Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.7.1
2.7.1 De problematiek van het keuzevermogen
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS301983:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Met de begrippen ‘ondernemingssfeer’ en ‘bedrijfssfeer’, en ‘ondernemingsvermogen’ en ‘bedrijfsvermogen’ bedoel ik hierna steeds hetzelfde.
HvJ EG 27 juni 1989, zaak 50/88 (Kühne), FED 1990/739 (aant. D.B. Bijl); HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90 (Lennartz), FED 1991/647; HvJ EG 25 mei 1993, zaak C-193/91 (Mohsche), FED 1995/550; HvJ EG 4 oktober 1995, zaak C-291/92 (Armbrecht), BNB 1996/62 (concl. Van Ger-ven, noot M.E. van Hilten); HvJ EG 8 maart 2001, zaak C-415/98 (Bakcsi), BNB 2001/200,(concl. Saggio, noot H.W.M. van Kesteren); HvJ EG 17 mei 2001, zaak C-322/99 en C-323/99 (Fischer en Brandenstein), V-N 2001/32.21; HvJ EG 8 mei 2003, zaak C-269/00 (Seeling), BNB 2004/1 (noot H.W.M. van Kesteren).
De problematiek van het keuzevermogen en de arresten van het Hof van Justitie EU hebben veel pennen in beweging gebracht. Ik noem hier: S.T.M. Beelen, Nogmaals keuzevermogen in de BTW, WFR 2001/6447, blz. 1172; E.M. Vrouwenvelder, Kiezen voor het keuzevermogen in de BTW?, BtwBrief 2005, nr. 3; J. Swinkels, Asset Labelling for VAT Purposes, International VAT Monitor 2006, blz. 5; J.J.M. Lamers, Etikettering, aftrek en heffing volgens Johan Cruijff, WFR 2006/6658, blz. 159.
Dat de Hoge Raad deze mening ook was toegedaan blijkt uit ro. 3.3.3. van het arrest waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie EU, HR 2 november 2007, zaak 42 415, BNB 2008/53 (noot B.G. van Zadelhoff).
De door het Hof van Justitie EU ontwikkelde leer van het keuzevermogen, culminerend in HvJ EG 14 juli 2005, zaak C-434/03 (Charles/Charles-Tijmens), BNB 2005/284 (concl. Jacobs, noot B.G. van Zadelhoff), was uiteindelijk de reden voor de wetgever om art. 15 wet te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de Zesde richtlijn. Daardoor is vanaf 1 januari 2007 ook onder de Nederlandse regelgeving het aftrekrecht van de ondernemer niet meer gekoppeld aan de voorwaarde van het gebruik in het kader van de onderneming maar aan de voorwaarde van het gebruik voor belaste prestaties.
Als zowel een ondernemers- als een niet-ondernemerssfeer onderkend kunnen worden speelt de problematiek van het gemengd gebruik. Onder de btw-gevolgen van gemengd gebruik worden verstaan:
de gevolgen van de aankoop, verkoop en de onttrekking van goederen die zowel in de ondernemings- als privésfeer worden gebruikt;
de gevolgen van het gebruik voor privédoeleinden van geheel of gedeeltelijk tot het ondernemingsvermogen1 behorende goederen.
Deze problematiek was aanleiding voor een reeks arresten van het Hof van Justitie EU, die allemaal hun oorsprong vonden in Duitsland. Het valt buiten het bereik van dit onderzoek om al deze arresten2 te bespreken.3 De strekking van deze arresten kan als volgt worden samengevat:
Als een ondernemer een investeringsgoed gemengd, dat wil zeggen voor ondernemers- en niet-ondernemersdoeleinden, gebruikt kan hij:
ervoor kiezen het geheel in zijn bedrijfsvermogen op te nemen (Lennartz), of – ervoor kiezen het geheel in zijn privévermogen op te nemen (Bakcsi), of
ervoor kiezen het gedeeltelijk in zijn privé- en gedeeltelijk in zijn bedrijfsvermogen op te nemen (Armbrecht).
Of een ondernemer goederen geheel of gedeeltelijk in zijn bedrijfsvermogen heeft opgenomen is een feitenkwestie die moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Hierbij zijn van belang de aard van de betrokken goederen en het tijdsverloop tussen het moment waarop de goederen zijn betrokken, en het moment van hun gebruik voor de economische activiteiten van de ondernemer (Lennartz).
Het feit dat de ondernemer de btw die drukt op de kosten met betrekking tot het gebruik van het investeringsgoed in aftrek brengt (uiteraard voor zover hij het goed voor belaste prestaties gebruikt) betekent niet dat hij daarmee het goed voor zijn bedrijfsvermogen bestemt (Bakcsi). Als een ondernemer een tot zijn bedrijfsvermogen behorend goed ook voor privédoeleinden gebruikt of onttrekt aan zijn bedrijf, mag geen btw worden geheven ter zake van het privé-gebruik wanneer er voor het gebruikte goed geen recht heeft bestaan op gehele of gedeeltelijke aftrek van btw, omdat het gekocht is van een niet-ondernemer en voor zover het privégebruik gepaard gaat met kosten voor gebruik en onderhoud waarop geen aftrek van voorbelasting is toegepast (Kühne en Mohsche). Indien een ondernemer een goed dat zonder recht op aftrek van btw is gekocht en waaraan na de aankoop werkzaamheden zijn verricht waarvoor de btw is afgetrokken, onttrekt of gebruikt voor andere dan bedrijfsdoeleinden, treft de btw alleen de ‘bestanddelen’ waarvoor recht op aftrek is ontstaan, te weten de bestanddelen die hun fysieke en economische kenmerken definitief hebben verloren doordat zij na de aanschaf van het voertuig daarin zijn geïntegreerd in verband met leveringen van goederen die hebben geleid tot een duurzame waardevermeerdering van het voertuig die op het tijdstip van de onttrekking nog niet volledig was verbruikt (Fischer en Brandenstein). Het gebruik van het geheel of een gedeelte van een volledig tot het bedrijfsvermogen behorend gebouw voor privédoeleinden van de belastingplichtige kan niet van belasting zijn vrijgesteld als zijnde een verpachting of verhuur van een onroerend goed (Seeling).
Alle genoemde arresten hebben betrekking op natuurlijke personen/ondernemers. Dat volgens het Hof van Justitie EU, evenals volgens de Hoge Raad4, de keuzevermogentheorie niet alleen van toepassing is op natuurlijke personen maar ook op rechtspersonen maak ik op uit de gang van zaken bij de zitting van het Hof van Justitie EU in de VNLTO-zaak, zoals die wordt beschreven in de conclusie van A-G HvJ EG Mengozzi van 22 december 2008, zaak C-515/07, (Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie), V-N 2009/3.23, die in noot 20 opmerkt:
Er moet aan worden herinnerd dat artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn het begrip belastingplichtige ruim definieert en dat bovendien artikel 6, lid 2, eerste alinea, ervan ook gericht is op het gebruik van een goed of dat van een dienst voor de doelstellingen van het personeel van de belastingplichtige, welke elementen er beide voor pleiten om aan te nemen dat dit laatste artikel ook van toepassing is op onderworpen rechtspersonen, anders dan de Nederlandse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen, die zij oordeelkundig na vragen van het Hof ter terechtzitting heeft rechtgezet. Ten slotte verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten, op het gebied van de btw-heffing verschillend worden behandeld; zie in die zin, naar analogie, het arrest van 7 september 1999, Gregg (C-216/97, Jurispr. blz. I-4947, punt 20).