Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.3.2
IV.3.2 Het Latijnse verzoek uit de Nederlanden (1523-1524)
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS386572:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Bij de bespreking van de vier indulten van 1515 komen deze gegevens in de bijlagen aan bod na de uitgave van deze teksten op basis van de Vaticaanse registers.
Ondertussen was de instelling van de inquisitie onder de raadsheer van de Raad van Brabant, Frans van der Hulst, al geregeld en was deze door paus Adriaan VI al goedgekeurd: A. Goosens, Les inquisitions dans les Pays-Bas méridionaux, Brussel 1997-1998, I, 204 en II, 175.
G. Pfeilschifter, ARC, III, nr. 165, 514-548.
Filips van Leiden gebruikt dezelfde termen om aan te geven dat het private nut het publieke belang (c.q. de positie van de graaf van Holland) niet in de weg moest staan: ‘nam singulare commodum publico et communi non derogat’, in: R. Fruin en P. Molhuijsen, Philippus de Leyden. De cura reipublicae et sorte principantis, ’s-Gravenhage 1900, XVI, 4, p.67 en XX, 3, p.77. Zie ook 53, casus IX, 27 en 369 (1) naar Feudorum libri, II, 55: Imperialem decet sollertiam. Vossius en Barlaeus zullen onder dezelfde termen ‘nut en valorisatie, geld en wetenschap’ bedoelen.
A. Mercati, Raccolta di Concordati su materie ecclesiastiche tra la Santa Sede e le Autorità civili, Città del Vaticano 1954, I, 242.
De nummering van de punten is in de war geraakt. ‘Punt vier’ van ‘Sequuntur articuli’ is in werkelijkheid ‘punt vijf’. Hoewel het document over vijftien punten spreekt, zijn er in werkelijkheid zeventien. De bespreking van de indulten komt aan bod in bijlage V
ROPB, II, 3, 73. Hier wordt ook gesproken over ‘lettres de consentement et de placet en forme due’. Meestal waren dit open brieven.
De faculteitsbrief van een pauselijk gezant, waarin zijn door de paus gedelegeerde bevoegdheden opgesomd stonden, moest een placet krijgen: ROPB, II, 7, 263-264.
In het Heilige Roomse Rijk zijn er geen klachten over het placet, maar ziet men wel dat er ‘vill ungelerter ungeschickter priester geweihet worden sein’: G. Pfeilschifter, ARC, III, 523, l. 4-5.
W. Munier, Correspondentie van Jan Slacheck uit de jaren 1529-1530, in: Mededelingen uit het Nederlands Historisch Instituut te Rome 32 (1965) aflevering 11, 28-30, noot 7: ‘quia nunc venderentur placeta pro octo florenis et 14 stuveris’.
G. de Ghewiet, Institutions du droit belgique, Lille 1736, 119, nr. 14.
Bulla in Cena Domini, s.I. 1523 IIII Nonas Aprilis (2-4-1523). F. Claeys Boüaert, Bulle in Coena Domini, in: DDC, Paris 1937, II, 1132-1136 neemt de bul van Adriaan VI niet mee in zijn bespreking. Volgens dezelfde auteur, die Van Espen tot getuige neemt, zou nuntius Guido Bentivoglio (1607-1615) tevergeefs geprobeerd hebben om deze bul te laten publiceren in de Zuidelijke Nederlanden. Het hier genoemde artikel, aan Clemens VII voor te leggen, laat zien dat deze bul ook in de Nederlanden werd afgekondigd. Leo X had in zijn bul ‘Supernae dispositionis arbitrio’ van 1514 gevraagd rekening te houden met ‘In Coena Domini’ om de kerkelijke vrijheid te beschermen.
Hier is de Geheime Raad bedoeld. Opgemerkt zij dat Karel V in Spanje was en dat hij toen Rooms-Koning was, maar dat hij de titel van keizer al mocht voeren vóór zijn kroning in 1530.
Er is een voorbeeld, waar Adriaan VI uit eigen beweging afzag van de naleving van de bul ‘In Coena Domini’: J. Foppens, Diplomatum Belgicorum nova collectio sive Supplementum ad Opera Diplomatica Auberti Miraei, Bruxellis 1748, IV, 651, waar Adriaan VI vanuit Saragoza op 10 mei 1522 toestond dat Minderbroeders uit de Nederlanden werden ingezet bij de bekering van de ongelovigen (in Mexico), niettegenstaande Extrav. Com. 5.9.3 en 5 Etsi dominici gregis (in beide werd de bul In Coena Domini genoemd) en de bul In Coena Domini.
N. Minnich, The Reform Proposals (1513) of Stefano Taleazzi for the Fifth Lateran Council (1512-1517), in: R. Bäumer e.a., hg., Synodus. Beiträge zur Konzilien- und allgemeinen Kirchengeschichte. Festschrift Walter Brandmüller, Paderborn 1997, 543-570.
P. Frédéricq, Corpus documentorum inquisitionis haereticae pravitatis neerlandicae, Gent-’s- Gravenhage 1900, IV, nr. 154, 219-220. Adriaan VI kon slechts één bul van Witte Donderdag publiceren, want in 1522 was hij nog onderweg van Spanje naar Rome.
Vraag om verruiming: ampliatie: ‘méliorer et amplier et augmenter’.
G. Bava, Le “Regulae Cancellariae Apostolicae” di Papa Adriano VI, Roma 2010.
A. Castan, Catalogue général, 2, 1, 417: Ms. Chiflet 4, fol. 44.
In de katholieke Kerk moest deze dienst op de eerste plaats komen: ‘Regimen animarum, quod est ars artium’: X.1.14.14 Cum sit ars. Het was beter weinig goede priesters te hebben dan vele slechte. Deze laatste gedachten dateerden echter uit de tijd van het vierde Concilie van Lateranen (1215). Toch werd de pastoor ook in de zestiende eeuw gezien als een zieleherder en werden parochies in kerkelijke zin beoordeeld naar het aantal zielen. Met het oog op het Concilie van Trente moest men deze stelregel herwaarderen: CT, XII, 1, 250, I. 6.
Dulce et decorum pro patria mori, Horatius, Carmina, 3. 2. 13.
ROPB, II, 3, 72-77, vooral 73 werd de nadruk gelegd op de kennis van de taal. Tevens werden vreemdelingen streng gecontroleerd, 73 en 75. Uiteindelijk bleef deze tekst uit de jaren dertig een concept, dat wel eigentijdse misbruiken aan de kaak stelde.
Men herinnere zich dat Isabella van Castilië evenzeer aandacht vroeg voor dit punt en dat daar al ‘cartas de naturaleza’ bestonden. De Siete Partidas gaven al een bepaling van het begrip en somden tien wegen op om ‘naturaleza’ te bereiken: T. Herzog, Defining nations. Immigrants and Citizens in early modern Spain and Spanish America, New Haven 2003, 64-69.
De sententia excommunicationis, suspensionis et interdicti: VI.5.11; Clem.5.10; Extrav. Io. XXII.13.
In het Heilige Roomse Rijk werd op 19 november 1530 bij de Rijksdag van Augsburg in een keizerlijke constitutie voorzien dat deze ‘participantes’ eenzelfde maatregel ten deel viel: G. Pfeilschifter, ARC, III, 533, l. 19.
A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, III, Göttingen 19632, 665, nr. 24.
A. Mercati, Raccolta di Concordati su materie ecclesiastiche tra la Santa Sede e le Autorità civili, Città del Vaticano 1954, I, 245.
Vergelijk ook hier met de keizerlijke constitutie van Augsburg: G. Pfeilschifter, ARC, III, 520, l. 1 en 521, l. 5.
Volgens ‘Si quis suadente’: Clem. 5.8.1 moesten de stad en de overheid gestraft worden, indien de bisschop ter plaatse werd vermoord.
X.3.11.2 Quaesivit.
