Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.6.2
4.6.2 Gratie en Amnestie
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS498623:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kranenburg 1958, p. 345-348 (in het hfdst. ‘De rechterlijke macht’); Van der Pot 2006, p. 819-820 (in het hfdst. ‘De rechtspraak’).
Oud 1970, deel II, p. 393-402.
Kortmann 1987, p. 308 (voetnoot 7), 337-338. Zie ook Bovend’Eert 2008, p. 2.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 23.
Wet van 23 december 1987, Stb. 1987, 598. De Gratiewet bevat vooral procedureregels. Volgens de staatscommissie konden bezwaarlijk nauwkeurige criteria voor de gevallen waarin gratie dient te worden verleend in een wet worden opgenomen. De uitoefening van het gratierecht moest dus een zaak van de regering blijven, waarmee de Staten-Generaal door het geldend maken van de ministeriële verantwoordelijkheid bemoeienis konden hebben (Eindrapport staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 267).
Eindrapport staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 268.
Oud 1970, deel II, p. 399.
Oud 1970, deel II, p. 401. Vooral bij delicten met een politiek karakter kan dit zijns inziens het geval zijn.
Zie ook Bovend’Eert 2008, p. 11.
Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 15. Zie ook Van der Pot 2006, p. 820.
Het EHRM heeft zich in de zaak Van de Hurk (19 april 1994, Serie A, 288) over een met gratie vergelijkbare rechtssituatie in schijnbaar andere zin uitgelaten. Die zaak ging niet over ingrijpen van het bestuur in de gevolgen van een strafrechtelijk oordeel (zoals bij gratie), maar in de gevolgen van een bestuursrechtelijk oordeel. Art. 74 Wet Arbo (oud) bepaalde dat de Kroon de gevolgen van een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven geheel of gedeeltelijk teniet kon doen wegens strijd met het algemeen belang ten nadele van een individuele partij. Ten tijde van de uitspraak was deze bepaling overigens al een dode letter. Volgens het Hof miste het CBB als gevolg van deze bevoegdheid van de regering een wezenlijk kenmerk van een ‘rechterlijke instantie’ (dat niet werd geheeld door de beroepsvoorziening van art. 75 Wet Arbo) en achtte het artikel 6 EVRM daarom geschonden. Het EHRM overweegt in § 45 met verwijzing naar de zaak Benthem dat: ‘the power to give a binding decision which may not be altered by a non-judicial authority to the detriment of an individual party is inherent in the very notion of a ‚tribunal‛ (...). This power can also be seen as a component of the ‚independence‛ required by Article 6 para.1.’
De bepaling inzake gratie en amnestie is opgenomen in het grondwetshoofdstuk over de rechtspraak (art. 122 Gw). Zijn deze instrumenten daarmee naar hun aard ook aan te merken als rechtspraak? Diverse staatsrechtgeleerden bespreken gratie en amnestie in het kader van de rechtspraak, maar dat kan eenvoudig zijn ingegeven door de plaats in de Grondwet.1 Oud bespreekt gratie weliswaar bij de bevoegdheden van de uitvoerende macht, maar meent dat het verlenen van gratie materieel gezien op het gebied van de rechtspraak ligt.2 Kortmann beschouwt gratie als een bijzondere vorm van bestuur, omdat niet wordt ingegrepen in een rechterlijk vonnis als zodanig, doch slechts in de gevolgen, dat wil zeggen de uitvoering ervan.3
Gratie houdt in de vermindering of opheffing van de strafrechtelijke gevolgen van een rechterlijk vonnis.4 Het wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Deze zijn vervat in de Gratiewet5 en het Wetboek van Strafvordering. De rechter die adviseert over het al dan niet verlenen van gratie behoefde volgens de staatscommissie-Cals-Donner niet noodzakelijk degene te zijn die heeft veroordeeld; met name voor lang na de veroordeling gedane verzoeken om gratie, zou het horen van een andere rechter de voorkeur kunnen verdienen. Zij stelde wel voor dat het advies afkomstig moest zijn van een tot de rechterlijke macht behorend gerecht.6 Die voorstellen hebben het uiteindelijk niet gehaald. De Grondwet schrijft enkel voor dat het adviserende gerecht bij wet moet worden aangewezen.7 De Gratiewet bepaalt dat de minister het advies moet inwinnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, dan wel de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel heeft gevorderd (art. 4 lid 1) en indien gewenst ook het advies van de Hoge Raad inwint (art. 11). De adviezen van de rechter worden doorgaans gevolgd. De Gratiewet beperkt de mogelijkheid van gratie tot door een Nederlandse strafrechter opgelegde straffen en maatregelen.
