Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.5
2.5 Het eigendomsvoorbehoud als wederkerigheidsinstrument
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401978:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Snijders 1990, p. 93, Mincke 1995, p. 176 en Rongen 2012, p. 829-830. Vgl. ook Scholten 1906, p. 92-93 en Mijnssen 1991, p. 194-195.
Zie hierna in paragraaf 2.7.
Vgl. Blomeyer 1969, p. 2120.
Asser/Hijma 7-I* 2013, nr. 411 en nr. 567. Voor wederkerige overeenkomsten in het algemeen heeft de wetgever uitdrukkelijk afgezien van een bepaling dat partijen als regel gelijktijdig moeten presteren. ZieT.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 994. Voor koopovereenkomsten achtte de wetgever de regel van ‘gelijk oversteken’ wel de meest praktische. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 259.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 81 en MünchKomm-BGB/Emmerich 2016, Vorbem. zu § 320 BGB, Rn. 3.
Vgl. Streefkerk 2013, nr. 7.2. Kennelijk anders R. Zwitser, ‘Weigering, met terugwerkende kracht en goederenrechtelijke werking’, WPNR 2013 (6969), p. 257 die van mening is dat de wetgever ten onrechte het synallagmatisch verband heeft aangetast bij de koopovereenkomst, waardoor het do ut des niet langer wordt gerespecteerd. Deze aantasting is volgens hem gelegen in de afschaffing van de terugwerkende kracht en de goederenrechtelijke werking van de ontbinding, waardoor de koper ook eigenaar wordt, indien hij niet betaalt. Daarbij gaat hij er evenwel aan voorbij dat het wettelijk uitgangspunt is dat koper en verkoper gelijktijdig presteren. Verkrijgt de koper eigendom zonder te betalen, dan zijn partijen daarmee (stilzwijgend) contractueel afgeweken van dit wettelijk uitgangspunt.
Zie Scholten 1906, p. 102: ‘Partijen willen hier hetzelfde als bij den eenvoudigen vorm: eigendomsovergang tegen betaling van den prijs.’ Zie ook V.V., Kamerstukken I 1935/36, 70, p. 1-2, alwaar wordt opgemerkt dat de verkoop op krediet zonder eigendomsvoorbehoud, dus met onmiddellijke eigendomsoverdracht, een afwijking vormt van het uitgangspunt van gelijk oversteken (art. 1514 en 1550 BW (oud)). Treffend blijkt dit uit het Oostenrijkse recht. Indien de verkoper de koper geen uitstel van betaling verleent en de zaak levert in de verwachting dat de koper de koopprijs terstond voldoet, komt zelfs zonder een daartoe strekkend beding slechts een overdracht onder eigendomsvoorbehoud tot stand (zgn. kurzfristiger Eigentumsvorbehalt), omdat aldus de regel van ‘gelijk oversteken’ – waar partijen van zijn uitgegaan – wordt gehandhaafd. Zie F. Bydlinski, ‘Überflüssiger Eigentumsvorbehalt und schlüssige Argumentation’, JBl. 1977, p. 332-337, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 376-377, Koziol & Welser/Kleteoka 2014, p. 455 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 32. Anders: K. Spielbüchler, ‘Überflüssiger Eigentumsvorbehalt’, JBl. 1977, p. 296-304.
Spielbüchler 1968, p. 589, Bülow 1986, p. 172, Huber 1987, p. 754-756, Van Look & Stoltenberg 1990, p. 665, Lieb 1990, p. 314-318, Flume 1992, p. 706, Henckel 1994, p. 214, Lux 2008, p. 895, Riedler 2012, p. 247, Koziol & Welser/Kleteoka 2014, p. 455, Bydlinski 2015, p. 248, Uhlenbruck/Brinkmann 2015, § 47 InsO, Rn. 19, Rummel & Lukas/Winner 2016, § 358 ABGB, Rn. 15 en KPB/Prütting 2016, § 51 InsO, Rn. 46. Vgl. ook Ulmer & Schmidt 1984, p. 25. Zie ook Larenz 1986, p. 111: ‘[D]urch den Eigentumsvorbehalt gibt der Verkäufer zu erkennen, daû er die synallagmatische Verknüpfung seiner eigenen Leistung mit der Gegenleistung (…) noch keineswegs als gelöst ansieht.’ Vgl. reeds Flume 1950, p. 841 en Flume 1962, p. 390.
Zie reeds Van Lier 1892, p. 37. Vgl. ook Pitlo 1942, p. 328, die de relatie tussen eigendomsvoorbehoud en de exceptio non adimpleti contractus legt, zij het dat hij ook uitgaat van een uitstel van de levering, hetgeen denkelijk samenhangt met de onder het oude recht wel voorkomende karakterisering van het eigendomsvoorbehoud als een traditio brevi manu onder opschortende voorwaarde. Zie daarover hoofdstuk 4, paragraaf 4.8.2. Zie over de relatie tussen eigendomsvoorbehoud en exceptio non adimpleti contractus ook Hemsing 1892, p. 75-76 en Schoordijk 1971, p. 460, noot 18.
