Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.3.5:11.3.5 De vordering tot verkrijging van een rechterlijk verbod of bevel (verbods- of gebodsactie)
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.3.5
11.3.5 De vordering tot verkrijging van een rechterlijk verbod of bevel (verbods- of gebodsactie)
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581152:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gelaedeerde van een schending van het mededingingsrecht kan een rechterlijk verbod vorderen om een bepaalde onrechtmatige handeling te verrichten. Tevens kan een rechterlijk bevel (gebod) worden gevorderd om een bepaalde handeling te verrichten waarvan het nalaten onrechtmatig zou zijn (artikel 3:296 BW). Met een verbods- of gebodsactie kan worden bereikt dat de mededingingsbeperkende gedraging wordt gestaakt of wordt voorkomen. Zo kan de gelaedeerde aan de rechter vragen om de laedens een verbod op te leggen nog langer het mededingingsrecht te schenden (denk bijvoorbeeld aan een verbod om levering te weigeren). Tevens kan de gelaedeerde aan de rechter vragen om de laedens een bevel op te leggen om een handeling te verrichten waarvan het nalaten in strijd zou zijn met het mededingingsrecht. Te denken valt bijvoorbeeld aan een gebod om te leveren of te contracteren ingeval de wederpartij in strijd met de mededingingsregels weigert te leveren of te contracteren.1 Naast het rechterlijk verbod of bevel zal vaak een dwangsom worden gevorderd (artikel 611 a-i Rv). Bij een contracteerplicht of leveringsplicht die in een specifieke wetsbepaling staat (directe contractdwang of directe leveringsplicht), kan ook een vordering tot nakoming ex artikel 3:296 BW worden ingesteld.2
Een rechterlijk verbod of bevel kan uiteindelijk door executie geldend worden gemaakt (artikelen 3:297-3:301 BW). Zie bijvoorbeeld de reële executie tot het verrichten van een rechtshandeling zoals bij contractdwang (artikel 3:300 BW), de reële executie waarbij de schuldeiser door de rechter wordt gemachtigd om zelf ten koste van de schuldenaar datgene te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid of om hetgeen in strijd met een verplichting tot nalaten is verricht teniet te doen (artikel 3:299 BW) en de reële executie met behulp van de sterke arm tot afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn (artikelen 491-500 Rv).3
In de praktijk spelen verbods- en gebodsacties zich vooral af voor de voorzieningenrechter in kort geding. Bij dergelijke verbods- of gebodsacties behoeven minder elementen te worden bewezen. Vereist is een reële dreiging van een onrechtmatige daad. Dreiging van schade behoeft niet te worden bewezen (artikel 3:296 BW). Uiteraard dient de eiser wel voldoende belang bij zijn vordering te hebben (artikel 3:303 BW).
Het indienen van een vordering tot verkrijging van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter in kort geding is voor de eiser veelal nuttiger dan het indienen van een aanvraag tot het opleggen van een (voorlopige) last onder dwangsom bij een mededingingsautoriteit. Zo kan het geruime tijd duren voordat de NMa een beslissing neemt op een aanvraag tot het opleggen van een voorlopige last onder dwangsom (artikel 83 Mw). De voorzieningenrechter heeft hier dan ook een belangrijke taak te vervullen die de nodige verantwoordelijkheid met zich meebrengt voor het waarborgen van de individuele rechtsbescherming van mogelijke gelaedeerden van een schending van het mededingingsrecht.