Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.5.3:7.1.5.3 Toetsing vordering ex art. 126m Sv
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.5.3
7.1.5.3 Toetsing vordering ex art. 126m Sv
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS615534:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Buruma 2009, p. 69.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe de toetsing van de rechtmatigheid tussen verschillende magistraten verdeeld kan worden en dat de rechter die in een prille fase tot toetsing is geroepen terughoudend dient te zijn, althans zijn beslissingen tegen de achtergrond van de beperkte ruimte voor de toepassing van ingrijpende rechtsgevolgen behoorlijk dient te motiveren, komt helder naar voren in HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1663, NJ 2009/72 m.nt. Reijntjes. Die zaak betreft een cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring van het hoger beroep tegen de afwijzing van een vordering tot het verlenen van een machtiging ex art. 126m (oud) Sv. Daarin overwoog de Hoge Raad onder meer:
‘Zoals de Hoge Raad ook in eerdere uitspraken heeft overwogen, houdt het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel als bedoeld in art. 126m Sv – zoals dat luidde ten tijde van de onderhavige beslissing van de rechter-commissaris, maar ook in zijn huidige redactie – in, dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in art. 126m, eerste lid, Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechtercommissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen (vgl. HR 11 oktober 2005, LJN AT4351, HR 31 januari 2006, LJN AU8292 en HR 21 november 2006, LJN AY9673, NJ 2007, 233).
Van de aan de rechter-commissaris opgedragen toetsing of aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van art. 126m (oud) Sv is voldaan, is een toetsing van de rechtmatigheid van de vergaring van de aan de verzochte machtiging ten grondslag liggende gegevens niet uitgesloten, hoewel van de rechter- commissaris, gelet onder meer op het veelal spoedeisende karakter van deze procedure, in het algemeen niet verlangd kan worden daarnaar uitvoerig onderzoek te doen. Opmerking verdient daarbij dat, indien de rechtercommissaris tot het oordeel komt dat sprake is geweest van een onrechtmatigheid in de hiervoor bedoelde gegevensvergaring, dit niet zonder nadere belangenafweging noopt tot afwijzing van de door de officier van justitie gevorderde machtiging als bedoeld in art. 126m Sv.’
Art. 359a Sv met zijn voorgeschreven belangenafweging bij het bepalen van de rechtsgevolgen van een vormfout werpt ook hier zijn schaduw vooruit. Ook voor de hier bedoelde toetsing door de RC geldt dat niet elke onrechtmatigheid leidt tot afwijzing van de gevorderde machtiging. Buruma noemde dat een ‘logisch voortvloeisel van de ruimte die in de jurisprudentie bestaat bij de toepassing van art. 359a Sv’.1 De annotator Reijntjes merkte op dat dit de strafrechtspleging voor de bevolking misschien begrijpelijker en beter te aanvaarden maakt, maar dat het voor politie en OM wel steeds moeilijker wordt om te blijven binnen de grenzen van wat het wetboek toelaat, in die zin dat de aanleiding tot normconform handelen steeds minder kan worden gevonden in de vrees voor een door de strafrechter toe te passen ingrijpend rechtsgevolg.