Als men er, zoals Oud, van uitgaat dat gratie materieel gezien een vorm van rechtspraak is, rijst de vraag of de mogelijkheid tot het verlenen van gratie door de regering (vroeger de Koning) niet in strijd is met het vereiste van rechterlijke onafhankelijkheid. Oud was van mening dat het niet paste in de leer van een strenge scheiding van machten. Maar een al te strenge scheiding heeft volgens hem ook bezwaren:
‘De vraag ligt daarom voor de hand, of het nog wel in overeenstemming is met de opvatting, die de strafrechtspraak wil opgedragen zien aan een van de Regering onafhankelijke rechter – opvatting, die ook aan onze Grondwet ten grondslag ligt –, wanneer aan de Koning het recht om gratie te verlenen blijft toevertrouwd? In de leer van de strenge scheiding der machten past dit zeker niet. Een al te strenge scheiding heeft echter ook haar bezwaren. De onafhankelijkheid der rechterlijke macht is van grote betekenis, om de burger te beschermen tegen willekeur van de zijde der Regering. Maar het is ook duidelijk, dat er voor die willekeur heel wat meer gevaar bestond in de tijd der absolute monarchie dan in onze tijd, nu voor iedere daad des Konings de medewerking van een verantwoordelijk minister is vereist. Daarentegen is het een schaduwzijde van de onafhankelijkheid des rechters, dat hij voor zijn uitspraken nimmer ter verantwoording kan worden geroepen. Een rechter kan daardoor, wanneer hij systematisch hetzij zeer lage hetzij zeer hoge straffen uitdeelt, een door de Regering gevoerd beleid in een bepaalde richting beïnvloeden. (…) Omgekeerd kan zij een overtreding ook veel zwaarder straffen dan de Regering met het publiek belang in overeenstemming acht. Een correctie van regeringswijze op door de rechter uitgesproken straffen behoeft dus niet a priori te worden verworpen.’8
Oud werpt als één van de weinige auteurs de vraag op of gratie in overeenstemming is met het beginsel van de rechterlijke onafhankelijkheid (en lijkt deze vraag positief te beantwoorden). Hij rechtvaardigt de bevoegdheid van de regering om gratie te verlenen met het oog op het publiek belang. Er kunnen zich volgens Oud omstandigheden voordoen waarbij een opgelegde straf, hetzij meteen hetzij na enige tijd, zodanige reacties oproept, dat het ongewenst moet worden geacht die straf te handhaven.9 Zo bezien, maakt gratie deel uit van het systeem van checks en balances met betrekking tot de rechtspraak.10
Als men er, zoals Kortmann, van uitgaat dat gratie materieel gezien een vorm van bestuur is, omdat gratie ingrijpt in de tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis en niet in het rechterlijk vonnis zelf, raakt het de rechterlijke onafhankelijkheid niet. De Memorie van Toelichting bij de Gratiewet bevat een passage die mogelijke twijfel daarover moet wegnemen. De in artikel 122 Gw voorgeschreven advisering door de rechter maakt duidelijk dat het gratie-instrument er niet toe strekt om de kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht omtrent de strafrechtstoepassing te doen blijken, doch om er toe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd.11
Ongeacht of men gratie het etiket bestuur dan wel rechtspraak geeft, is in de Nederlandse staatsrechtelijke literatuur algemeen geaccepteerd (vrijwel onbesproken) dat gratie geen inbreuk maakt op de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat het slechts ingrijpt in de tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis.12
Amnestie ontneemt achteraf het strafbaar karakter aan gepleegde strafbare feiten, ongeacht de vraag of er reeds strafvervolging was ingesteld. De enige voorwaarde die de Grondwet aan amnestie stelt, is dat het bij of krachtens de wet wordt verleend (art. 122 lid 2 Gw).13 Amnestie is dus feitelijk een daad van wetgeving en is ook niet in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid. De rechter is immers altijd gebonden aan de wet.