Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.3.4:4.3.4 Functioneren van het onmiddellijkheidsbeginsel op het West-Europese continent
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.3.4
4.3.4 Functioneren van het onmiddellijkheidsbeginsel op het West-Europese continent
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onmiddellijkheidsbeginsel zoals uitgedacht door de negentiende-eeuwse denkers is in belangrijke mate een normatieve standaard. Het gaat over hoe het strafproces moet worden ingericht en hoe daarbinnen moet worden omgegaan met derivatief bewijsmateriaal. De praktijk wijkt af van het ideaal zoals de negentiende-eeuwse denkers dat voor zich zagen. Wanneer we de verschillende landen op het West-Europese continent trachten te duiden in termen van onmiddellijkheid, dan zien we een grote variatie. Onmiddellijkheid is in elk van de systemen tot op zekere hoogte gewaarborgd, maar de mate waarin loopt sterk uiteen. Van de ons omringende landen worden zowel Duitsland als Denemarken gekenmerkt door een zwaar accent op de onmiddellijke procesvoering – hoewel ook daar getuigenverklaringen uit het vooronderzoek bruikbaar zijn voor het bewijs indien de getuige niet ter terechtzitting kan verschijnen.1 Nederland daarentegen is weinig onmiddellijk in de zin dat verklaringen uit het vooronderzoek onverkort bruikbaar zijn, ook als de beslissende autoriteit de oorspronkelijke declarant niet in eigen persoon heeft gehoord. Hoewel uit het negende hoofdstuk duidelijk zal worden dat het onmiddellijkheidsbeginsel (in theorie) wel onderdeel uitmaakt van de Nederlandse procestraditie, is het beginsel in de praktijk behoorlijk uitgehold, wat uiteindelijk ook weer leidt tot een deflatie van het onmiddellijkheidsbeginsel in de Nederlandse theorievorming. Voor wat betreft België en Frankrijk is de dominante wijze van proces voeren in grote mate vergelijkbaar met Nederland. Dat betekent dat in ‘normale’, run-of-the-mill-zaken de procedure niet erg onmiddellijk is en ook de Franse en Belgische rechter voor de bewijsbeslissing veelal terugvalt op de processen-verbaal uit het vooronderzoek. Zowel qua processysteem als qua procescultuur zijn er grote overeenkomsten tussen deze drie landen, hetgeen valt te verklaren uit de gemeenschappelijke Napoleontische erfenis. Echter, anders dan in Nederland kent men in België en Frankrijk voor de meer ernstige zaken een assisenprocedure. In deze procedure worden getuigen en deskundigen in beginsel op de terechtzitting gehoord, ook als zij reeds in het vooronderzoek een verklaring hebben afgelegd. In België bijvoorbeeld mag de voorzitter van het assisenhof alleen beslissen getuigen niet te horen als partijen zich daartegen niet verzetten.2