Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.8:2.8 Een tussenpositie in de literatuur
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.8
2.8 Een tussenpositie in de literatuur
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401983:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schoordijk 1959, p. 23, Schoordijk 1971, p. 470, Mezas 1985, p. 101-102, Vriesendorp 1985a, p. 157-161, Vriesendorp 1998, p. 29-32 en Vriesendorp 2010, p. 119-128.
Vriesendorp 2010, p. 126.
Mezas 1985, p. 102. In die richting ook Vriesendorp 1998, p. 31.
Vgl. ook in deze richting S.C.J.J. Kortmann, ‘De relationele bepaaldheid der eigendom en de eigendom van vorderingen’, AA 1973, p. 436.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 652.
Zie uitgebreid hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt door een aantal auteurs een standpunt verdedigd dat zich bevindt tussen de hier verdedigde opvatting van de voorbehouden eigendomals ‘echte’ eigendom en het eigendomsvoorbehoud als instrument dat de rechten van de verkoper bij ontbinding veiligstelt en de gangbare benadering van het eigendomsvoorbehoud en de voorbehouden eigendom als zekerheidsrecht of zekerheidseigendom.
Zo wordt door Schoordijk, Mezas en Vriesendorp verdedigd dat de voorbehouden eigendom gedurende de periode van onzekerheid en gedurende het in stand blijven van de koopovereenkomst de verkoper een zekerheidsrecht of zekerheidseigendom verschaft en dat pas de ontbinding van de koopovereenkomst tot gevolg heeft dat het zekerheidskarakter komt te vervallen en de eigendom (weer) een reëel karakter verkrijgt en ‘echte’ eigendom wordt.1 Vriesendorp lijkt deze verandering van de aard van het eigendomsrecht te baseren op de omstandigheid dat de verkoper door de zaak te vervreemden aan de koper te kennen heeft gegeven dat hij uitsluitend nog geïnteresseerd is in de waarde van de zaak (nl. de koopprijs). Pas door ontbinding van de koopovereenkomst maakt de verkoper duidelijk dat hij niet meer uitsluitend belang heeft bij de waarde van de zaak zelf, maar ook belang bij behoud van de zaak zelf: hij ‘wil zich de vrijheid voorbehouden om met de zaak te doen en laten wat hij wil.’2 Mezas lijkt belang te hechten aan de omstandigheid dat de verkoper gedurende het in stand blijven van de koopovereenkomst nog slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde is van betaling van de koopprijs, omdat daaruit het zekerheidskarakter van de voorbehouden eigendom zou blijken.3
Ik acht deze benadering weinig overtuigend. De verkoper bedingt het eigendomsvoorbehoud juist om tot uitoefening te kunnen overgaan indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde koopprijs. De functie en het rechtskarakter van het eigendomsvoorbehoud worden daarmee bij uitstek bepaald door de wijze van uitoefening van het eigendomsvoorbehoud en de rechtsgevolgen daarvan. Aangezien de uitoefening resulteert in ontbinding van de koopovereenkomst en de koopprijsvordering dus tenietgaat, kan bezwaarlijk worden gezegd dat de voorbehouden eigendom tot het moment van uitoefening zekerheid biedt voor de verschuldigde koopprijs.4 Treffend wordt in een enigszins ander verband in de Oostenrijkse literatuur door Bydlinski opgemerkt dat de volledige functie van het eigendomsvoorbehoud zich pas manifesteert op het moment dat de koopprijsvordering door ontbinding tenietgaat, zodat niet gezegd kan worden dat de voorbehouden eigendom dient tot zekerheid van de desbetreffende vordering:
‘Ein dingliches Recht, das seine Wirkung am stärksten bei Wegfall einer bestimmten Forderung zeigt, kann auch im wirtschaftlichen Sinn (…) keine dieser Forderung bloû dienende Gröûe sein.’5
Ook de omstandigheid dat het eigendomsrecht van de verkoper gedurende de periode van onzekerheid is beperkt tot een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde, biedt geen steun voor deze tussenpositie. Deze beperking van het eigendomsrecht grijpt namelijk niet plaats omdat het eigendomsrecht van de verkoper nog slechts een zekerheidskarakter heeft, maar volgt uit de systematiek van de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde. De beperking van het eigendomsrecht van de verkoper strekt ertoe te bewerkstelligen dat de koper door betaling van de verschuldigde koopprijs ook daadwerkelijk eigenaar wordt van de zaak, zonder dat hij daarvoor nog afhankelijk is van de verkoper. De beperking heeft zijn grondslag derhalve niet in het vermeende zekerheidskarakter, maar in de systematiek van voorwaardelijke beschikkingen.6 Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat een dergelijke beperking van het eigendomsrecht niet uitsluitend plaatsvindt bij de overdracht onder eigendomsvoorbehoud, maar bij elke overdracht onder voorwaarde, dus onverschillig of de voorwaarde bestaat uit de betaling van een geldsom of iets anders.