Het inzagerecht
Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/8.2.0:8.2.0 Introductie
Archief
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/8.2.0
8.2.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS454001:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Inzage, afschrift of uittreksel zijn op het eerste gezicht drie duidelijke woorden. Een origineel kan in elk geval op grond van de letterlijke tekst van art. 843a eerste lid Rv niet worden opgevraagd. Waar op gegevensdragers aangebrachte gegevens van allerlei aard op grond van art. 843a lid 1, laatste zin, Rv inmiddels ook bescheiden zijn, dient het maken van een digitale kopie of het versturen van een digitaal bestand ook onder 'afschrift of uittreksel' begrepen te worden. Het enkele feit dat het door de kwaliteit van de techniek mogelijk kan zijn dat er geen verschil meer wordt gezien tussen het origineel en het verstuurde bestand, maakt dit niet anders.
Die grammaticaal duidelijke drie woorden zijn in het recht toch niet altijd even duidelijk, omdat de grammatica in het recht niet de enige uitlegvorm is. Soms is kennisname van de gegevens zo belangrijk, dat geen gebruik wordt gemaakt van een grammaticale uitleg, maar eerder van een uitleg waarmee een maatschappelijk aanvaardbaar resultaat wordt bereikt. Aan dit trio woorden mag dus in een voldoende zwaarwegend geval, bijvoorbeeld bij onderzoeksdoeleinden waarbij het onderzoek alleen maar kan plaatsvinden aan de hand van een origineel stuk (onderzoek van een handtekening) het woord 'afgifte' worden toegevoegd, maar dan wel met een plicht tot teruggave. In het belang van de waarheidsvinding zou hierbij, in bijvoorbeeld afstammingsprocedures, met verlof van de rechter kunnen worden overgegaan tot bewijsbeslag, waarbij met behulp van beslagverlof een tandenborstel in beslag wordt genomen voor DNA-onderzoek. Aldus is sprake van analoge toepassing van art. 1019a lid 2 Rv, inhoudende dat overlegging kan worden gevorderd van ander bewijsmateriaal dat zich in de macht van de wederpartij bevindt. Ik zou zeggen dat waar dit kan op een terrein waar het (alleen maar?) om geld gaat, het terrein van de intellectuele eigendom, het voor de hand ligt om daar waar het om menselijke (en misschien wel fundamentele) belangen gaat als afstamming, die mogelijkheid, waartegen de wet zich niet uitdrukkelijk verzet, voor bestaand moet worden gehouden en kan worden gebruikt. Ik vind het argument dat eerst alle onderdelen van het materiële recht nauwkeurig moeten worden bestudeerd op de vraag of een en ander wel toelaatbaar is in ons systeem, nauwelijks waarde heeft. Waar de EU de lidstaten immers opname van een artikel als 1019a Rv heeft `opgedragen' zonder een dergelijk onderzoek, is het merkwaardig om een dergelijk onderzoek voor andere terreinen van het materiële recht wel te doen, alleen al omdat een dergelijk onderzoek de nodige tijd zal kosten. Ik ben van mening dat door dergelijke incidentele wetgeving het bestaande systeem uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering steeds meer wordt ondermijnd. Er komen teveel regelingen en uitzonderingsbepalingen voor individuele vakgebieden in plaats van een algemeen geldende regeling. De woorden van de Europese Commissie dat feiten een belangrijke rol spelen, terwijl veel van het cruciale bewijsmateriaal wordt achtergehouden (structurele informatieasymmetrie) gelden volgens mij ook op andere terreinen zoals het verzekeringsrecht en het personen- en familierecht.1 Kortom, ik bepleit een ruime uitleg van de woorden 'inzage, afschrift of uitreksel' in die zin dat als de waarheidsvinding belangrijker is dan de rechtszekerheid, afgifte eveneens gevorderd moet kunnen worden. In bijvoorbeeld afstammingszaken acht ik die waarheidsvinding belangrijker.