Vgl. Eggens 1931, p. 395.
Vgl. Reinicke & Tiedtke 2009, p. 479.
Lempenau 1968, p. 11, Spielbüchler 1968, p. 589, Lange 1971, p. 514, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 463, Larenz 1986, p. 111, Bülow 1986, p. 172, Huber 1987, p. 754-756, Van Look & Stoltenberg 1990, p. 665, Lieb 1990, p. 314-318, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 27, Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 5, Riedler 2012, p. 247, Bydlinski 2015, p. 248, Rummel & Lukas/Winner 2016, § 358 ABGB, Rn. 15, KPB/Prütting 2016, § 51 InsO, Rn. 46 en KBB/Apathy & Perner 2017, § 1063 ABGB, Rn. 8.
Zie hierna in voetnoot 71.
Het eigendomsvoorbehoud is geen zekerheidsrecht voor de koopprijsvordering, maar een contractueel instrument door middel waarvan de verkoper zich indekt tegen de risico’s die hij zou lopen indien hij de zaak terstond aan de koper zou overdragen en de koper in gebreke zou blijven met de voldoening van de verschuldigde koopprijs.1 Als de verkoper geen eigendomsvoorbehoud zou bedingen, zou hij bij ontbinding slechts aanspraak kunnen maken op ongedaanmaking (art. 6:271 BW). In een dergelijk geval zou de koper verplicht zijn tot retro- overdracht van de verkochte zaak aan de verkoper. Van een zodanige verbintenisrechtelijke aanspraak tot ongedaanmaking zou in het gros der gevallen echter weinig te verwachten zijn, indien de koper tegelijkertijd in gebreke blijft met de voldoening van een andere schuld, namelijk de betaling van de koopprijs.
Het eigendomsvoorbehoud bewerkstelligt dat de verkoper niet is aangewezen op een verbintenisrechtelijke vordering tot ongedaanmaking, maar kan teruggrijpen op zijn goederenrechtelijke, uit het eigendomsrecht voortvloeiende revindicatievordering (art. 5:2 BW). Hieruit blijkt dat de voorbehouden eigendom niet zozeer een vorm van zekerheidseigendom is en dat het eigendomsvoorbehoud geen zekerheidsrecht is; de voorbehouden eigendom biedt geen zekerheid voor voldoening van de koopprijsvordering. Het voorbehouden van de eigendom bewerkstelligt uitsluitend dat de verkoper bij ontbinding niet slechts een verbintenisrechtelijke aanspraak heeft. Het eigendomsvoorbehoud biedt daarmee niet zozeer zekerheid voor de voldoening van de koopprijsvordering, maar zekerheid voor de ongedaanmaking na ontbinding. Met het eigendomsvoorbehoud stelt de verkoper bij voorbaat zijn rechten bij ontbinding van de koopovereenkomst veilig, doordat hij vanwege het eigendomsvoorbehoud dan ongedaanmaking op goederenrechtelijke wijze kan afdwingen.2
Daarmee heeft het eigendomsvoorbehoud onmiskenbaar een zekerheidskarakter, maar dat zekerheidskarakter is van geheel andere aard dan de zekerheid die een pandrecht biedt. Een pandrecht stelt de pandhouder in staat om door middel van executie alsnog voldoening van de door een ander verschuldigde prestatie af te dwingen, wanneer deze in gebreke blijft met de voldoening. Uitoefening van een pandrecht bewerkstelligt aldus (gedeeltelijke) voldoening van de vordering, waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt. Anders ligt dit voor het eigendomsvoorbehoud. Met het eigendomsvoorbehoud kan de verkoper niet bewerkstelligen dat de koopprijsvordering, bijvoorbeeld uit de opbrengst van de verkochte zaak, wordt voldaan. Integendeel, door de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud gaat de koopprijsvordering juist teniet (art. 6:271 BW). Het eigendomsvoorbehoud garandeert uitsluitend dat de verkoper het object van zijn eigen prestatie behoudt totdat de koper de daartegenover staande prestatie voldoet.3
In deze hier verdedigde en nader te onderbouwen visie is de functie van het eigendomsvoorbehoud dan ook gelegen in het feit dat het beding de wederkerigheid van de contractuele prestaties handhaaft, ondanks het feit dat de verkoper de zaak reeds (af)levert voordat de koper de koopprijs voldoet. Deze functie wordt inzichtelijk door een vergelijking tussen het normaaltype koopovereenkomst en de koopovereenkomst met een beding van eigendomsvoorbehoud. Door het sluiten van een koopovereenkomst komt op de koper de verplichting tot betaling van de koopprijs te rusten (art. 7:26 lid 1 BW). Daartegenover staan voor de verkoper – voor zover hier relevant – de verplichtingen om de zaak af te leveren en in eigendom over te dragen (art. 7:9 lid 1 BW).Artikel 7:26 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat de betaling dient te geschieden ten tijde en ter plaats van de aflevering. Bij koopovereenkomst geldt derhalve als uitgangspunt dat partijen gelijktijdig moeten presteren.4 Deze regel van ‘gelijk oversteken’ benadrukt bij uitstek het wederkerige karakter van de beide prestaties en illustreert de doeloorzakelijkheid van de koopovereenkomst.5 De verkoper verbindt zich tot overdracht teneinde de koopprijs te ontvangen en de koper verplicht zich tot betaling van de koopprijs teneinde de zaak te verkrijgen.6 De verkoper hoeft zijn verplichtingen tot aflevering en overdracht pas na te komen op het moment dat de koper zijn verplichting tot de betaling van de koopprijs nakomt. Tot dat moment kan de verkoper zijn verplichtingen opschorten (art. 6:262 BW).
