Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/3.7.4:3.7.4 Samenloop van cao’s bij overgang van onderneming
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/3.7.4
3.7.4 Samenloop van cao’s bij overgang van onderneming
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS439500:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Even 2009a, p. 32 e.v., Fase 1983, p. 360 e.v. en Beltzer 2008, p. 120 e.v.
Luttmer-Kat 1997, p. 287.
Luttmer-Kat 1998, p. 294.
van Straalen 1999, p. 252-253.
Jaspers 2005, p. 371.
Holtzer 2008, p. 49-50.
Beltzer 2011.
Beltzer 2011.
Beltzer 2012, p. 3 en Beltzer & Koopman 2012, p. 49-50.
HR 10 januari 2003, NJ 2006, 566 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss en JAR 2003/38 m.nt. R.M. Beltzer (Stichting Rode Kruis Ziekenhuis/Te Riet).
Beltzer 2012, p. 5.
Beltzer 2012, p. 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De samenloop van cao’s bij overgang van onderneming kan leiden tot onduidelijkheid, hetgeen voortvloeit uit onvoldoende afstemming tussen de richtlijn overgang van onderneming en het Nederlandse cao-recht.1
Luttmer-Kat komt op grond van de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn overgang van onderneming tot de conclusie dat bij botsing van collectieve arbeidsvoorwaarden de werknemers zich na afloop van de in artikel 3 lid 2 richtlijn overgang van onderneming voorgeschreven handhavingsperiode niet meer op de collectieve arbeidsvoorwaarden van de vervreemder moeten kunnen beroepen.2 Luttmer-Kat stelt daartoe voor artikel 14a Wet Cao als volgt aan te vullen:
‘De collectieve arbeidsvoorwaarden van de vervreemder kunnen door middel van een overeenkomst met de betrokken vakbond(en) worden aangepast aan de in de onderneming van de verkrijger geldende collectieve arbeidsvoorwaarden.’3
Om het sluiten van dergelijke ‘aanpassingsovereenkomsten’ te bevorderen stelt Luttmer-Kat voor om in de wet op te nemen dat alle overgenomen werknemers aan de inhoud van de aanpassingsovereenkomst gebonden zijn en – bij het uitblijven van een aanpassingsovereenkomst – de op de cao van de vervreemder gebaseerde collectieve arbeidsvoorwaarden na afloop van de geldingsduur van diens cao hun rechtskracht verliezen, indien de verkrijger aan een cao gebonden is.
Van Straalen stelt voor artikel 14a Wet Cao (en artikel 2a Wet Avv) als volgt te wijzigen:
‘In geval van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW is de verkrijger een jaar lang verplicht de rechten en plichten die voortvloeien uit de in een cao vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate te handhaven als de vervreemder moest doen.
De handhavingsverplichting van lid 1 eindigt op het tijdstip waarop de verkrijger ten aanzien van de arbeid, verricht door de in het eerste lid bedoelde werknemers, gebonden wordt aan een na de overgang van de onderneming tot stand gekomen cao dan wel op het tijdstip waarop de verkrijger ten aanzien van die arbeid krachtens een na de overgang genomen besluit tot algemeen verbindend verklaring op grond van art. 2 WAVV verplicht wordt bepalingen na te komen van een cao. De handhavingsverplichting eindigt voorts op het tijdstip waarop de collectieve arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of afloopt.’4
Daarmee is nog niet de nawerkingsproblematiek (en dus het samenloopvraagstuk) ten aanzien van de ongebonden werknemers opgelost. Die zou volgens Jaspers kunnen worden opgelost door artikel 14 Wet Cao te schrappen en de cao van toepassing te laten zijn op alle werknemers, ongeacht of zij lid zijn van de cao-partij aan werknemerszijde.5 Omdat dit een rigoureuze wettelijke ingreep zou zijn in ons cao-systeem is nadere overdenking geïndiceerd. Nawerking zou ook contractueel – of in de cao zelf – kunnen worden uitgesloten. Holtzer stelt ter zake een wetswijziging voor waarin wordt bepaald dat nawerking van de cao van de vervreemder na overgang van onderneming is uitgesloten.6
