Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.2.5.3
14.3.2.5.3 Vermogensverschuiving door de inbreng
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232797:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In civielrechtelijke zin zijn zowel X als Y niet langer gerechtigd tot de aandelen, zodat een verschuiving tussen hen beiden zich in deze context niet voordoet.
Zie hiervoor paragraaf 13.4.1.2.2.
Een vergelijkbaar effect doet zich voor bij ander vermogen waarbij een vervreemdingswinst belast is, zoals ter beschikking gesteld vermogen, maar uiteraard niet bij box 3-vermogen.
Zoals hiervoor aangegeven is naar mijn mening bij de inbreng geen sprake van een schenking, omdat het APV niet verrijkt wordt. Dat maakt dat de inbrenghandeling ook niet vernietigbaar is op grond van artikel 1:88 BW, zodat ook niet gezegd kan worden dat een bevoordelingsbedoeling van Y zich uit in de omstandigheid dat zij de inbrenghandeling niet vernietigt.
Zie paragrafen 14.3.2.6, 14.3.3.2 en 14.4.2.3. In dit geval speelt voorts dat een uitkering uit het APV aan de niet-inbrengende echtgenoot volledig gezien wordt als een schenking van de inbrengende echtgenoot en als zodanig belast is, terwijl dit vermogen in economische zin voor 50% van de niet-inbrengende echtgenoot afkomstig is.
Deze benadering zou overigens ook effectief zijn indien de echtgenoot, met wie de (handelende) inbrenger in gemeenschap van goederen gehuwd is, wel als mede-inbrenger aangemerkt zou moeten worden.
De omstandigheid dat bij een gemeenschap van goederen slechts de inbrengende echtgenoot als inbrenger aangemerkt moet worden, leidt ertoe dat in fiscale zin een vermogensverschuiving tussen de echtgenoten optreedt.
Voorbeeld: vermogensverschuiving door inbreng
Inbrenger X en zijn echtgenoot Y zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot het gemeenschapsvermogen behoort een aanmerkelijkbelangpakket met een waarde in het economische verkeer van € 6 miljoen en een verkrijgingsprijs van nihil. De aandelen staan op naam van X. X stelt APV Z in en draagt de aanmerkelijkbelangaandelen om niet over aan het APV. Aangezien X (bevoegdelijk) alleen handelt, wordt slechts hij en niet mede Y als inbrenger aangemerkt.
Voorafgaand aan de inbreng werden X en Y beiden als aanmerkelijkbelanghouder aangemerkt en kwam in economische zin de helft van dit pakket aan ieder van hen toe. Na de inbreng wordt het aanmerkelijkbelangpakket echter volledig aan X toegerekend, als inbrenger in APV Z. Y heeft dan niet langer als aanmerkelijkbelanghouder te gelden, zodat in fiscale zin1 sprake is van een vermogensverschuiving van X naar Y. Deze verschuiving roept een tweetal vragen op naar de fiscale consequenties:
Voorafgaand aan de inbreng was Y aanmerkelijkbelanghouder en daarna is zij dat niet meer, omdat het gehele aanmerkelijk belang aan X wordt toegerekend. Dit geeft aanleiding tot de vraag of bij Y sprake is van een belastbare vervreemding. Van een daadwerkelijke vervreemding is naar mijn mening gezien het in de jurisprudentie ontwikkelde vervreemdingsbegrip2 geen sprake, aangezien Y zelf geen handeling verricht die haar aandelen in het vermogen van X doet overgaan. Ook is in beginsel geen sprake van een zodanig aan haar toe te rekenen rechtshandeling, zij het dat dit laatste wellicht anders wordt indien Y betrokken is bij of toestemming geeft voor de inbreng door X.
Wel is echter sprake van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 4.16 lid 1 sub g Wet IB 2001, aangezien Y na de inbreng niet langer een aanmerkelijk belang heeft. Dat betekent dat, ook als zij geheel niet betrokken is bij de inbreng van de aandelen in het APV, zij geacht wordt haar aanmerkelijkbelangaandelen te vervreemden en dat zij ter zake daarvan een belastbare vervreemdingswinst realiseert van in casu € 3 miljoen.3
Naast de eventuele inkomstenbelastinggevolgen rijst de vraag of de vermogensverschuiving gekwalificeerd dient te worden als een belastbare schenking van Y aan X. Dit is naar mijn mening echter niet het geval. In fiscale zin kan men weliswaar zeggen dat Y verarmt en dat X verrijkt, maar een bevoordelingsbedoeling bij Y lijkt mij moeilijker aan te nemen. Indien zij niet betrokken is bij de inbreng is hier in ieder geval geen sprake van.4 Als Y echter wel betrokken is bij de inbreng of haar toestemming daaraan geeft, valt eenvoudiger te betogen dat sprake is van een bevoordelingsbedoeling.
Het voorgaande impliceert dat het optreden als inbrenger door één echtgenoot in geval van een gemeenschap van goederen fiscale gevolgen voor de niet-handelende echtgenoot kan hebben. Dit lijkt mij onwenselijk en ook niet in lijn met de bedoeling achter de APV-regeling om het APV fiscaal te behandelen alsof geen inbreng had plaatsgevonden. In zoverre kan ik het pleidooi van Van Gelderen en Hoogwout om uit te gaan van een economische benadering derhalve onderschrijven. Wel lijkt mij daar voor dit resultaat een wijziging van artikel 2.14a Wet IB 2001 nodig is, die voorziet in de positie van de in gemeenschap van goederen gehuwde inbrenger.
Uitgaand van die situatie dat slechts de inbrengende echtgenoot de inbrenger is, kan men voornoemde gevolgen overigens ook eenvoudig voorkomen door beide echtgenoten als inbrenger te laten optreden, zodat hun vermogenspositie voor en na de inbreng gelijk is. Wel leidt dit ertoe dat de problematiek die speelt in geval van meerdere inbrengers5 een rol gaat spelen. Om dat te ondervangen zou gewerkt kunnen worden met één APV per echtgenoot, waarbij ieder 50% van het in te brengen vermogen inbrengt in zijn “eigen” APV. Een alternatieve benadering is om eerst privévermogens van de echtgenoten te creëren door middel van een wijziging van het huwelijksgoederenregime en dan de inbreng te laten plaatsvinden vanuit het privévermogen, al dan niet door beide echtgenoten.6