noodzakelijk is, wijst zij een doel aan dat aan het bestaande verwant is.5
In 2.4.2.4 parafraseerde ik Van Gerven met de woorden dat de wil van de oprichter in België kennelijk zo belangrijk is, dat – juist om die wil van de oprichter te waarborgen – de rechter de mogelijkheid moet hebben de statuten te wijzigen. Voor Nederland geldt dit evenzo. De waarborging van de wil van de oprichter eist terughoudendheid van de rechter bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 2:294 BW, zo bleek in 2.2.2.4.6 De terughoudendheid bij de wijzigingsbevoegdheid werd bevestigd in Hof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2016. In deze uitspraak geeft het hof ook de criteria voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van de rechter van de statuten:
‘Allereerst is de bevoegdheid tot wijziging beperkt tot het wegnemen van de ongewenste gevolgen. Vervolgens dient hij zo min mogelijk af te wijken van de bestaande statuten en, ten slotte, dient hij wanneer wijziging van het doel noodzakelijk is een aanverwant doel aan te wijzen. Indien de rechter deze beperkingen in acht neemt, is hij bevoegd zo nodig de statuten te wijzigen op andere wijze dan verzocht. Bij dit alles is de wil van de oprichters richtinggevend.’7
Deze uitspraak, die in overeenstemming is met de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 9 Wos8 (op dit punt gelijkluidend aan artikel 2:294 BW), doet twijfelen aan de juistheid van de opmerking van Van der Burg in 1997 ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid van de rechter. Van der Burg legt een koppeling tussen het doel van een stichting en de wijzigingsmogelijkheid van een legaat of last (artikel 4:123 BW, respectievelijk artikel 4:134 BW). De achtergrond van de wijzigingsbevoegdheid van de rechter ten aanzien van de statuten van een stichting enerzijds en de mogelijkheid tot wijziging van een legaat of last anderzijds, is volgens Van der Burg dezelfde en dan moet ook het beoordelingskader gelijk zijn:
‘Bij de testamentaire last, de schenking onder last en de doelstelling van een stichting heeft de rechtsorde er ook belang bij ‘verstening’ tegen te gaan.’9
De bevoegdheid tot wijziging van een last of legaat, heeft de rechter in het belang van de bij de last of legaat betrokkenen of in het algemeen belang. De bedoeling van de erflater neemt de rechter hierbij zo veel mogelijk in acht, aldus artikel 4:123 lid 2 BW, respectievelijk artikel 4:134 lid 2 BW. Is de bedoeling van de erflater bij de wijziging van een last of legaat een aspect dat meegenomen wordt, bij de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 2:294 BW draait het daarentegen volledig om de wil van de oprichter. In de woorden van de minister:
‘De wil van de stichter bij de oprichting is, zoals hierboven gezegd, de rechter voor zijn beslissing als richtsnoer gegeven, d.w.z. de rechter heeft rekening te houden met die wil, getransponeerd naar de huidige omstandigheden.’10
Een gelijkheid in beoordelingskader waarvan Van der Burg uitging, zie ik niet. In 6.4.2 kom ik terug op het verband tussen artikel 2:294 BW en de mogelijkheid tot wijziging of opheffing van legaten en lasten.
Terug naar de techniek van artikel 2:294 BW. Zoals hiervoor opgemerkt, heeft de rechtbank de bevoegdheid de statuten te wijzigen uitsluitend indien de gevolgen van ongewijzigde handhaving bij de oprichting niet kunnen zijn gewild. Bij de mogelijkheid tot statutenwijziging door de rechter zien wij echter een probleem voor de bij dode opgerichte stichting. De oprichting van een stichting bij dode vindt plaats op het tijdstip waarop de uiterste wil waarin de uiterste wilsbeschikking tot oprichting is opgenomen onherroepelijk wordt, dus bij het overlijden van de oprichter/erflater (zie 2.2.2.3). Welnu, op het tijdstip van de oprichting is het, voor zover dit eisen stelt aan de statuten, duidelijk wat de eisen zijn om erkend te worden als, bijvoorbeeld, algemeen nut beogende instelling (ANBI).11 Het tijdstip van het opmaken van de akte kan daar echter ver voor liggen, toen wellicht andere eisen golden. Had de erflater dat geweten, dan zou hij deze eisen nagenoeg zeker hebben nageleefd. Naar de letterlijke tekst van artikel 2:294 BW zou de rechtbank de statuten nu niet kunnen aanpassen omdat deze bepaling uitsluitend ziet op wijzigingen na de oprichting als gevolg van ten tijde van de oprichting onvoorziene gevolgen. Hoewel de akte (de notariële uiterste wil) veel eerder kan zijn opgemaakt, vindt de oprichting van de stichting pas plaats bij het overlijden van de erflater. Zuiver formeel is dan geen sprake van wijzigingen na de oprichting, maar van wijzigingen tussen het moment van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting en het moment van oprichting bij het overlijden van de erflater. Strikte toepassing van deze regel zou daardoor tot ongewenste uitkomsten leiden. Redelijke wetstoepassing pleit ervoor het voorschrift van artikel 2:294 BW zo te lezen dat met ‘(...) gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild (...)’ bedoeld worden de gevolgen die bij het opmaken van de oprichtingsakte redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. Het tijdstip waarop de uiterste wilsbeschikking wordt opgemaakt, is immers het ijkpunt van zowel de erflater als de instrumenterende notaris (zie ook 4.2).
De vraag kan nog worden gesteld of artikel 4:46 BW, handelende over uitleg van uiterste wilsbeschikkingen, nog een rol speelt bij het bepalen wat bij de oprichting kennelijk niet is gewild. In 3.6.3.1 heb ik verdedigd dat de stichting als zodanig geen uiterste wilsbeschikking is, maar dat uitsluitend de rechtshandeling tot oprichting van een stichting bij dode een uiterste wilsbeschikking is. De consequentie hiervan is, dat de rechter niet is gebonden aan de beperkingen die uit artikel 4:46 BW voortvloeien. De grenzen die artikel 4:46 BW stelt aan de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen gelden daardoor niet.12 De rechter is daardoor niet gebonden aan de beperking dat de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen dient plaats te vinden naar het tijdstip van testeren.13 De rechter heeft daardoor een grote vrijheid bij de beoordeling of sprake is van omstandigheden die redelijkerwijze bij de oprichting niet zijn gewild.
Als wijziging van de statuten plaatsvindt door de rechter zal men niet snel hoeven te vrezen voor misbruik van de bevoegdheid daartoe. Dit ligt anders als de statuten wel voorzien in de mogelijkheid tot wijziging. Het is dan ook niet voor niets dat zelfs als de statuten bepalen dat statutenwijziging onbeperkt mogelijk is, dit niet geldt voor het doel en andere grondregels. Als grondregels van de statuten van een stichting noemt Quist, naast het doel, de samenstelling en wijze van benoeming van het bestuur en de mogelijkheid al dan niet de statuten te wijzigen.14 De bepaling ten aanzien van het vereffeningsoverschot zie ik ook als een dergelijke grondregel, zeker voor de bij dode opgerichte stichting die voordeel heeft genoten uit nalatenschap van de erflater/oprichter.