Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.8.1
9.8.1 Relatie van onderwijs- en leerdoelen met opvoedingsdoelen
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977361:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Olgers e.a. 2014, p. 140-141 en Wittebrood 1995.
Dewey 1916, Boeke 1934, Logister 2004 en D. Wijte, ‘Waarheid doet er toe’, Schoolbestuur 2011, 1, p. 15.
Vgl. Bartlema & Huizer 1970. Bij de eerste druk: ‘Het huidige onderwijsbestel kent staatsinrichting niet als apart vak. Desalniettemin moet staatsburgerlijke vorming de volle aandacht krijgen’ en Wijte & Ubachs 1978.
Vgl. Werkgroep DOZ 2003, p. 14.
Duyverman 1936, p. 143.
Ibid., p. 143.
Ibid., p. 144.
Peschar & Wesselingh 1995, p. 216; Mathijssen 1972, p. 144.
A. Bronsveld, ‘Ik, wij en de wereld. Morele educatie als kern van burgerschapsvorming’, Narthex 2006, 4, p. 34-40; J.Q.Th. Rood, ’Van Conventie naar Constitutie: de federale kleren van de Europese keizer, Internationale samenwerking, maart 2002, LVI, 3, p. 121, F. Wijdekop, ‘Democratie, rechtsstaat en de rechten van toekomstige generaties’, NJB 2014, p. 1552 e.v., Wijte 2002, p. 3, 6-7, Leeferink & Klaassen 2000 en Tinnevelt e.a., ‘De weerbare democratische rechtsstaat’, NJB 2023, p. 3374.
In de vorige paragraaf kwamen als eerste de opvoedingsdoelen voor het aanbrengen van verbindend democratisch burgerschap aan bod. Nu volgen de onderwijs- en leerdoelen van burgerschapsvorming.1 Het doel van burgerschapsvorming is mijns aanziens het aanleren van kwalificaties voor het uitoefenen van verbindend democratisch burgerschap. De onderwijs- en leerdoelen hebben betrekking op het toerusten met deze kwalificaties.2 De onderwijsdoelen omvatten burgerschapsvorming als persoonlijke identiteitsvorming. De leerdoelen beogen de persoonlijke burgerschapskennis (civic literacy), sociale vaardigheden en burgerschapsattituden zoals burgerzin, fatsoensregels en levenskunst (civil competences) voor het uitoefenen van het verbindend democratisch burgerschap te vergroten.3
In het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs (1863-1968) was de staatsburgerlijke en maatschappelijke vorming onderdeel van staatswetenschappen en geschiedenis. In de Wvo (1968) behoren staatsburgerlijke en maatschappelijke vorming bij maatschappijleer, maar ook in de vakken geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde en economie. De wetgever heeft hiermee een aanzet gegeven tot deze vorming als een species van burgerschapsvorming. Het voorgaande laat onverlet dat de wetgever burgerschapsvorming niet doelgericht en in samenhang in de curricula heeft vastgelegd. Initiatieven, waarvan er vele zijn genomen, zijn dan ook gerechtvaardigd (zie Bijlage XX).
In 2005 stelt minister Van der Hoeven (CDA) voor het in par. 7.12 besproken curriculum voor het in te voeren vak geschiedenis en maatschappijleer, en staatsinrichting als maatschappelijke oriëntatie bij maatschappijleer onder te brengen. Daaraan gingen vele decennia met voorstellen tot implementatie van staatsburgerlijke en maatschappelijke vorming vooraf. Als eerste stelde zich Duyverman die zich zo goed als zijn gehele werkzame leven heeft beziggehouden met alle facetten van het staatswetenschappelijk onderwijs en de vakdidactiek.4 In zijn dissertatie (1936) duidt hij als doel van het staatswetenschappelijk onderwijs ‘het bijbrengen van kennis en het bevorderen van democratische denklijnen, tezamen voerend tot het vereiste inzicht’.5 ‘Maar ingeval men het vormen van de staatsburger, ook van de wereldburger, als kern ziet, ‘dan is het Duyverman ook wel!’6 Hij ziet dat dan gaarne ‘als hoger doel’, immers ‘de staatsburger moet naast kennis en inzicht steeds zijn plaats hebben. Zoekt men hoger, niet om den Staatsburger, niet om den Wereldburger, maar om het heil van den staat en de maatschappij, kortom van de gemeenschap, politiek of economisch, dan antwoordt hij: ‘Hoe hooger de toren, hoe hechter het fundament’.7 ‘Onderwijs en opvoeding tot staats- en wereldburger zijn het primair doel van staatsburgerlijke vorming’, stelt Duyverman.8 De grondslag van burgerschapsvorming bestaat al langere tijd niet meer uit een gedeelde cultuuroverdracht. De verzuiling ligt definitief achter ons. De samenleving vraagt het leren van en leven vanuit algemeen gedeelde basiswaarden en -normen in een sociaal-individualiserende en economischglobaliserende samenleving en democratische rechtstaat.9