Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.4.3.7
11.4.3.7 Onderscheid categorie ii en iv
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258761:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commentary 18.1. Relationship between Articles 8.1 (b) (ii) and 8.1 (b) (iv). (Adopted, 24th Session, 23 October 1992, 37.860).
Punt 2 van de Aantekening bij artikel 8, lid 1, onderdeel b, ten tweede, CVA.
HQ 542948 van 29 november 1982.
Zie ook HQ 542146 van 25 november 1980 waarbij in de Verenigde Staten ontwikkelde ontwerpen gratis ter beschikking werden gesteld aan een in de Verenigde Staten gevestigde fabrikant van geïntegreerde schakelingen, die vervolgens in een derde land werden geassembleerd en daaropvolgend in de Verenigde Staten werden geïmporteerd. In dat geval werd de waarde van het ontwerp niet in aanmerking genomen. Verwijzend naar de in de hoofdtekst beschreven HQ-ruling 544192, zou dat zelfs het geval zijn als de fabrikant van geïntegreerde schakelingen buiten de Verenigde Staten was gevestigd.
Conclusie 28 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende productiemiddelen onder punten (ii) en (iv) van artikel 71(1)(b) van het Douane Wetboek van de Unie.
Met CAD wordt gedoeld op het gebruik van computers voor het ontwerpen, modificeren, analyseren en optimaliseren van ontwerpen.
Een plotter is een machine die ontwerpen produceert met een computerprogramma.
De toeleveringen zoals bedoeld in categorie ii en categorie iv lijken op het eerste gezicht geen overlap te vertonen. Categorie ii noemt werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de voorbrenging van de ingevoerde goederen worden gebruikt (‘voorwerpen voor de productie’), waar categorie iv spreekt over engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, en tekeningen en schetsen die buiten de Europese Unie zijn verricht of vervaardigd en noodzakelijk zijn voor de productie van de ingevoerde goederen (‘intellectuele toeleveringen’). Waar de voorwerpen voor de productie een sterke link vertonen met een productieproces, geldt dat niet voor de intellectuele toeleveringen. Voor die laatste is het alleen van belang dat zij noodzakelijk zijn voor de productie van de ingevoerde goederen. Toch kan er discussie ontstaan of een toelevering als voorwerp voor de productie of intellectuele toelevering kwalificeert. Op de eerste plaats kan zich de situatie voordoen dat een koper ontwikkelingskosten heeft gemaakt ten aanzien van de vervaardiging c.q. verkrijging van een voorwerp voor de productie en dat voorwerp betrekt van een derde. In dat geval doet de vraag zich voor of de ontwikkelingskosten, wanneer zij hun oorsprong vinden in de Europese Unie, van de douanewaarde kunnen worden uitgesloten. De tweede situatie doet zich vanwege de opkomst van diverse technologieën in toenemende mate voor en betreft de omstandigheid dat intellectuele toeleveringen digitaal beschikbaar worden gesteld aan de fabrikant van de ingevoerde goederen. De intellectuele toeleveringen worden daaropvolgend geprint (met een 3D-printer) om te worden gebruikt voor de productie van de ingevoerde goederen. De vraag is of de intellectuele toeleveringen zijn aan te merken als voorwerp voor de productie (artikel 70, lid 1, onderdeel b, ten tweede, DWU) of intellectuele toelevering (artikel 70, lid 1, onderdeel b, ten vierde, DWU). In dat laatste geval hoeft de waarde niet in aanmerking genomen te worden voor het bepalen van de douanewaarde als de intellectuele toeleveringen zijn verricht of vervaardigd in de Europese Unie. Ik ga hierna nader in op de hiervoor genoemde situaties.