Petri Matthaei, Summa constitutionum summorum pontificum et rerum in ecclesia Romana gestarum: a Gregorio IX usque ad Sixtum V, Lugduni 1588, nr. V, 264-265: Romae, Nono Cal. Junii 1530. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit punt in het topoverleg van Bologna tussen Clemens VII en Karel V vóór de keizerkroning nog eens ter sprake kwam en zowel voor de Nederlanden als voor het Heilige Roomse Rijk een oplossing bracht.
De ‘glosse bij Helie’ heeft betrekking op X.5.3.32 Ad tuas, die geldt als de uitleg bij de decretale X.5.3.31 Licet Heli.
Extrav. Com. 5.7.2. Deze laatste tekst kwam van Clemens V, Bertrand de Got, paus in Avignon (1305-1314). De Franse koningen beschouwden onder Frans I de Clementine als één van hun topprivileges, waardoor ze in niets afhankelijk waren van de keizer: T. Schuurs-Janssen, éd., Jean Thenaud, Le Triumphe des vertuz. Troisième traité. Le Triumphe de la Justice, Genève 2007, III, 106.
X.5.40.20 Quaerenti quid per censuram ecclesiasticam debeat intelligi. Het antwoord luidt: interdictum, suspensio et excommunicatio.
Zie Clem.2.3.1 Causa beneficiali en X.4.17.7 Causam, quae.
Zie A nobis (X.5.39.28) naar aanleiding van De sententia excommunicationis.
X.3.50 en VI.3.24 Ne clerici vel monachi saecularibus negotiis se immisceant.
Hetzij naar de metropolitaan of naar Rome.
VI.3.4.16 Cum in illis. Daardoor werd het publiekrecht bedreigd volgens Philippus Probus (detractio sacerdotum ledit ius publicum): J. Monachus, Glossa aurea, Parisiis 1535, 656, nrs. 35-36.
A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, III, 670, nr. 34.
In de keizerlijke constitutie van Augsburg was de leeftijdsgrens voor een subdiaken, diaken en priester respectievelijk niet onder 18, 20 en 25 jaar: G. Pfeilschifter, ARC, III, 523, l. 18-19. Zie daar ook een brede betekenis van een bisschoppelijk indult: 521, l. 8 ‘erlaubnis oder indult’.
Extrav. Io. XXII.1, 2 Suscepti regiminis.
A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, III, 660, nr. 19.
Mt. 10,8 wordt herhaald in de Actus Apostolorum 19,2.
M. Jansen, Papst Bonifaz IX (1389-1404) und seine Beziehungen zur deutschen Kirche, Freiburg im Breisgau 1904, 126 en 204-206 (9 november 1389): annaten zouden aan de Apostolische Kamer betaald worden voor alle langs de paus gereserveerde prebenden met een belastingaanslag boven 24 goudgulden.
Naar gelang van ‘patria reducta vel non reducta’ verschilden de prijzen van de annaten volgens de tabellen van de Cancellaria Apostolica: ARAB AUD 437, f° 398.
Clem. 1.6.3. Generalem. Zie ook: Sess. 24, de reform., c. 12.
I.F. Picus Mirandula, De reformandis moribus oratio ad Leonem X, P.M., et Concilium Lateranum, Hagenoae 1520, Bb iii vo: voer uit tegen het te grote aantal priesters, die dispensatie kregen en die nog geen diakonaat waard waren, en hij verwees naar de H. Bernardus, die van ‘dissipatio’ sprak in plaats van ‘dispensatio’.
Ook Ruardus Tapper vermeldde dat Rome dispensaties gaf op punten, waarin Christus zelf niet kon dispenseren: Opera, Keulen 1582, II, 373 b.
In deze periode was een correspondent van Erasmus, Gian Matteo Giberti vanaf november 1523 datarius en in 1524 bisschop van Verona: T.B. Deutscher, in: CE, II, 94-96 en A. Turchini, in: DBI 54 (2000) 623-629. Het is niet onwaarschijnlijk dat de vorige datarius, Willem van Enckevoirt, bedoeld was. De datarie was een pauselijke instelling, onderhevig aan hervorming.
Extrav. Com. 3.2.5. Salvator noster. Omwille van de ketterij werden bisdommen gesplitst, maar in de Nederlanden speelde het taalprobleem een grotere rol. Zie ook: A. Jansen, Het advies der commissie van zeven kardinalen omtrent het voorstel van Philips II ter regeling van de bisschoppelijke hiërarchie in de Nederlanden, in: Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 9 (1881) 3.
M. Dierickx, De oprichting der nieuwe bisdommen in de Nederlanden onder Filips II 1559- 1570, Antwerpen 1950.
M. Dierickx, Documents inédits sur l’Érection des nouveaux Diocèses aux Pays-Bas (1521- 1570), Bruxelles 1960, I, 1-2. ‘Sequuntur articuli’ zal dus opgesteld zijn op het einde van 1523 of in het begin van 1524.
K. Lanz, Correspondenz des Kaisers Karl V., Leipzig 1844, I (1513-1532), 374: Margareta van Oostenrijk schreef Karel V in 1530 dat de verdeling van Terwaan meer noodzakelijk was dan die van de andere bisdommen.
C. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, ’s-Gravenhage 1743, II, 1, 373-374: Viglius aan Jean Richebe in Rome, Brussel, 8 augustus 1555: het gevaar voor de kerk van Terwaan duldt geen verder uitstel! Zonder een bisschop is er geen oplossing. Er was toen een langdurige sedisvacatio.
Extrav. Com. 3.2.5. Zie ook: J. Duvernoy, La Papauté d’Avignon et le Languedoc 1316- 1342, Toulouse 1991.
Bourg-en-Bresse, waar zich ook de grafkapel van Brou (Margareta van Oostenrijk) bevindt.
De bestrijding van de ketterij, die onder Filips II het hoofdargument zal worden, treedt in dit bisdom al als een prioriteit voor het voetlicht.
J. Pycke, Prévôté de Saint-Martin à Ypres, in: MB III, 931-989, vooral 983-989. In dit rapport werd voorbijgegaan aan het latere bisdom St.-Omer, waar de Franstalige gelovigen van het graafschap Artesië zouden wonen.
Dezelfde formule werd ook toegepast, wanneer de Gentse abdij van Sint-Bavo werd afgebroken in 1540 en de monniken naar de Sint-Janskerk verhuisden.
ROPB, II, 4, 161-162. Zie ook I. Diegerick, Inventaire analytique et chronologique des chartes et documents appartenant aux archives de la ville d’Ypres, Brugge 1853-1868, V, 138.
I. Diegerick, Inventaire analytique, V, 153, MDXXXI: regest.
ROPB, II, 4, 382-384, Mechelen, 12 maart 1526. Zie ook I. Diegerick, Inventaire analytique, V, 179, MDLXV.
I. Diegerick, Inventaire analytique, V, 259, MDCLXIX: regest.
De sepulturis: X.3.28; VI.3.12; Clem.3.7; Extrav. Com. 3.6. In X.3.28.1 wordt nadrukkelijk de tekst van Lucas 10.7 en van Mattheus 10.10 herhaald dat iedere priester een loon verdient voor de bediening: dignus est operarius mercede sua.
X.1.3; VI.1.3 en Clem.1.2.
Een onderzoek naar de omstandigheden, waarin de geestelijkheid moest werken, is dringend nodig. Afzonderlijke tariferingen voor kleinere localiteiten zijn beschikbaar. De belangrijkste vraag blijft: wat deed de vorst, als de paus niet bemiddelde?
Vergelijk met ‘Von den stiften, so auf den adel allein fundirt sind’ in: A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, III, Göttingen 19632, 659-660.
E. Fogliasso, Exemption des religieux, in: DCC, V, 646-665. Zie ook: J. García Martín, Exención, in: DGDC, III 844-847.
Men zal zich herinneren dat zij het kiesrecht bezaten.
K. Lanz, Correspondenz des Kaisers Karl V., Leipzig 1844, I (1513-1532), 204-205. Deze brief dateert van 22 april 1526. Ook in haar laatste levensjaar kwam ze erop terug, 374.
ROPB, II, 1, 310-321. Zie vooral art. 65. Merk ook op dat de jonge Karel in de eerst vermelde drie steden slechts veertien jaar oud was.