Door het uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’ bij koopovereenkomsten draagt geen van de partijen het risico dat de wederpartij niet presteert.7 Tegen deze achtergrond blijkt dat een koopovereenkomst met eigendomsvoorbehoud geen afwijking vormt van het uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’, maar dit uitgangspunt juist benadrukt en handhaaft.8 Door middel van het eigendomsvoorbehoud houden partijen, ondanks het feit dat de verkoper de zaak reeds (af)levert, vast aan de verstrengeling van de beide prestaties die de wederkerigheidsband schept. Het eigendomsvoorbehoud vormt met betrekking tot de verplichting tot eigendomsoverdracht derhalve een bevestiging van de regel van gelijk oversteken.9 Enkel ten aanzien van de verplichting tot aflevering wordt met het eigendomsvoorbehoud afgeweken van dit wettelijk uitgangspunt, doordat de verkoper zich verplicht om de zaak reeds (af) te leveren vóórdat de koper de verschuldigde prestatie voldoet.10 Het uitstellen van de eigendomsovergang door het effect van de overdracht afhankelijk te maken van de voldoening van de door de koper verschuldigde tegenprestatie, is in deze benadering niets anders dan het geldend maken van de exceptio non adimpleti contractus (art. 6:262 BW) met betrekking tot de verplichting tot eigendomsoverdracht van artikel 7:9 lid 1 BW.11
In afwijking van het uitgangspunt van gelijk oversteken zouden partijen ook kunnen overeenkomen dat de verkoper als eerste dient te presteren door de eigendom reeds over te dragen voordat de koper betaalt (koop op afbetaling, niet-zijnde huurkoop), of dat de koper eerst moet betalen voordat de verkoper de zaak overdraagt (vooruitbetaling).12 In het eerste geval loopt de verkoper het risico dat de koper niet presteert; in het tweede geval loopt de koper het risico dat de verkoper niet presteert.13 De elegantie van het eigendomsvoorbehoud is gelegen in het feit dat geen van de partijen het risico van niet-presteren van de wederpartij loopt, door via de opschortende voorwaarde de wederzijdse verplichtingen te verstrengelen. Aldus biedt het eigendomsvoorbehoud niet alleen een oplossing in gevallen waarin de koper nog niet in staat is de verschuldigde koopprijs te voldoen, maar ook in gevallen waarin partijen elkaar niet fysiek treffen om de beide prestaties uit te wisselen, zoals bij aankopen via internet.14 De meerwaarde van het eigendomsvoorbehoud is daarmee gelegen in de omstandigheid dat het beding een constructie mogelijk maakt waarbij levering en betaling weliswaar uiteenlopen, maar geen van de partijen daardoor belast wordt met het insolventierisico van de wederpartij.
Voor de hier gepresenteerde benadering kan steun worden gevonden in het Duitse en Oostenrijkse recht. Hoewel ook in de Oostenrijkse en Duitse literatuur de opvatting dat het eigendomsvoorbehoud een zekerheidsrecht is dat grote gelijkenis vertoont met een pandrecht of zekerheidseigendom, veel aanhangers heeft, wordt in de literatuur door een aantal andere auteurs juist benadrukt dat het eigendomsvoorbehoud zich niet laat vergelijken met zekerheidseigendom of een pandrecht, omdat de functie van het eigendomsvoorbehoud is gelegen in het handhaven van de regel van ‘gelijk oversteken’ (Zug-um-Zug) en (vooral) de rechten van de verkoper bij ontbinding veiligstelt.15 Niettemin gaan deze auteurs minder ver dan in dit proefschrift wordt verdedigd, omdat wordt aangenomen dat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud niet zonder meer behoeft uit te monden in ontbinding van de koopovereenkomst, omdat de verkoper ook de mogelijkheid zou hebben om door middel van executie van de verkochte zaak zich te verhalen voor de koopprijsvordering, waardoor de verkoper door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud wel degelijk betaling van de koopprijs zou kunnen afdwingen.16 Deze benadering komt hierna nog aan de orde en wordt in paragraaf 5.6 van hoofdstuk 5 uitvoeriger aan een kritische bespreking onderworpen.