Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.2:6.2 Wetenschappelijk onderzoek naar de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.2
6.2 Wetenschappelijk onderzoek naar de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.3.1.2.
Wells 2008, p. 855 en Van Koppen 2010a, p. 410.
Candel & Otgaar 2008, p. 66.
Wells 2008, p. 855-856. Van Koppen stelt om die reden dat deskundigen vaker nee zouden moeten verkopen (Van Koppen 2010a, p. 415 e.v.).
Wells 2008, p. 856.
In relatie tot de criteria die mensen aanleggen bij het beoordelen van verklaringen wordt ook gebruikgemaakt van surveyonderzoek.
Zie voor een nadere uiteenzetting van de voor- en nadelen van veldstudies en experimentele studies: Vrij 2008, p. 50-53.
Van Koppen 2010a, p. 412.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voordat wordt ingegaan op de verschillende aandachtsgebieden van belang voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van getuigenverklaring, is het goed kort stil te staan bij het rechtspsychologische onderzoeksveld en de doelstellingen van dit hoofdstuk. Aanvankelijk was het de bedoeling om binnen dit onderzoek de verschillende rechtspsychologische inzichten ten aanzien van de waardering van getuigenverklaringen bijeen te brengen en met behulp daarvan een uniform kader te ontwerpen toepasbaar op alle soorten verklaringen aan de hand waarvan de rechters (of juryleden) de geloofwaardigheid van die verklaringen zouden kunnen toetsen. Het ontwerpen van een dergelijk toetsingskader bleek echter al spoedig onbegonnen werk. De zoektocht naar ‘algemene indicatoren voor geloofwaardigheid’ leerde echter wel waarom het zo lastig is een vertaalslag te maken van wetenschappelijke inzichten omtrent de geloofwaardigheid naar de dagelijkse praktijk van het recht waarin de rechter aan de hand van concrete kenmerken van een voorliggende verklaring zich een oordeel moet vormen over de mogelijke ‘oorzaken’.
Het onderzoeksterrein dat betrekking heeft op de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen (in het Duits aangeduid met de term Aussagepsychologie) is groot en divers. Er zijn onderzoekers die zich vooral richten op het identificeren van zogenaamde bedrieglijke verklaringen, het zogenaamde leugendetectie- onderzoek. Andere onderzoekers richten zich juist op de bijzondere kenmerken van verklaringen die berusten op suggestie of inbeelding van de verklarende persoon (hierna aangeduid als: gesuggereerde of ingebeelde verklaringen). Daarnaast vormt het onderzoek naar daderidentificaties door ooggetuigen een aparte tak van onderzoek. Daarbinnen wordt gekeken naar de manier waarop identificatieprocedures het best kunnen worden ingericht en zoekt men naar factoren die er mogelijk op duiden dat de getuige het bij het rechte eind heeft, zoals de mate van zekerheid en de reactiesnelheid. Voor zover er op een specifiek deelterrein al factoren kunnen worden geïdentificeerd die wijzen in de richting van waarheidsgetrouwheid (omdat deze significant vaker voorkomen bij waarheidsgetrouwe dan bij de niet-waarheidsgetrouwe verklaringen), dan kunnen die factoren niet zomaar worden geëxtrapoleerd naar de getuigenverklaringen in algemene zin. Wat bij de verklaringen van kinderen mogelijk een indicator voor waarheidsgetrouwheid is, hoeft dat niet te zijn bij volwassenen. De verschillende geïdentificeerde factoren of indicatoren moeten binnen hun context worden bezien. Het punt is dat het voor een rechter niet altijd op voorhand duidelijk is met wat voor type getuige hij te maken heeft en naar welke factoren wel of niet moet worden gekeken. Onderzoek naar geheugenprocessen en de kwaliteit van verklaringen laat bijvoorbeeld zien dat de verklaringen van personen die inconsistent verklaren, over de gehele linie niet noodzakelijkerwijs veel minder accuraat zijn dan verklaringen met weinig inconsistenties. Deze bevinding geldt echter uitsluitend voor getuigen die een oprechte poging doen een waarheidsgetrouw verslag te geven van hetgeen zij hebben waargenomen.1 De rechter weet niet op voorhand of hij een oprechte, liegende of dwalende getuige voor zich heeft. De epistemologische positie van de getuige is, zoals in het derde hoofdstuk reeds duidelijk werd, onzeker.