L. Gachard, uitg., Itinéraire de Charles-Quint de 1506 à 1531, en J. de Vandenesse, Itinéraire de Charles-Quint, de 1514 à 1551, Brussel 1874, 14.
ROPB, II, 1, 323-324, waar nog meer privileges aan Brabant werden toegestaan.
L. Gachard, uitg., Itinéraire de Charles-Quint de 1506 à 1531, en J. de Vandenesse, Itinéraire de Charles-Quint, de 1514 à 1551, Brussel 1874, 16.
K. Lanz, Aktenstücke und Briefe, Wien 1853 (Monumenta Habsburgica, II, 1, 98).
K. Lanz, Correspondenz des Kaisers Karl V., Leipzig 1844, I (1513-1532), 373.
De politieke gevolgen van dit punt zouden doorwerken tot in de Opstand van de Nederlanden. Zie ARAB AUD 55, f° 42 r° - v° en 89 v°.
Met een ‘motus proprius’ ging het initiatief van de paus uit zonder bemiddeling. Met een ‘commissio apostolica ad partes’ werden de belanghebbende partijen bij de zaak betrokken. Op 16 september 1530 stond Clemens VII dit verzoek toe, niet volgens de keizerlijke suggesties, maar: ‘auctoritate apostolica…relaxamus’: ASV, Reg. Vat. 1357 f° 363 r° – 364 r°.
ROPB, II, 2, 23-25: 1 oktober 1520.
R. Koerperich, Les lois sur la mainmorte dans les Pays-Bas catholiques, Leuven 1922.
ROPB, II, 1, 320, art. 63. In Frankrijk werd de commende volgens Philippus Probus wel als een volwaardige titel beschouwd: J. Monachus, Glossa aurea, Parisiis 1535, 284, fol. Lxxxii, nrs. 11 en 12.
Zelden gebeurde het dat de invloed van de indulten in de briefwisseling met Rome zo sterk was. Op de eerste plaats kwamen in het tweede verzoekschrift de vier indulten aan bod bij de zeventien punten, omdat de vorst uitbreiding van de indulten wilde.1 De vorst wilde zoveel mogelijk personen inzetten voor zijn goede zaak. Dit verzoek aan Clemens VII met prioriteit voor de behandeling van indulten geeft aan dat Adriaan VI niet bereid was geweest om zich op het gladde ijs van de expectatieven te begeven. Wat Adriaan niet kon geven, kreeg bij Clemens VII misschien een kans? Clemens VII wilde niet meteen concessies doen aan Karel V. In tegenstelling tot het Spaanse rapport stond hier niets aangegeven over de opsteller noch over de behandelende raadsheer. Zoals vaker het geval is, loont het de moeite om bij Erasmus te rade te gaan. Op twee plaatsen verwijst hij naar Joris van Themseke, proost van Cassel, die in 1523 op doorreis was naar Rome.2 Deze geestelijke was al onder Maximiliaan met diplomatieke zendingen belast en was bovendien lid geweest van de Grote Raad van Mechelen. In deze periode was hij lid van de Geheime Raad.
Vergelijken we de positie van de vier indulten met punt veertien, dan begonnen de bestrijding van de ketterij in de Nederlanden en de oprichting van de nieuwe bisdommen eerder langzaam een topprioriteit te worden.3 Wel waren hier ondertussen de eerste ketters op de brandstapel omgebracht, wat in het gebied van Luther zelf nog niet was gebeurd. Bovendien verliepen de onderhandelingen over de inquisitie wellicht langs een ander diplomatiek kanaal. In vergelijking met het Heilige Roomse Rijk kan men dit rapport beschouwen als een soort ‘gravamina’, waarmee de vorst de relatie van de Nederlanden tot de H. Stoel wilde verbeteren. Deze vorstelijke wens bleef wel afhankelijk van de pauselijke instemming. Aangezien de vorst toen in Spanje verbleef, werd er op vele punten noch in de Nederlanden, noch in het Heilige Roomse Rijk vooruitgang geboekt.
In die zin is de keizerlijke constitutie van 19 november 1530, te Augsburg gegeven, het resultaat van de besprekingen, die zich na de Gravamina van Worms hebben ontwikkeld. Na de Rijksdag van Worms (1521) met keizerlijke aanwezigheid volgden de Rijksdagen, waarbij de vorst niet aanwezig was: Nürnberg (1523) en Spiers (1526). Op de Rijksdag van Augsburg was de keizer er en volgde zijn reactie.4 De parallel met de Nederlanden is treffend, omdat de oplossing van een aantal punten uit de Nederlanden nog langer aansleepte.
Het anoniem document, voor Clemens VII opgesteld en getiteld ‘Sequuntur articuli’, omvatte zeventien punten. Deze werden van kanttekeningen voorzien en belandden in Spanje, omdat de vorst ondertussen daarheen was gevaren. In Rome werden verschillende punten besproken en zelfs opgelost. Het rapport had de bedoeling om vrede en eenheid te bevorderen: het welbehagen (commodum) en het publieke nut (utilitas) van de gewesten in de Nederlanden (dominia citeriora).5 Alle punten hadden betrekking op de relatie van Kerk en Staat, zodat ze bijna een regeringsprogramma vormden. De symbiose van de geestelijke en de wereldlijke overheid stond centraal en de indulten viel een voorkeursbehandeling ten deel. De context druiste op vele punten in tegen de verstrenging van decreten uit het Concilie van Lateranen V, maar de concessie van vier indulten midden in deze periode wees er dan weer op dat de toepassing van die decreten te wensen overliet. Vanuit zijn standpunt bleek dan weer dat de vorst liever nog meer en ruimere concessies toegewezen kreeg. Het was de spanning tussen de paus, die toegeeft, en de vorst, die de ‘libertas ecclesiastica’ nog meer onder druk zet.
Onder de afzonderlijke maatregelen valt de regeling van de appellen bijzonder op. Ongemerkt is er een verwijzing naar het Concordaat van Bologna, want één kapittel ging over appellen.6 In de vraag aan de paus werd in feite het verzoek gedaan: ‘Geef de Nederlanden dezelfde faciliteiten als de Fransen.’ Eenzelfde boodschap lag verborgen in de hierna te behandelen regeling, voorzien voor de interdicten. Ook daar stond het Concordaat van Bologna model. Daarom kan dit verzoekschrift ook gelden als de beste inleiding in het bestaande klimaat voor de ‘indultarii’ of de personen, die op basis van het verkregen indult werkzaam zouden zijn in de Nederlanden. Aan de vorst aangename personen moesten zich voortaan schrap zetten tegenover de wantoestanden, die aan de paus werden gesignaleerd.