De eerste situatie komt overeen met het feitencomplex van Commentary 18.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO.1 In de daarin beschreven situatie was in de waarde van de voorwerpen, die gratis aan de verkoper ter beschikking werden gesteld voor de productie van de ingevoerde goederen, ook de prijs van een intellectuele toelevering opgenomen. De vraag is of de waarde van de intellectuele toelevering in dat geval buiten de waarde kan blijven als de intellectuele toelevering is verricht of vervaardigd in de Europese Unie. De Technische commissie douanewaarde is van mening dat de gehele aankoopprijs van de voorwerpen voor de productie – in dit geval dus inclusief de waarde van de intellectuele toelevering – in aanmerking genomen moet worden voor de vaststelling van de douanewaarde.2 Ik meen dat dit zelfs het geval is als de intellectuele toeleveringen zijn verricht of vervaardigd in de Europese Unie.3 Dat is naar mijn mening anders wanneer de waarde van de intellectuele toeleveringen niet in de aankoopprijs is opgenomen. In dat geval behoeft de waarde van de intellectuele toeleveringen – voor zover verricht of vervaardigd in de Europese Unie – niet in aanmerking te worden genomen. Deze ‘ontsnappingsclausule’ is onder andere beschreven in HQ-ruling 544192 van 16 juni 1989 waarbij een koper in de Verenigde Staten ontwikkelde ontwerpen ter beschikking stelde aan fabrikanten binnen en buiten de Verenigde Staten die gietvormen maakten die als toelevering aan de koper van de ingevoerde goederen ter beschikking werd gesteld. Ook in die gevallen werd de waarde van het ontwerp niet in aanmerking genomen, omdat zij niet was opgenomen in de aankoopprijs van de gietvormen.4
De tweede situatie is beschreven in Conclusie 28 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde).5 In Conclusie 28 gebruikt de koper van de ingevoerde goederen een computer-aided design (CAD)6 programma voor het ontwerp van kleding. De CAD wordt gebruikt voor het ontwikkelen van een afbeelding van de snijposities benodigd voor het vervaardigen van de kleding. Deze afbeeldingen worden door de koper via een e-mail gratis ter beschikking gesteld aan de in een derde land gevestigde fabrikant. De afbeeldingen worden door de fabrikant geopend op een computer en daaropvolgend op papier geprint met behulp van een plotter7. Daaropvolgend wordt het papier waarop de afbeelding is opgenomen op de stoflagen gelegd door de fabrikant, waarna de stof wordt versneden tot de kleding die uiteindelijk in de Europese Unie wordt ingevoerd. De afbeeldingen worden voor geen ander doel aangewend. De Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) overweegt dat de afbeeldingen essentieel zijn voor de productie van de ingevoerde goederen, omdat zij de grootte en vormgeving van de kleding bepalen. De productiemiddelen bepalen ook het ontwerp van de kleding. Ook worden de afbeeldingen geïntegreerd in het productieproces, en worden zij gebruikt voor het bepalen van de fysieke eigenschappen van de kleding. De Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) komt derhalve tot de conclusie dat de gratis ter beschikking gestelde afbeeldingen die per e-mail worden verstrekt moeten worden aangemerkt als voorwerp voor de productie in de zin van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten tweede, DWU. De voornaamste karakteristieken van de ter beschikking gestelde productie en dienst komen namelijk meer overeen met de criteria en functies zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten tweede, DWU dan met de criteria en functies zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten vierde, DWU.
Hoewel ik mij in voorgaande conclusie kan vinden, moet worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan het doel en de strekking van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten vierde, DWU. Met andere woorden, een afbeelding die digitaal (per e-mail) aan de fabrikant van de ingevoerde goederen wordt verstrekt, zal niet zondermeer als toelevering in de zin van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten tweede, DWU moeten worden aangemerkt. Het onderscheidend criterium is naar mijn mening of de toelevering wordt gebruikt in het productieproces (‘gebruikt in de productie’) of noodzakelijk is voor de productie. Indien de toelevering wordt gebruikt in de productie, is sprake van een voorwerp voor de productie in de zin van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten tweede, DWU. Dit is bijvoorbeeld het geval in het feitencomplex zoals geschetst in Conclusie 28. Een toelevering is noodzakelijk in de zin van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten vierde, DWU als de productie van bepaalde goederen voorbehouden is aan octrooihouders. Het ter beschikking stellen van een octrooi is in dat geval noodzakelijk voor de productie.