Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/0.7
7. Ruilverkaveling in der minne: Vlaamse gemoedelijkheid
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472435:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 3 constateert in dit kader dat hij – buiten de klassieke werken over administratief, grondwettelijk en burgerlijk recht – slechts over tijdschriftartikelen beschikt. In die laatste categorie wijst de auteur voornamelijk op artikelen in ‘Landeigendom’, een tijdschrift van de Nationale Maatschappij voor de Kleine Landeigendom, welke artikelen volgens De Leeuw echter ‘hoofdzakelijk van vulgariserende en propagandistische aard zijn.’
Hierna tevens: VLM. Zie nader grenspost 3B, onderdeel A.
M. Heyerick, Ruilverkaveling van Landeigendommen, Antwerpen: Kluwer rechtswetenschappen 1987.
Het voorgaande onderdeel gelezen hebbende, zal het antwoord op de vraag ‘waarom België?’ de lezer niet verbazen. De geografische ligging van ons land ten opzichte van België, in het bijzonder het gewest Vlaanderen, maken een rechtsvergelijkend onderzoek met onze zuiderburen bijna tot een verplicht onderdeel van deze proeve. Ook onze tweede ‘buur’ wordt dus met een bezoek vereerd.
Met een dergelijk rechtsvergelijkend onderzoek treed ik in zekere zin in de voetsporen van De Leeuw 1 met dien verstande dat, zoals aangegeven, de kavelruil zelf nog nimmer in rechtsvergelijkend perspectief is geplaatst. De rechtsvergelijking vond uitsluitend plaats op het terrein van de landinrichting. De rechtsvergelijking met de Belgische kavelruil tracht deze ‘comparatieve leemte’ op te vullen.
Opvallend is dat de Belgische ruilverkavelingswetgeving, net als bij de Duitsers het geval is, een grotendeels met de Nederlandse regelgeving vergelijkbare historie kent. Dit gemeenschappelijke vertrekpunt maakt een rechtsvergelijkend onderzoek bijzonder interessant: zijn de ‘vervolgstappen’ in de beide landen eveneens vergelijkbaar of is er sprake van een afwijkende kaveiruilkoers bij de Vlamingen? In hoeverre is de ruilverkaveling in der minne verwant aan de kavelruil? Is zij een volslagen onbekende, goede vriend of zelfs familielid? Of is de kavelruil wellicht te beschouwen als ‘Nederbelg’? Enkel door rechtsvergelijking kunnen deze vragen worden beantwoord. Ook hier zal uiteraard zowel de civielrechtelijke als de fiscale dimensie van de kavelruil belicht worden.
In tegenstelling tot de situatie in Duitsland, valt op dat ten aanzien van de Belgische landinrichting zeer weinig (goede) literatuur, zeker specifiek over kavelruil, beschikbaar is, 2 hetgeen het uitvoeren van een gedegen rechtsvergelijkend onderzoek er zeker niet eenvoudiger op maakt. Naast het rechtsvergelijkend verslag van ‘grote voorbeeld’ De Leeuw is vooral geput uit het boek ‘Ruilverkaveling van Landeigendommen’ van oud-rechtskundig adviseur bij de Vlaamse Landmaatschappij3 Mare Heyerick.4 Op het gebied van de ruilverkaveling in der minne is laatstgenoemd werk mijns inziens welhaast te beschouwen als ‘Bijbel’, zodat er regelmatig naar zal worden bewezen.
Deze schaarse beschikbaarheid van literatuur, alsmede de noodzakelijke begrenzing van de omvang en breedvoerigheid van mijn onderzoek nopen mij om, net als bij de Duitse rechtsvergelijking, ook de Vlaamse regelgeving slechts op hoofdlijnen te bespreken en te vergelijken. De nadruk zal gelegd worden op enkele opvallende zaken. Of na uitvoering van dit onderzoek, als variant op de ten aanzien van de Duitse rechtsvergelijking gebruikte spreuk, gezegd kan worden dat Belgica docet ten aanzien van de ruilverkaveling in der minne opgaat, zal blijken in grenspost 3B.