In het vijfde van de zeventien punten werd het vorstelijk placet aan een onderzoek onderworpen.7 Het placet was door de voorgangers van Karel V ingevoerd. Het betrof een vorstelijke goedkeuring om in te stemmen met documenten, die de H. Stoel naar de Nederlanden stuurde. Met het oog op het goede begrip is er een onderscheid tussen het algemene placet en het bijzondere, maar de behandelende instantie was bij delegatie de Geheime Raad.8 Wanneer de paus een document doorstuurde, dat betrekking had op de Nederlanden, 9 dan was het algemeen. Wanneer een onderdaan een apostolische provisie had gekregen, dan was deze provisie bijzonder. Het gebeurde vaak dat kandidaten verklaarden dat ze door de Apostolische Stoel voorzien waren van beneficies, gelegen in de Nederlanden, maar dat op basis van valse bullen. Zo werkten ze zich met geweld (intrusi) in kerkelijke posten en verdreven ze de wetmatige of vreedzame bezitters.10 Zo kwamen bijna volslagen analfabeten, vreemdelingen of verdachte personen tot hun promotie zonder wettige en canonieke institutie. Daardoor ontstonden ontelbare processen en men vreesde dat er nog meer zouden komen, tenzij erin werd voorzien. In dit verband blijkt ook dat er op 6 april 1529 een algemene verordening was uitgevaardigd, waarin nog eens op de verplichting werd gewezen dat voor alle pauselijke brieven een keizerlijk placet nodig was. Bij die gelegenheid werd ook een ander tarief opgesteld voor het verkrijgen van het placet.11 Met het oog op de inzet van betere priesters volgde op 20 oktober 1541 een ordonnantie met een verbod op de verlening van het placet. Deze maatregel had betrekking op dispensatie bij gebrek aan taalvaardigheid ‘super dispensatione imperitiae idiomatis’. Zo een kandidaat niet voldoende de taal van zijn parochianen machtig was, dan mocht hij het placet niet krijgen.12
In punt zes volgde de vraag aan Clemens VII om de bul van Adriaan VI ‘In Coena Domini’ af te schaffen.13 Zowel de keizer als zijn officieren mochten door de paus niet bedreigd worden met excommunicaties, die daar gewoonlijk in voorkwamen. Men mocht soortgelijke bullen noch aanvaarden, noch ze gebruiken voor het gerecht of erbuiten, tenzij ze gezien waren door dekeizerlijke raad, zoals het tot dusver gebeurd was,14 en tenzij er open brieven van placet waren verkregen. Op deze wijze probeerde de Staat zich te verdedigen tegen deze open pauselijke uitdaging. Verschillen van mening en jurisdictieproblemen moesten opgelost worden na onderhandeling op het politieke vlak.15 Bij de voorstellen om de kerk te hervormen bij het Concilie van Lateranen V was in tegenstelling tot dit artikel de hernieuwing van de bul ‘In Coena Domini’ voorgesteld. In het hervormingsvoorstel uit 1513 van Stefano Taleazzi, bisschop van Torcello (1485-1514), waren alle koningen, vorsten en volkeren geviseerd, die de kerkelijke vrijheid zouden hebben verstoord en die dus de excommunicatie niet aanvaardden.16 In een brief van Karel V naar Margareta van Oostenrijk, geschreven in Valladolid op 18 augustus 1523, kwam de vorst op de bul ’In Coena Domini’ terug:17 ‘Het schijnt dat de paus gewoon is in een soortgelijke bul benoemingen, interdict, placetbrieven en soortgelijke graties, die ik rechtens in de Nederlanden mag gebruiken, te herroepen. Ik hoor dat de heilige vaderen gewoon zijn bij hun eerste aantreden soortgelijke bullen te publiceren. Toch gaan koningen en vorsten door om hun rechten, graties en indulten, van de Heilige Apostolische Stoel gekregen, waar te nemen, tenzij een pauselijke breve het verbiedt. Daarom moet u gewoon doorgaan die graties en indulten te gebruiken. Anderzijds komt het me voor dat u mijn rechten, graties en indulten moet verbeteren, ze verruimen en vermeerderen.18 Onmiddellijk moet u inlichtingen inwinnen en de instructies nagaan, die vroeger zijn gegeven aan wie naar Rome zijn afgevaardigd, toen men in naam van mijn landen gehoorzaamheid betuigde aan genoemde heilige vaderen. Sindsdien zijn er ook de memories, die vroeger onder doctor Joost Laurens, nu hoofd-voorzitter van de Grote Raad, rustten, met het oog op de uitbreiding van de indulten. Kijk ook naar de memories, destijds onder de bevoegdheid van wijlen mijn biechtvader, broeder Jehan Glapion, met het oog op de oprichting van de nieuwe bisdommen in de Nederlanden. Van al deze materies moet een nieuwe en goede instructie opgesteld worden. Een competent persoon, die goed thuis is in deze zaken, hetzij Frans van der Hulst of iemand anders, moet naar Rome gestuurd worden. Hij moet degelijk en uitgebreid al mijn rechten, privileges, graties en indulten uit mijn Nederlanden onderbouwen en in een verzoek bij de paus bepleiten. Tevens moet hij de paus op de hoogte stellen van de bezwaren, mij aangedaan door de bul ‘In Coena Domini’ en anderszins. Mijn brieven moeten bevestigd worden, zo nodig, en verruimd en verbeterd op alle punten, waar u het noodzakelijk en mogelijk vindt’.
Karel V twijfelde er niet aan dat Adriaan VI het daarmee eens zou zijn. Hij zal geneigd zijn ‘à me faire et concéder quelques nouvelles et plus grandes graces et indultes, que je n’ay eu par le passé èsdits pays’. Tot slot voegde Karel V er nog aan toe dat hij op de hoogte gehouden wilde worden van de uitgewerkte instructie en van de persoon, die naar de paus werd gestuurd. Zelf zou hij onmiddellijk Zijne Heiligheid aanbevelingsbrieven schrijven. Hij zou aan zijn ambassadeur bij de H. Stoel (Don Luis Fernández de Cordoba, hertog van Sessa) vragen om de gezant uit de Nederlanden bij te staan en hem te helpen bij de uitvoering van zijn taak. Groot zal de ontgoocheling van Karel V zijn geweest, toen hij nog geen maand later vernam dat Adriaan VI overleden was. Bovendien blijkt uit dit schrijven, dat Karel V niet goed op de hoogte was van de inhoud van de Kanselarijregels van Adriaan VI, want daar stond tegen de gang van de toenmalige gewoonte in, dat de paus het niet begrepen had op indulten.19 De geschiedenis van de bul ‘In Coena Domini’ was daarmee zeker niet ten einde. Zo stelde de procureur-generaal bij het Parlement van het Vrijgraafschap Bourgondië nog in 1568 een bezwaarschrift op tegen de publicatie van een soortgelijke bul van Pius V.20
In het zevende punt van het rapport stond de kwaliteit van de kandidaten voor beneficia centraal. Op de eerste plaats stond het taalgebruik van de kandidaten (idioma). Parochianen moesten hun pastoor goed kunnen begrijpen, want de pastoor moest aan God verantwoording afleggen voor hun zieleheil.21 Het moest ook niet kunnen, dat geheimen van de provincies aan vreemdelingen en vijanden werden verklikt. De residentieplicht van de gebeneficieerden was erbij gebaat en de vaderlandsliefde -voor iedereen zeer aangenaam-22 werd erdoor aangewakkerd. Niettemin droeg de Apostolische Stoel de verantwoordelijkheid om aan onbekenden, vreemden en taalzwakken de beneficies van deze vaderlanden toe te wijzen. De zielezaligheid van de bevolking leed schade en dat was een zware ramp voor de ganse Staat.23 De paus moest voor eeuwig bepalen, dat hij zelf en de bisschoppen beneficies zouden verlenen aan kandidaten, die uit de provincies van de Nederlanden afkomstig waren. Collaties, die anders waren gemaakt, bestonden niet en aan de keizer en zijn opvolgers moest de macht toegestaan worden om onbekenden en vreemdelingen te verdrijven, tenzij zij eerst van zijn majesteit en zijn opvolgers brieven van ‘naturalitas’, d.i. een bewijs van gelijkberechtiging met de ingeborene, hadden gekregen. De Fransen en Engelsen en vele andere katholieke vorsten onderhielden dit punt trouwens al lange tijd.24
