Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.10
5.7.10 Verjaringsregels: beperking van de mogelijkheid tot het opleggen van administratieve maatregelen en sancties?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398484:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent de verjaringsregels neergelegd in artikel 3 van de Verordening nr. 2988/95 Jans e.a. 2011, p. 249 e.v.
Zie HvJEG 15 januari 2009, C-281/07 (Bayerische Hypotheken- und V ereinsbank AG), Jur. 2009, p. 1-91, AB 2009, 45, m.nt. R. Ortlep. Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2011, p. 249.
Zie artikel 3, eerste lid, van de Verordening nr. 2988/95.
HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer), Jur. 2004, p. 1-6171, r.o. 32-34.
Zie artikel 3, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95.
Zie artikel 49, vierde lid, aanhef en onder b, van de Commissieverordening nr. 612/2009. Ingevolge artikel 73, vijfde lid, van de Commissieverordening nr. 796/2004 die gold tot in 2009 bestond zelfs een verjaringstermijn van tien jaar, die slechts tot vier jaar werd beperkt indien de begunstigde te goeder trouw had gehandeld.
Zie artikel 3, derde lid, van de Verordening nr. 2988/95. Zie HvJEU 5 mei 2011, gevoegde zaken C-201/10 en C-202/10 (Ze Fu Vleischhandel), n.n.g., AB 2011, 358, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden, r.o. 25.
HvJEG 29 januari 2009, gevoegde zaken C-278/07-C-280/07 (Vosding), Jur. 2009, p. 1-457, AB 2009, 91, R. Ort1ep, NJ 2009, 181, m.nt. M.R. Mok, r.o. 46. Zie ook HvJEU 22 december 2010, C-131/10 (Corman), Jur. 2010, p. 1-14199, r.o. 49.
HvJEG 29 januari 2009, gevoegde zaken C-278/07-C-280/07 (Vosding), Jur. 2009, p. 1-457, AB 2009, 91, R. Ort1ep, NJ 2009, 181, m.nt. M.R. Mok, r.o. 47.
HvJEU 22 december 2010, C-131/10 (Corman), Jur. 2010, p. 1-14199, r.o. 54 en 55.
Michiels heeft dit reeds in 1996 voorspeld. Zie Michiels 1996, p. 370.
HvJEU 5 mei 2011, gevoegde zaken C-201/10 en C-202/10 (Ze Fu Vleischhandel), n.n.g., AB 2011, 358, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden. In dit arrest ging het om een Duitse civielrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar die werd toegepast op de vorderingen tot terugbetaling van door marktdeelnemers onterecht ontvangen restituties. Zie ook HvJEU 21 december 2011, C-465/10 (Chambre de commerce et d'industrie de l'Indre), n.n.g., r.o. 66 waarin het ging om een Franse civielrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar.
HvJEU 5 mei 2011, gevoegde zaken C-201/10 en C-202/10 (Ze Fu Vleischhandel), n.n.g., AB 2011, 358, m.nt. C.A. Geleijnse en W. den Ouden, r.o. 32.
R.o. 32 en 34.
R.o. 38.
R.o. 40. Zie ook HvJEU 25 februari 2010, C-562/08 (Miller Fleisch), Jur. 2010, p. 1-1391, r.o. 45 en HvJEG 11 september 2008, C-141/07 (Commissie/Duitsland), Jur. 2008, p. 1-6935, r.o. 51.
R.o. 42.
R.o. 43.
R.o. 45.
R.o. 46.
R.o. 51.
HvJEG 29 januari 2009, gevoegde zaken C-278/07-C-280/07 (Vosding), Jur. 2009, p. 1-457, AB 2009, 91, R. Ortlep, NJ 2009, 181, m.nt. M.R. Mok, r.o. 52.
HvJEG 29 januari 2009, gevoegde zaken C-278/07-C-280/07 (Vosding), Jur. 2009, p. 1-457, AB 2009, 91, R. Ortlep, NJ 2009, 181, m.nt. M.R. Mok, r.o. 28-34.
Zie artikel 15, eerste lid, van de Verordening nr. 659/99.
Zie artikel 15, tweede lid, van de Verordening nr. 659/99.
