Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.2.3.1
2.2.3.1 Rechtsstatelijke beginselen als waarden in de rechtsstaat
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661451:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 2021, p. 810.
Overigens is mijn bedoeling niet om de precieze inhoud van het rechtsstaatbegrip te bepalen, maar hier is louter van belang dat de genoemde – en voor dit onderzoek relevante – beginselen veelal plaats hebben in de rechtsstaatgedachte.
Scheltema 1989, p. 15.
Scheltema 1989, p. 15.
Scheltema 1989, par. 1 en 2. Volgens Scheltema bestaat tussen de beginselen en de eisen een ‘doel-middel’ verband. Van Ommeren 2003, par. 5, 10.
Scheltema 1989, p. 21.
Scheltema 1989, p. 21.
Scheltema’s opvatting van de rechtsstaat is voor het onderzoek van dit boek een adequatere keuze dan meer abstracte rechtsstatelijke beschouwingen, waarin de burger een minder zichtbare plaats heeft (zie bijvoorbeeld Van Ommeren 2003). Methodologisch is Scheltema’s benadering van de vier rechtsstatelijke beginselen eveneens goed bruikbaar, omdat hij daarbij uitgaat van een doel-middel verband, waarbij de rechtsstatelijke beginselen (doel) centraal staan en niet zozeer de eisen (middel) waarvan wordt aangenomen dat daarmee die waarden kunnen worden verwerkelijkt (zie paragraaf 7.2, 7.6).
Bijv. Jaarverslag Raad van State 2020; Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken 2021, p. 18-19; Gribnau 2018; Meijerman 2021a, p. 1538-1539.
Vgl. Scheltema 1989, par. 2.1; Scheltema 1997, p. 2-3, 6-7, 11; Van de Sande, par. 2.3.
Zie over overheid-burger Scheltema 2019b, Scheltema 2016; Scheltema 2019a; Scheltema 2020b. Voor de positie van de burger in het algemene bestuursrecht Vgl. Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 31.
Scheltema 1997, p. 4-5.
Het doel van het (fiscale) bestuursrecht in de rechtsstaat is, ontleend aan Scheltema, het regelen van de verhouding tussen de overheid en de burger op een manier die in overeenstemming is met de grondslagen van de rechtsstaat.1
Welke waarden gelden in de rechtsstaat?2 Scheltema heeft in zijn bijdrage ‘De rechtsstaat’ uit 1989 vier fundamentele rechtsstatelijke waarden onderscheiden.3 Deze waarden, de ‘rechtsstatelijke beginselen’, vormen volgens hem in grote lijnen de gemeenschappelijkere noemer van het idee van de rechtsstaat.
Rechtszekerheidsbeginsel (duidelijkheid over de rechtspositie en voorspelbaarheid van overheidshandelen);
Gelijkheidsbeginsel (geen willekeur, gelijke behandeling van gelijke gevallen);
Democratiebeginsel (ziet op een besluitvormingswijze voor overheidsoptreden);
Beginsel van de dienende overheid (overheid dient niet zichzelf, maar het belang van de samenleving; ‘government for the people’; doelmatig en doeltreffend handelen).
Deze beginselen gaan volgens Scheltema over waarden die men in een rechtsstaat als essentieel beschouwt.4 Als essentiële waarden hebben de rechtsstatelijke beginselen mijns inziens principieel gezien een gelijksoortig gewicht. Zo bezien, is het ene beginsel dus niet belangrijker dan het andere.
Om de rechtsstatelijke waarden tot wasdom te laten komen (doel), worden er volgens Scheltema aan de inrichting van de rechtsstaat bepaalde eisen gesteld (middel). Denk aan de rechtsstatelijke eis van machtenscheiding (checks and balances; trias politica), de legaliteitseis (overheidsoptreden berust op algemene rechtsregels, verplichtingen volgen uit democratisch gelegitimeerde wetgeving) en onafhankelijke rechtspraak (onafhankelijke rechter).5 Het beginsel van de dienende overheid dient, negatief geformuleerd, de volgende waarde:
‘Het is niet eenvoudig deze eis in rechtsregels te vertalen, maar het uitgangspunt moet zijn dat overheidshandelen, dat niet op de beste, dus de meest doelmatige en doeltreffende manier de belangen van burgers dient, in het licht van dit beginsel tekortschiet.’6
Positief geformuleerd:
‘(…) wanneer men de dienende functie van de overheid als beginsel ziet, zal de overheid waar moeten kunnen maken dat zij werkelijk het belang van de burgers behartigt.’7
Juist de theorie van Scheltema over de rechtsstaat is voor dit onderzoek relevant.8 In algemene zin is zijn visie op het rechtsstatelijke denken toonaangevend in de juridische doctrine, ook in het belastingrecht.9 Met oog op het onderhavige onderzoeksonderwerp is specifiek relevant dat Scheltema de voorlichtende taak van de overheid (specifiek die van de uitvoerende macht) in het rechtsstatelijke denken heeft ingebed, met name in het rechtsstatelijke rechtszekerheidsbeginsel (paragraaf 2.3).10
Bovendien neemt in Scheltema’s opvatting van de rechtsstaat de burger een belangrijke – zelfs centrale – positie in (het idee van ‘government for the people’).11 Hij heeft de positie van de burger van meet af aan verankerd in het rechtsstatelijk denken. Daarmee moet Scheltema worden beschouwd als vroege pleitbezorger van ‘het burgerperspectief’ in het recht (paragraaf 2.2.4, hoofdstuk 5). Daarbij komt dat Scheltema’s visie op de functie van het recht in de rechtsstaat – het recht dient niet als ‘kunstwerk’ voor juristen, maar vervult een maatschappelijke functie12 – goed aansluit bij dit onderzoek, waarin de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting met inachtneming van het burgerperspectief juridisch wordt herijkt. Conceptueel past Scheltema’s werk dus goed bij het onderwerp van dit onderzoek.