In het achtste punt kwamen de interdicten aan bod.25Vaak gebeurde het dat onschuldigen werden gestraft voor de misdaden van een kleine bende, want daders moesten gestraft worden.26 De straf moest echter niet bovenmate gerekt worden. Toch spraken de bisschoppen de straf van het interdict uit voor een misdaad van een privaat persoon tegen een gemeenschap of dorp, terwijl deze gemeenschap niet naliet over een verweerder recht te spreken of helemaal niet schuldig was. Deze klacht kwam volledig overeen met een bezwaar van de Duitse Natie.27 Sterker was dat in gelijke woorden in het Concordaat van Bologna werd gesproken, omdat ‘Sequuntur articuli’ ook al bij het appelrecht gedachten bij hetzelfde document geleend had.28 Daardoor ontstonden klaarblijkelijk vele ongemakken, want priesters, die zagen dat ze een leek ongestraft konden aanvallen, werden daardoor des te slechter en driester. Wanneer de leek zich verzette en de priester, die aanviel, een wond toebracht, werd de straf van het interdict vervolgens op de ganse gemeenschap overgedragen, terwijl de gemeenschap daarvoor niet moest boeten. Het interdict kon verder alleen goedgemaakt worden door aan de officieren van de bisschop voor hun – zoals zij zeggen – rechten een grote som geld te geven. Zo werd de gemeenschap tegen recht en billijkheid de vrucht van de kerkelijke sacramenten ontzegd (cessatio a divinis) en hield men geen rekening met de wensen van doden.29 Jonge mensen, die maar zelden de goddelijke sacramenten ontvingen, verloren hun geloof. De vroomheid van de gelovigen daalde; ketterijen breidden zich uit en de gevaren voor de zielen werden groter. Dit was ondraaglijk. De paus moest voor eeuwig vastleggen, dat voortaan een algemeen interdict voor een vergrijp van een privaat persoon niet zou uitgesproken worden. Noch de paus zelf, noch de bisschoppen zouden dat doen.30 Alleen voor een delict van een heer van een plaats of gemeenschap was het interdict toegestaan. Vooraf moest er naar canoniek recht een waarschuwing komen. Anders betekende het interdict niets, tenzij men in beroep ging. Niemand was verplicht zulk een interdict te onderhouden. Wel moesten in voornoemde plaats desondanks de goddelijke diensten gevierd worden, de kerkelijke sacramenten bediend worden en kon het volk ze op een vrije en toegelaten wijze ontvangen. Al in de twaalfde eeuw was bepaald dat een kanunnik geen interdict kon uitroepen over een kerk en dat de bisschop en het kapittel dat samen moesten doen.31 Ondertussen waren er glossen op deze tekst verschenen, die bepaalden dat een gemeenschap niet moest boeten voor een enkeling. Uiteindelijk werd onder Clemens VII in 1530 verordend dat provincies, steden of burchten niet zouden onderworpen worden aan het kerkelijk interdict.32
In het negende punt werden de geestelijke straffen (censurae) behandeld en werd meegedeeld hoe men zich eraan kon onttrekken. Terecht schitterde de keizerlijke majesteit door een aantal wereldlijke waardigheden. Hij moest zowel in zijn persoon, die zeer geheiligd werd genoemd, als in zijn belangrijkste gerechtsofficieren genieten van een bijzonder voorrecht. Excommunicatie moest uitgesloten worden, wanneer hij de wereldlijke rechtspraak uitoefende of als zijn officieren ze uitoefenden. Zo gebeurde het ook bij de koning van de Fransen, zoals men ziet in de glosse bij Helie33 en in de Extravagante Meruit,34 waardoor zij niet meer aan de Romeinse kerk onderworpen waren dan vroeger. Deze ongehoorde toestand moest door de Apostolische Stoel uitgeroeid worden door een privilege. Het moest niet kunnen dat de keizer of zijn opvolgers in de Nederlanden en zijn officieren en gerechtsdienaren, die wereldlijke jurisdictie uitoefenden voor hun daden in het ambt excommunicatie of interdict opliepen. Vonnissen of censuren,35 door gewone of gedelegeerde rechters gewezen, zouden rechtens van geen tel zijn, tenzij men in beroep ging. Zo konden misdadigers vrijer berecht worden en zouden clerici minder vijandig staan tegenover leken. Want als clerici dachten, dat ze zich belast voelden bij daging voor wereldlijke en keizerlijke rechters, zouden ze hun toevlucht kunnen nemen tot het appel of tot daging voor een hogere rechtbank.
In het tiende punt werd de geestelijke jurisdictie besproken. Er was verwarring, wanneer niemand zich hield aan zijn jurisdictie. Zeker moesten bisschoppen en andere geestelijke rechters binnen hun rechtsgebied tevreden zijn met hun jurisdictie en hun boekje niet te buiten gaan. De Kerk wist immers dat ze niet moest oordelen over bezit36 of over profane zaken, althans tussen leken. Het was de taak van de priester om te bidden, om de zonden te vergeven en om de zielen te binden en te bevrijden,37 maar het was de taak van de vorst om te heersen, om fouten te herstellen, lichamen te straffen en om te doden voor begane misdaden, zorg te dragen en bescherming te bieden voor tijdelijke zaken. Bijgevolg moesten de jurisdicties tussen de Kerk en de keizer gescheiden zijn en ieder moest deze scheiding zorgvuldig en nauwkeurig bewaren. Toch bleef oplettendheid geboden. Wie zijn verdrag of belofte niet hield, die beging een doodzonde. Dan verhuisde de jurisdictie op basis van de zonde naar de Kerk. Bisschoppen en andere gewone rechters zonder onderscheid spanden zich in om kennis te nemen van temporele jurisdictie over civiele, reële en profane zaken tussen leken. Ondertussen deden zij met dergelijke middelen integraal afstand van profane zaken. Hun discours had betrekking op de hemel en duldde geen vreemde bezigheden, waardoor dagelijks de haat werd opgedreven tussen de clerus, de wereldlijke (zoals werd vooropgezet)38 getroffenen en de personen, die zich wilden verzetten tegen zulk onrecht. Zo ontstonden geschillen en groeide vijandschap. De paus moest bepalen en vermijden, dat bisschoppen of andere gewone geestelijke rechters kennis namen over een civiele of profane zaak tussen leken. Kwam het toch voor, dan zouden de wereldlijke rechters hun competente rechters zijn. Processen en het eventuele vonnis, dat door diezelfde geestelijke rechters gewezen was, zou rechtens ongeldig zijn, tenzij er een hogere rechter of een appel volgde. Indien ze zich daaraan niet hielden, zou een zekere geldstraf van de bisschoppen en de geestelijke rechters worden geëist en aan de keizerlijke majesteit afgedragen. Zo zou de rechter aan ieder het zijne kunnen geven en moest men helemaal niet naar het buitenland.39
In het elfde punt werd onder de aandacht gebracht dat er te veel mensen priester werden gewijd door de bisschop.40 Welk vergelijkingspunt boden hier de bezwaren van de Duitse Natie? Te veel of ongeschikte en niet onderlegde personen werden er tot priester gewijd.41 In het verzoekschrift uit de Nederlanden aan Clemens VII werd bij voorbaat in de kantlijn genoteerd dat het bijzonder moeilijk zou zijn om in Rome een gunstige reactie te krijgen voor dit punt. Was het niet beter dit agendapunt niet te bespreken met de paus? Voor ons blijft het de moeite waard om te achterhalen in welke zin de regering toen dacht de Kerk-Staat verhouding met pauselijke hulp op een hoger plan te brengen. Werd door het indult niet genoeg weg vrijgemaakt voor nieuwe geestelijken of voor personen in de goddelijke dienst? Bisschoppen verwachtten winst te halen uit de toekomstige priesters in plaats van te denken aan geschikte kandidaten. Misschien dachten ze dat het grote aantal en niet zozeer het voorbeeld van eerbare priesters morele zuiverheid zou meebrengen. Of dachten ze dat hun grote aantal hen verachtelijk zou maken? In elk geval was het grootste deel van de priesters arm, niet competent en ongeletterd. Ofwel werden ze gedwongen de leken te dienen, zelfs in sommige zeer vuile diensten ofwel om te bedelen tot schande van de priesterlijke waardigheid ofwel om hun habijt te verlaten en zich te keren naar de wapens of naar de gruwelijkste roofpartijen. Er was nu geen enkele samenzwering, geen enkel conflict en er werden geen slachtpartijen bedreven, die niet een priester als hun belangrijkste aanvoerder hadden. Het respect van het volk ten overstaan van priesters verminderde. De vroomheid daalde en de kerk van God werd te schande gemaakt. Om de gelegenheid tot soortgelijke schandalen weg te nemen moest de paus bepalen, dat voortaan sommigen tot de gewijde orden zouden worden gepromoveerd. Of zij moesten minstens met een voldoende beneficie worden voorzien om eerbaar en gepast in hun priesterambt door het leven te gaan of om in moreel opzicht te schitteren. Zij zouden niet tot het priesterschap worden toegelaten, indien ze niet de leeftijd van zesendertig jaren hadden bereikt.42 In om het even welke kathedrale, collegiale kerk of in een kerk met een pastoor moest een zeker aantal priesters zijn. Buiten dit aantal konden de bisschoppen niemand tot priester aanstellen onder het voorwendsel van enige dispensatie of voorrecht. Er zou een straf voorzien worden om de uitoefening van de bisschoppelijke taken voor twee jaar op te schorten en een geldboete, deels aan de Apostolische Stoel, deels aan de keizerlijke majesteit te betalen. De priesters zouden ontheven worden van de uitvoering van hun taken tot ze de leeftijd van zesendertig jaar bereikt hadden of tot zij een voldoende gewaardeerd beneficium hadden verkregen.