Beltzer stelt voor de handhavingsverplichting te maximeren tot een jaar na de overgang van onderneming, welke optie de richtlijn overgang van onderneming uitdrukkelijk biedt in artikel 3 lid 3 tweede zinsnede.7 Hierdoor zou de werkingsduur van de cao worden verkort voor werknemers bij overgang van onderneming, echter dit gevolg heeft de Europese wetgever voorzien en afgewogen tegen het belang van de verkrijger op enig moment verschoond te zijn van de cao van de vervreemder. Het probleem is veeleer nationaal van aard: de Wet Cao en de Wet Avv zullen voor deze specifieke situatie in het ontzeggen van nawerking moeten voorzien.8 Daarnaast blijft cherry picking mogelijk gedurende de looptijd van de overeengekomen (al dan niet algemeen verbindend verklaarde) cao-bepalingen als de overgenomen werknemers tevens een beroep kunnen doen op de (al dan niet algemeen verbindend verklaarde) cao-bepalingen van de verkrijger. Teneinde dit te voorkomen zou in artikel 14a Wet Cao en artikel 2a Wet Avv opgenomen kunnen worden dat overgenomen werknemers geen rechten kunnen ontlenen aan bij de verkrijger geldende (al dan niet algemeen verbindend verklaarde) cao-bepalingen zolang zij ingevolge artikel 14a Wet Cao dan wel artikel 2a Wet Avv een beroep kunnen blijven doen op hun oude arbeidsvoorwaarden. Een keuzemogelijkheid na de overgang van onderneming tussen de (al dan niet algemeen verbindend verklaarde) cao van de vervreemder en de verkrijger is in de praktijk problematisch omdat de richtlijn dwingend is ten aanzien van de gebondenheid aan de cao-bepalingen van de vervreemder. Naar aanleiding van het arrest Scattolon heeft Beltzer wederom gewezen op het feit dat ons artikel 14a Wet Cao aan herziening toe is.9 In de zaak Scattolon overweegt het Hof van Justitie dat de gebondenheid van de verkrijger aan de cao van de vervreemder vervalt indien de verkrijger direct na de overgang van onderneming zijn eigen cao toepast. Dit is naar Nederlands recht geen eindigingsgrond.10 Een aanpassing van artikel 14a Wet Cao zou weinig uitmaken, want ook al zou de verkrijger zijn cao direct toepassen en daarmee de gebondenheid aan de cao van de vervreemder kunnen uitschakelen, dan nog zouden de in de arbeidsovereenkomst van de overgegane werknemers geïncorporeerde cao-bepalingen kunnen nawerken (tenzij de cao van de verkrijger een standaard-cao is en afwijking ten gunste van de werknemer niet is toegestaan). In de meeste gevallen is sprake van een minimum-cao, zodat de betere, nawerkende cao-bepalingen blijven gelden. Deze nawerking kan contractueel – of in de cao zelf – worden uitgesloten. De richtlijn biedt de verkrijger meer mogelijkheden dan artikel 14a Wet Cao en 2a Wet Avv: naar Nederlands recht moet op grond van artikel 9, 12 en 14 Wet Cao door de verkrijger direct de eigen cao worden toegepast, maar volgens de richtlijn dienen de met de overeengekomen cao strijdige cao-bepalingen buiten toepassing te blijven. Sterker nog: de bij de verkrijger geldende, betere arbeidsvoorwaarden dient hij ingevolge de werking van de Wet Cao gewoon toe te passen, zodat niet de ongemakkelijke situatie kan ontstaan dat een overgegane werknemer het oudere, betere behoudt en zich evenzeer kan beroepen op de betere, alleen bij de verkrijger geldende arbeidsvoorwaarden. Het Hof van Justitie heeft in de zaak Scattolon overwogen dat de richtlijn niet met succes kan worden ingeroepen met het oog op een verbetering van de bezoldigingsvoorwaarden of van andere arbeidsvoorwaarden naar aanleiding van de overgang van onderneming, alsmede dat de richtlijn er uitsluitend op ziet te vermijden dat werknemers alleen op grond van de overgang naar een andere werkgever in een minder gunstige positie dan voorheen terechtkomen. Hiermee komt ons cao-recht in een bedenkelijk licht te staan.11 Er is volgens Beltzer veel voor te zeggen het cao-recht zó aan te passen c.q. uit te leggen dat overgang van onderneming er niet toe mag leiden dat de overgegane werknemer zowel zijn oude rechten behoudt als zich jegens de verkrijger kan beroepen op geldende, betere arbeidsvoorwaarden. Als nawerking wordt uitgesloten – hetgeen mogelijk is in de cao en de arbeidsovereenkomst – en toegestaan wordt dat de verkrijger na overgang van onderneming zijn eigen cao exclusief toepast, dan kan cherry picking uit verschillende cao’s definitief tot het verleden behoren.12
In hoofdstuk 6 (Rechtsvergelijking materiële recht overgang van onderneming) zal ik door middel van een rechtsvergelijking onderzoeken hoe hiermee in de andere landen wordt omgegaan en of naar aanleiding daarvan aanbevelingen zijn te formuleren.