Voorts hebben wetenschappers een wezenlijk ander perspectief dan de rechter. Uitspraken die op basis van wetenschappelijk onderzoek kunnen worden gedaan, zien vaak op een groep en vallen niet zomaar te individualiseren. Een wetenschapper kijkt welke factoren de verklaringen van getuigen als groep beïnvloeden en spreekt in dit verband over gemiddelden, terwijl de rechter (of jury) iets moet zeggen over de geloofwaardigheid van een individuele verklaring.2 Een voorbeeld: onderzoek laat zien dat wanneer kinderen suggestieve vragen worden gesteld in 30% van de gevallen kinderen in de suggestie meegaan en een pseudoherinnering vormen terwijl in 70% van de gevallen kinderen dat niet doen.3 De rechter (of jury) zal echter willen weten of de verklaring die voorligt, het gevolg is van suggestie en thuishoort onder de 30 of onder de 70%. Dit vormt ook een probleem voor deskundigen die worden gevraagd om de ‘betrouwbaarheid’ van een getuigenverklaring te beoordelen. Wells maakt een analogie met een fruitteler die wordt gevraagd wat de exacte grootte zal worden van de vrucht die een bepaalde vruchtknop draagt, terwijl deze alleen uitspraken kan doen over de factoren die de grootte van het fruit in de boomgaard vergroten of verminderen.4
Een ander punt betreft hetgeen dat door Wells is aangeduid als het directional condition probleem. Volgens hem richt rechtspsychologisch onderzoek zich vooral op het schatten van de kans dat een specifieke respons optreedt in aan- of afwezigheid van een specifieke stimulus. De rechter doet het omgekeerde. Hij moet weten wat de waarschijnlijkheid is geweest van een bepaalde stimulus gegeven een bepaalde respons. Deze condities zijn echter niet hetzelfde.5 De kans dat een inconsistentie optreedt als iemand liegt, is een andere dan dat bij het aantreffen van een inconsistentie iemand heeft gelogen.
Tot slot zijn er ook beperkingen aan rechtspsychologisch onderzoek zoals dat overigens geldt voor elk onderzoeksgebied. Eén aspect betreft de mate van toepasbaarheid van de onderzoeksresultaten voor de dagelijkse praktijk van het recht. Gechargeerd gezegd: de realiteit van het recht is complexer dan die van een laboratorium. Nu is het een misvatting om te denken dat er in de rechtspsychologie uitsluitend laboratoriumonderzoek wordt verricht. Naar de waarheidsgetrouwheid van verklaringen wordt ook veldonderzoek verricht, waarbij de verklaringen van getuigen worden vergeleken met objectief vastgelegd beeldmateriaal.6 Aan beide vormen van onderzoek kleven nadelen. Zo is het probleem met veldstudies dat men geen zicht heeft op de zogenaamde ground truth, terwijl het probleem bij laboratoriumstudies is gelegen in wat rechtspsychologen aanduiden als ‘ecologische validiteit’.7 Dit heeft betrekking op de mate waarin gedrag dat wordt vertoond binnen een experimentele setting valt te generaliseren naar de ‘echte’ wereld. Een ander aspect is dat het een vakgebied in ontwikkeling is. Op bepaalde deelterreinen is belangrijke vooruitgang geboekt. Zo zijn er deelterreinen waar onderzoek eenduidige resultaten heeft gegeneerd en (in belangrijke mate) consensus bestaat onder vakgenoten over de consequenties daarvan binnen het juridisch domein.8 Onderzoek naar herkenningen is daarvan een voorbeeld. Op andere terreinen bestaat nog discussie. Bij de beschrijving van indicatoren of methoden moet hier rekening mee worden gehouden. Ook komt het voor dat bepaalde methoden geschikt zijn in de ene situatie, maar niet noodzakelijkerwijs daarbuiten. Zo is de criteria-based content analysis (CBCA) bij kinderen een geschikt instrument om verklaringen mee te beoordelen (hoewel de toepassing daarvan geen zekerheid biedt), maar is er nog veel discussie over of het ook bruikbaar is voor het beoordelen van de verklaringen van volwassenen. Het voorgaande betekent vanzelfsprekend niet dat de resultaten van rechtspsychologisch onderzoek niet relevant zijn, maar geeft wel aan dat we onze verwachtingen – in termen van het kant-en-klaar aanreiken van handvatten aan de hand waarvan verklaringen kunnen worden beoordeeld – enigszins moeten temperen.