Het twaalfde punt bracht de annaten onder de aandacht.43 Ook dit punt vormde een bezwaar van de Duitse Natie.44 Beneficies moesten vrij en zonder prijs worden verleend, want de apostel had gezegd: ‘Wat jullie gratis hebt ontvangen, geeft dat ook gratis.’45 Het is tegen alle zowel goddelijke als menselijke rechten iets te ontvangen voor de collatie van de beneficies. Toch was de praktijk anders. Telkens er door de Apostolische Stoel een beneficie werd verleend, waarvan de vruchten vierentwintig gouden dukaten van de Camera Apostolica bedroegen volgens de gewone schatting van de jaarlijkse waarde, moest men aan de Apostolische Stoel de volledige waarde betalen of het halve deel van het tarief van één jaar voor gewone beneficies (medii fructus). In kathedrale beneficies echter en in kloosters moest de integrale belasting (die ze annaat noemden) betaald worden. Zoniet, dan kwam er geen beneficium. Geschikte kandidaten en juist de beste slaagden er niet in om het beneficie te verkrijgen en op hun stappen terug te keren, omdat zij arm waren en de annaat niet konden betalen. Volgens deze mening konden alleen zij prelaat worden, die geholpen werden door de hoeveelheid zilverpenningen, maar niet door hun verdienste om goed te doen. Vaak werden vacante beneficies uitgeknepen. Zo vaak ze vrijkwamen, werd telkens de annaat afgetroggeld, ook wanneer het beneficium tweemaal per jaar vrijkwam. Voorzeker druiste dit tegen alle redelijkheid in en tegen de geest van de personen, die de annaten hadden ingesteld. In het begin waren ze niet anders opgelegd dan om het geloof te verdedigen en om de ketters en de vijanden van de christenheid te verslaan. Bonifacius IX (1389-1404) had bij vergissing verordend dat deze last van de annaten zonder onderscheid voor alle vacante kerken zou gelden.46 Dit was zeer kostbaar en nadelig voor het christendom en voor alle kerken. De paus moest geen annaten meer vragen voor vacante beneficies uit de Nederlanden. Hij zou de beneficies, die in zijn maanden nog zouden vrij komen of die ter beschikking van de Apostolische Stoel stonden, zuiver en zonder prijs of annaat geven aan geschikte en geletterde personen. Kon dat niet, dan moest er gevraagd worden de annaat te betalen zoals ‘ex patria reducta’.47 Want hoewel het vaderland – zoals is vooropgesteld – herleid was tot gehoorzaamheid, toch wilden de officieren van de Romeinse Curie, die naar goud en buit snakten, de afgewerkte bullen niet versturen, indien de annaat niet volledig betaald was.
Het dertiende punt richtte alle aandacht op de leeftijd van de priester.48 Wie niet waardig was, hoefde niet in het kerkbestuur opgenomen te worden. Een zekere leeftijd zowel voor opname in de gewijde orden als om beneficies te verkrijgen was door juridische sancties vooropgesteld. Beneden deze leeftijd was opname om beneficies te aanvaarden of te behouden onmogelijk, tenzij men eerst dispensatie49 had gekregen van de Apostolische Stoel. Toch heeft de Apostolische Stoel tot dusver her en der dispensaties verleend aan een aantal ongeschikte mensen.50 Het was voldoende dat ze een zekere som aanboden. De datarius51 stelde deze som naar eigen goeddunken vast naar de leeftijd van de knaap, voor wie de dispensatie werd overeengekomen, en naar zijn mogelijkheden. Wie uit een ruim bezit een ontzaglijke som goud in de beurzen van de officieren van de Romeinse Curie kon bijeenbrengen, was voor de paus geschikt om beneficies te verwerven. Daardoor werd de kerk aan het wankelen gebracht: beneficies werden ontzegd aan geschikte en goede prelaten en de haat van de leken ontvlamde tegen de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. De paus moest voortaan alleen letten op de verdienste van de kandidaat, voor wie hij een dispensatie zou aangaan. Commissarissen met kennis van de persoon moesten ter plaatse afgevaardigd worden. Indien de paus wist dat een kandidaat door de adel van zijn geslacht, door de uitzonderlijke kennis van de letteren of door enige andere uitmuntende deugd schitterde, zou hij hem zonder enige geldelijke bijdrage of aanvaarding van geldstukken vrijuit dispensatie verlenen. Geschikte pastores, die het verdienden, moesten aangesteld worden. Dan zou het imago van de clerus netter en vriendelijker zijn.
Het veertiende punt kwam terug op de herschikking van de bisdommen in de Nederlanden.52 Het veertiende punt was zonder meer ook het belangrijkste, maar dit was al vaker aan de orde geweest. Over deze materie was en blijft de beste monografie die van Michel Dierickx.53 In zijn bronnenwerk kan het hier bestudeerde rapport ‘Sequuntur articuli’ ingelast worden tussen 15 augustus 1521 en 25 augustus 1524.54 Waren deze nieuwe bisdommen hier bedoeld als steunpilaar voor een nieuw staatsverband? In het kader van de bestrijding van de ketterij? Of met het oog op een religieuze herbronning? Wat was verder het verband tussen indulten en nieuwe bisdommen? Nieuwe bisdommen hadden betrekking op de structuur en de organisatie van de katholieke kerk in de Nederlanden. Met de indulten dacht de keizer verzekerd te zijn van een hem aangename en loyale hiërarchie in de kerk als instelling. Hij had meer aandacht voor de betrouwbaarheid van de personen dan voor de intrinsieke waarde van de geestelijke leiders. Het bisdom van Terwaan was hét moeilijkste van de bisdommen in de Nederlanden.55 Zonder Terwaan en de vorstelijke visie op het territorium van de Nederlanden zou het probleem van de bisdommen in de Nederlanden een andere oplossing hebben gekregen. In de Franse stad Terwaan woonde een door de Franse koning benoemde bisschop, die binnen het territorium van de Nederlanden het grootste deel van zijn gelovigen telde. Dit was het gebied, waar in 1566 de Beeldenstorm ontstond: het eerste grote openbare optreden van de Calvinisten.56 Aangezien Terwaan de stad was, die godsdienstig, militair en politiek het meeste ophef veroorzaakte in de centrale regering, dacht deze dat de oplossing van Terwaan ook kon toegepast worden in de andere plaatsen, die in aanmerking kwamen voor een bisdomszetel. Daarom kon de juiste analyse van dat probleem wellicht een modeloplossing aanreiken. Het bisdom Terwaan bestond uit verschillende heerlijkheden. De stad Terwaan en een deel van het bisdom rond Boulogne-sur-mer waren gelegen in het gebied van de Franse koning. De grenzen van het bisdom omvatten ook delen van de graafschappen Vlaanderen en Artesië, heerlijkheden van Karel V. Onderdanen van genoemd graafschap Artesië moesten voor geestelijke aangelegenheden noodgedwongen naar genoemde stad Terwaan als hoofdplaats van het bisdom.
