Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.5.4
4.5.4 Privacyregels
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285481:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 28 december 1988 houdende regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met persoonsregistraties (Wet persoonsregistraties), Kamerstukken II 1984/85, 19 095, Stb. 1988, 665, de Wet van 6 juli 2000 houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, Stb. 2000, 302 en de AVG. Zie ook: Hoofdstuk 3, par. 2.1.1.
Vergelijk: Schep die in zijn prikkelende column juist stelt dat met de AVG de fiscale geheimhoudingsplicht helemaal niet meer nodig zou zijn (A.W. Schep, Wiens belang beschermt de fiscale geheimhoudingsplicht eigenlijk?, V-N 2020/13.0).
Wet van 16 mei 2018, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (Pb EU 2016, L 119) (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, Stb. 2018, 144. Art. 34 Uitvoeringswet AVG bepaalt dat schriftelijke beslissingen op dergelijke verzoeken, voor zover genomen door een bestuursorgaan, zijn aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Vergelijk: Rechtbank Midden-Nederland (voorzieningenrechter) 23 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2424 inzake de schending van de privacy door het verstrekken van niet-geanonimiseerde gegevens aan een journalist door het BFT.
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 10, par. 6.1.
Een kenteken zal voor een doorsnee burger veelal geen persoonsgegeven zijn. Voor de inspecteur zal dit anders zijn omdat hij eenvoudig kan achterhalen aan wie de auto toebehoort. De Belastingdienst heeft – naar eigen zeggen – één van de grootste gegevensverzamelingen binnen de overheid (factsheet omgaan met gegevens (2020)).
Wet van 17 oktober 2018, houdende regels ter uitvoering van Richtlijn 2016/943/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (Pb EU 2016, L157) (Wet bescherming bedrijfsgeheimen), Kamerstukken II 2017/18, 34 821, Stb. 2018, 369). Zie ook: Van der Korst 2007 en R. Mellenbergh en E.A. Zonnenberg-Mellenbergh, Bedrijfsgeheimen in vermogensrechtelijk perspectief, WPNR 2018/7213.
Hoewel de fiscale geheimhoudingsbepaling mede tot doel heeft de privacy te beschermen is het de vraag of art. 67 AWR wel altijd het meest geëigende instrument is om dit te verwezenlijken. De privacywetgeving, die sinds eind jaren 80 van de vorige eeuw is ingevoerd, heeft de rol van art. 67 AWR immers gedeeltelijk overgenomen.1 De bescherming van de privacy – als zelfstandig argument voor de fiscale geheimhoudingsplicht – heeft echter niet aan belang ingeboet, maar wordt juist versterkt door deze privacyregels.2 Voor natuurlijke personen die van mening zijn dat – met de schending van art. 67 AWR door het delen van fiscale gegevens – hun privacy is geschonden door een bestuursorgaan staat op grond van art. 34 Uitvoeringswet AVG de weg naar de bestuursrechter open tegen beslissingen als bedoeld in art. 15 tot en met art. 22 AVG.3 Dat wil echter niet zeggen dat betrokkenen ongeclausuleerd inzage kunnen krijgen in hun fiscale dossier.4 Ondanks het feit dat de AVG uitsluitend van toepassing is op gegevens die herleidbaar zijn tot natuurlijke personen wordt hiermee, zij het indirect en maar gedeeltelijk, feitelijk dezelfde rechtsbescherming geboden als het rechtstreeks voor bezwaar vatbaar maken van art. 67 AWR.5 De bestuursrechter zal immers bij zijn beoordeling of de privacy is geschonden de schending van art. 67 AWR integraal moeten toetsen. Hierbij moet worden opgemerkt dat voor de inspecteur al vrij snel sprake kan zijn van een persoonsgegeven.6 Voor zover het bedrijfs- of fabricagegegevens betreffen die niet herleidbaar zijn tot natuurlijke personen zou de Wet bescherming bedrijfsgeheimen uit 2018 uitkomst kunnen bieden.7 Ook deze wet biedt voor betrokkenen die van mening zijn dat – door de schending van art. 67 AWR – hun bedrijfsgeheimen onrechtmatig zijn onthuld een alternatieve mogelijkheid om indirect art. 67 AWR integraal te laten toetsen.