Ten tweede was er de facto een vermenging tussen genoemde onderdanen van zijn keizerlijke majesteit en die van de koning van Frankrijk. Dit gebeurde op een voor hen onveilige plaats. Zowel in vredes- als in oorlogstijd bewaakten huurtroepen de stad Terwaan. Daarbij ontstonden twisten, gevechten zonder einde en scheldpartijen met handgemeen en tweegevechten. Zo keerden de onderdanen van de graafschappen Vlaanderen en Artesië niet zonder gevaar en schade terug. Niet alleen waren goederen, maar vaak was ook het leven in gevaar. Redenen tot twisten zonder einde ontstonden; respect voor de jurisdictie van de bisschop was er niet. Een opsplitsing was noodzakelijk, omdat het publieke belang en de orde in de Staat het eisten.
Ten derde moest de paus goed nadenken over de leiding en het heil van de zielen. Hij moest in de vrede, waarin het heil van allen bestaat, opletten dat niets bij verrassing de christengelovigen de kans gaf om in de Kerk ongehoorzaam te zijn, te morren en opstandig te zijn. Ter vergelijking. In de eerste Kerk waren er door een soort van goddelijke ingeving parochies ingesteld om na te denken over het heil en de vrede van allen en om geen verwarring te stichten in het beleid van de zielen. Vervolgens kwamen er de bisschoppen en de metropolieten. Ten slotte met de aanwas van de bevolking werden parochies en bisdommen gescheiden naar gelang van de eis van de tijden en onder druk van rationele gegevens. Zo was in de periode van zaliger gedachtenis Johannes XXII (1316-1334) het bisdom Toulouse verdeeld in vijf bisdommen en opgericht als metropolitane kerk; zie de extravagante ‘Salvator’ onder de titel ‘De privilegiis’.57 De metropolitane kerk Lyon was nog onlangs opgesplitst. Er was een bisdom opgericht in de stad Bourg van hetzelfde bisdom in Bresse58 wegens de verscheidenheid van de heerlijkheden en de uitgestrektheid van het bisdom. Dáárom was de opsplitsing van Terwaan broodnodig.59
Ten vierde had het bisdom Terwaan het grootste en meest uitgebreide bisdom en ook overvloedige inkomsten, zodat er na de splitsing voor de bisschop van Terwaan voldoende inkomsten zouden overblijven, die pasten en overeenkwamen met de bisschoppelijke staat. Hoe moest de splitsing gebeuren? Aangezien het bisdom Terwaan zich uitstrekte tot alle plaatsen onder het beheer van de koning van Frankrijk, moesten deze een lang en breed bisdom vormen. De stad Ieper zou worden opgericht als bisdom en zich uitstrekken tot het gebied van het bisdom Terwaan onder de keizerlijke majesteit. Dit bisdom zou opgericht worden in het klooster van de Heilige Martinus van genoemde stad Ieper, waar één proost was en waar vele reguliere kanunniken leefden volgens de regel van Sint Augustinus, goed voorzien van schenkingen.60 De proost zou proost blijven van de kathedraal, terwijl de reguliere kanunniken kanunniken zouden blijven. Zolang ze leefden, zouden ze gehouden zijn hun orderegel te onderhouden en hun gewone habijt te dragen. Na het overlijden van de proost echter of van een kanunnik zou niemand de plaats van de overledene innemen. Een wereldheer zou de prebende verwerven, zodat er na verloop van tijd alleen wereldlijke kanunniken zouden zijn. In het vervolg zouden er gewone waardigheden zijn in de kathedraal. Dit was ook gebeurd in de metropolitane kerk, voorheen de kerk van Avignon, waarin zoals in Ieper vanaf de instelling reguliere kanunniken waren. Dertig jaar geleden was de laatste uit hun groep overleden. Op identieke wijze was dit gebeurd in meer dan één kerk.61 Met het oog op de opsplitsing van de andere bisdommen moest men zo nodig hetzelfde resultaat halen. Ongetwijfeld zouden zich moeilijkheden voordoen. De tijd was er niet naar om het uit te proberen, maar eens deze splitsing achter de rug moest dit voorbeeld een model worden. Hoe dringend de splitsing was, bleek ook uit het feit dat het officialaat van Terwaan lange tijd in Sint-Winoksbergen werd gehuisvest en hoe Karel V op 8 april 1522 besliste om het geestelijke hof naar Ieper over te brengen.62 Deze transfer werd vanuit Rome bevestigd door paus Adriaan VI op 11 mei 1523.63 De tekst van paus Adriaan werd een paar jaren na zijn overlijden in herinnering gebracht. Adriaan VI was een ervaringsdeskundige: ‘bien cognoissant la situation de nostredit pays de Flandres et de la ville de Therouane et le difficil accez par especial en temps d’yver et a foiz quasi impossible’. De Nederlandstalige onderdanen werden door de centrale regering gemaand om hun geestelijke zaken voor het geestelijke hof van Ieper te brengen. Kennelijk bleef deze verandering in de jurisdictie in de praktijk te lang aanslepen.64 Echte rust zou er in deze omgeving nooit komen. Op 3 maart 1544 bevestigde Paulus III de beslissing van zijn voorganger om het geestelijk hof naar Ieper over te brengen voor wat Vlaanderen betrof. In zijn breve voegde hij eraan toe dat de inwoners van het graafschap Artesië en van Saint-Pol ook naar dat hof zouden gaan, zolang de vijandelijkheden met Frankrijk voortduurden.65
Het vijftiende punt handelde over de begrafeniskosten.66 In de keizerlijke heerlijkheden ontstonden steeds meer twisten en geschillen zonder einde tussen het volk en de pastoors of de geestelijke leiders van parochiekerken (rectores). Er was zowel sprake over de canonieke portie, begrafenisrechten en over de bediening van de sacramenten als over vele en verschillende bedragen, die grof waren geëist door de priester. Hierdoor ontstonden tussen het volk en de geestelijke leiders vijandschappen en haatgevoelens. Hiertegen moest actie ondernomen worden volgens de locale vereisten. De Apostolische Stoel moest een gerechtelijke opdracht geven bij wijze van ‘rescriptum’.67 Hiermee moesten keizerlijke rechters ter plaatse gemaand worden zich zorgvuldig in te lichten over de kwaliteit en mogelijkheden van de pastoors. Na kennisneming zouden zij misstanden rechtzetten en een overeenkomstig en wettig tarief opleggen. Dit tarief moest door de pastoors zelf geind en onderhouden worden. Ze hadden de bevoegdheid om weerspannigen te dwingen het tarief te eerbiedigen. Ze konden ook kerkelijke censuur en andere rechtsmiddelen inschakelen.68
Het zestiende en voorlaatste punt vestigde de aandacht op de stichtingen van kloosters. In de keizerlijke heerlijkheden waren er vele kloosters, kapittelkerken, parochiale kerken, kapellen en andere geestelijke stichtingen, die zowel door zijn voorgangers als vorsten rijkelijk waren bevoordeeld, alsook kerken van zijn vazallen en onderdanen. Deze schenkingen waren gedaan onder bepaalde voorwaarden, lasten en goddelijke diensten, die nu helemaal niet uitgevoerd werden.69 Meer nog, in verschillende gevallen waren de inkomsten door slecht beheer van de geestelijke leiders (rectores) of door gebrek aan zorg verminderd en zonder reden vervreemd. De goddelijke dienst was weggevallen en de kerkelijke orde verzwakte. Zonder tegenmaatregelen zou zonder twijfel de geringste herinnering aan de stichters volledig verdwijnen. De keizer moest een commissie laten oprichten. Enkele eerbare mannen moesten in districten aangesteld worden om in de heerlijkheden zowel wereldlijke als reguliere kerken te visiteren. Er moest een visitatie komen van kloosters, zowel van mannen als vrouwen, exempt of niet,70 zonder rekening te houden met privileges, toegestaan aan om het even welke kerken en kloosters en aan de orden van Cluny, van de Cisterciënzers, Premonstratenzers71 en aan om het even welke andere. De plichten van de stichtingen, de vervreemdingen, goddelijke diensten en andere noodzakelijke punten moesten onderzocht worden. De bedoeling bestond erin om alles terug te voeren naar de toestand van de eerste stichting. Ze moesten daarvoor al het noodzakelijke doen. Met kerkelijke censuren en andere rechtsmiddelen moesten ze druk uitoefenen op ongehoorzamen en weerspannigen, zonder dat beroep mogelijk was. Waar nodig, moest de wereldlijke arm opgeroepen worden. Gelukkig was er in de correspondentie van Karel V met zijn tante Margareta een aanknopingspunt bij dit artikel, zodat we meer te weten komen over de inhoud en over de chronologie. In 1526, een paar jaren na ‘Sequuntur articuli’, signaleerde Margareta dat het probleem nog groter was dan haar neef vooropstelde. Vervolgens wees ze op de sterke weerstand van de Brabantse abdijen, die dit probleem koppelden aan hun instemming voor de beden, waardoor Margareta nog meer in de problemen geraakte.72
Het zeventiende en laatste punt vroeg aandacht voor de eed van de jonge Karel naar aanleiding van zijn Blijde Inkomsten, meer bepaald in verhouding met de Blijde Inkomst van het hertogdom Brabant, die vanaf 1356 telkens werd hernieuwd, zij het met soms lichte wijzigingen. Die eden waren respectievelijk afgelegd in Leuven (23 januari 1515),73 Brussel (29 januari 1515),74 Antwerpen (11 februari 1515)75 en ’s-Hertogenbosch (13-15 juli 1515).76 De jonge Karel beloofde toen, dat hij de privileges, gegeven aan de onderdanen van Brabant, zou onderhouden, zoals en voor zover ze wettig waren en op basis van rede en billijkheid toegestaan, wat voor hen moest volstaan. Niettemin waren genoemde Brabanders niet tevreden. Zij drongen er grof op aan, dat de vorst naast de eden, door zijn voorgangers gewoonlijk afgelegd, aan dezelfde onderdanen zou beloven en zweren om verschillende andere ongebruikelijke punten te onderhouden. Deze problemen stonden al op de agenda van Karel, toen hij zijn tante Margareta haar geheime instructie stuurde uit Barcelona (1 juli 1519). Hij was op de hoogte gebracht dat er onder de gezworen artikelen ‘plusieurs non raisonnables’ voorkwamen. Zijn tante moest trachten een kopie te bemachtigen. Een onderzoek naar de onredelijke artikelen zou verder middelen aan het licht brengen om maatregelen te treffen.77 In haar laatste levensjaar herinnerde Margareta van Oostenrijk Karel eraan dat hij dispensatie moest vragen aan Clemens VII voor de onredelijke eed, die hij in zijn land van Brabant had afgelegd bij de Blijde Inkomst.78 De onbeschaamde onderdanen dachten dat hij vele andere punten zou onderhouden, die tegen recht en billijkheid indruisten, die volkomen onredelijk waren en die zijn jurisdictie als opperste heer79 volledig zouden aantasten. Aangezien zijn voorgangers soortgelijke punten niet plachten te zweren, ze volledig onwettig, om niet zeggen ‘met geweld afgetroggeld’ waren, was actie noodzakelijk. Hij vroeg zijn eed ongedaan te maken. Alle officieren, rechters en commissarissen, die gedwongen waren om soortgelijke onredelijke eden te zweren, verkeerden in hetzelfde geval. Alleen een bul kon hier helpen. Daarin zou staan, dat zijn majesteit of genoemde rechters en officieren om het even welke jurisdictie konden uitoefenen tegen de onderdanen van genoemde heerlijkheden, alsof genoemde eden nooit waren gezworen. De absolutie moest opgesteld worden volgens de formule ‘motus proprius’ of met een ‘commissio ad partes’.80
Al deze punten moesten als een verdrag of contract van de paus verkregen worden om ze des te steviger en onherroepbaar te maken. In werkelijkheid werd het rapport op onderdelen beantwoord en op verschillende tijdstippen. In het geval van de splitsing van de bisdommen in de Nederlanden zou Filips II er in 1559 in slagen om het werk van zijn vader deels verder te zetten. Structureel gezien was de aanpassing van het wereldlijk territorium aan de kerkelijke indeling voor de staatsvorming het belangrijkste punt.
In het geval van de vier indulten van 5 juli 1515 zou Filips II alleen ‘Fervor pure devotionis’ door paus Pius IV verlengd zien, wanneer ‘Dum mente recolimus’ op 1 januari 1562 werd gedateerd. Ongetwijfeld was dit punt voor de vorst heel belangrijk, maar voor de hervorming van de katholieke kerk en vanuit het denkwerk op het Concilie van Trente bleek het op een verkeerde opvatting te berusten. Met aan de vorst loyale clerici was de hervorming van de katholieke kerk niet te bereiken.
Andere punten geraakten uit de belangstelling en waren slechts van belang in zover ze aangaven hoe de centrale regering op dat ogenblik dacht over de materie. Ondertussen eiste de Reformatie of de strijd tegen Frans I en daardoor die tegen de Turken of de zorg om een Oecumenisch Concilie meer aandacht op. Verschillende punten werden aan de orde gesteld bij de besprekingen vóór de laatste keizerkroning in Bologna (1530) en sommige kregen daar ook een oplossing; andere nog niet.
Dit rapport met de zeventien punten plaatste de verhouding tussen Kerk en Staat en dus ook het indult in een bredere context. De strijd tegen de ketters en de inquisitie of het onderzoek naar de ‘ketterse verdorvenheid’ kwam pas op gang. Het probleem van de tienden, dat ondertussen wel veel belangstelling wegdroeg, bleek hier niet belangrijk genoeg meer.81 Het thema van de dode handgoederen was van een andere orde82 en de commende was vooral in artikel 63 van de Blijde Intrede een ‘hot item’.83
De vorst vroeg nadrukkelijk verzachting van pauselijke maatregelen, drong aan op pauselijke steun in een geschil met de onderdanen, verwees naar een zorgvuldige behandeling van de geestelijke en zijn taken voor de gemeenschap en hij pleitte voor nieuwe bisdommen. Dit laatste punt bleef in het stadium van studieronde. Het venijn zat wel in de staart. In het laatste punt over de vernietiging van zijn eden uit 1515 stond de vorst op zijn politieke strepen. Hij was niet alleen hertog van Brabant, maar bovenal opperste heer. Deze houding kon in de Opstand niet door de beugel.
Met het oog op de vier indulten was de vraag aan de paus meer bepaald op het indult voor de presentatie, c.q. de ‘benoeming’ van de hoogste waardigheden gericht. Hier stond de uitbreiding van dat indult op de agenda. Voor de overige indulten waren de vragen meer gekoppeld aan de geschillen, die al dateerden uit de tijd van Alexander VI. Deze geschillen leken door de indulten van 1515 tot het verleden te behoren.
Ongemerkt werd in dit rapport voorbijgegaan aan de grote invloed van de bisschop, de aartsbisschop en de kardinaal. Ook de uitzonderlijke invloed, door de paus uit te oefenen op het beneficiewezen, ontsnapte aan de aandacht. Deze lacune in het onderzoek verdient hier speciale vermelding, omdat de vorst samen met de hogere clerus de trend zette bij de aanstelling van de kerkelijke hiërarchie en bij de uitoefening van de katholieke godsdienst.
Ongemerkt werd in dit rapport voorbijgegaan aan de grote invloed van de bisschop, de aartsbisschop en de kardinaal. Ook de uitzonderlijke invloed, door de paus uit te oefenen op het beneficiewezen, ontsnapte aan de aandacht. Deze lacune in het onderzoek verdient hier speciale vermelding, omdat de vorst samen met de hogere clerus de trend zette bij de aanstelling van de kerkelijke hiërarchie en bij de uitoefening van de katholieke godsdienst.
Uiteindelijk was het rapport ‘Sequuntur articuli’ een vraag van de vorst en de Staat om meer armslag te krijgen. Door naar het Heilige Roomse Rijk te kijken en door te verwijzen naar Frankrijk werden de nationale apecten van de verhouding tussen Kerk en Staat nadrukkelijk aan de orde gesteld. De Nederlanden wilden graag eenzelfde behandeling genieten als hun buren, die de status van echte staten of naties genoten in Europa.