HvJEG 11 januari 2007, C-279/05 (Vonk Dairy Products), Jur. 2007, p. 1-239, r.o. 41. Zie ook HvJEU 21 december 2011, C-465/10 (Chambre de commerce et d'industrie de l'Indre), n.n.g., r.o. 58 waarin het Hof overweegt dat de niet-naleving van de Europese aanbestedingsregels bij de uitvoering van een met een Europese subsidie gefinancierd project aanhoudt zolang de onwettig gesloten overeenkomst tussen de dienstverlener en de eindontvanger van de Europese subsidie wordt uitgevoerd en daarom als een voortdurende onregelmatigheid moet worden beschouwd. De verjaringstermijn begint in dat geval te lopen op de dag waarop de uitvoering van de onwettig geplaatste overheidsopdracht is voltooid.
Zie artikel 89, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) waaruit volgt dat de lidstaten uiterlijk tot en met 31 maart 2017 een betalingsaanvraag kunnen indienen voor een OP dat geldt in de programmaperiode 2007-2013.
HvJEU 28 oktober 2010, C-367/09 (SGS Belgium), Jur. 2010, p. 1-10761, r.o. 68; HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer), Jur. 2004, p. 1-6171, r.o. 40.
HvJEU 28 oktober 2010, C-367/09 (SGS Belgium), Jur. 2010, p. 1-10761, r.o. 69.
HvJEU 21 december 2011, C-465/10 (Chambre de commerce et d'industrie de l'Indre), n.n.g., r.o. 62.
Ook de Europese verjaringsregels kunnen eraan in de weg staan dat nationale uitvoeringsorganen in geval van onregelmatigheden administratieve maatregelen en sancties toepassen. Deze verjaringsregels zijn te vinden in de Verordening nr. 2988/95. Zij zijn ook van toepassing op de Europese subsidies die door nationale uitvoeringsorganen worden verstrekt.1 De verjaringstermijn bedraagt in beginsel vier jaar vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan. Dit betekent dat deze termijn niet van toepassing is indien een Europese subsidie wordt teruggevorderd, omdat een nationaal uitvoeringsorgaan een fout heeft gemaakt die niet is te herleiden tot een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer in strijd met Eu-recht.2 Er is dan immers geen sprake van een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95. In dat geval wordt de verjaring beheerst door het nationale recht, tenzij in de sectoriële Europese subsidieverordeningen een aparte regeling is getroffen.
De verjaringstermijn
Hoofdregel is dat de verjaringstermijn vier jaar bedraagt, vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan.3 Deze termijn geldt zowel voor het opleggen van administratieve sancties als het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.4 Voor de tenuitvoerlegging van besluiten waarbij administratieve sancties worden opgelegd, geldt vervolgens een verjaringstermijn van drie jaar.5 Hoewel het ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening nr. 2988/95 alleen mogelijk is dat in sectoriële regelingen een kortere termijn is neergelegd die niet minder dan drie jaar mag bedragen, is in sommige landbouwsubsidieverordeningen bepaald dat de verjaringstermijn van vier jaar enkel geldt indien de eindontvanger van de Europese subsidie te goeder trouw is.6 Het komt dus voor dat op grond van de Europese subsidieregelgeving langere verjaringstermijnen gelden.
Aan de harmonisering van de verjaringstermijnen in geval van onregelmatigheden wordt verder afbreuk gedaan door de in de Verordening nr. 2988/ 95 neergelegde regel dat het de lidstaten vrij staat langere termijnen toe te passen.7 Het Hof van Justitie heeft in het arrest Vosding bepaald dat deze verjaringstermijnen niet hoeven te zijn neergelegd in specifieke en/of sectoriële bepalingen.8 Ook algemene civiele nationale verjaringstermijnen kunnen als langere verjaringstermijn in de zin van de Verordening nr. 2988/95 worden beschouwd.9 Uitgangspunt is immers dat de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid behouden wat betreft de vaststelling van langere verjaringstermijnen die zij wensen toe te passen bij een onregelmatigheid die de financiële belangen van de Unie schendt.10 De bescherming die de verjaringstermijn van vier jaar biedt, heeft in dat opzicht dan ook weinig betekenis.11 In het arrest Ze Fu Vleischhandel stelt het Hof van Justitie echter paal en perk aan de toepassing van langere nationale verjaringstermijnen.12 De praktijk om algemene civiele nationale verjaringstermijnen toe te passen, moet volgens het Hof van Justitie het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen.
Uit het rechtszekerheidsbeginsel vloeit volgens het Hof van Justitie voort dat de situatie van een marktdeelnemer niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse mag blijven en daarom een verjaringstermijn van toepassing moet zijn op de vervolging van een onregelmatigheid, waarvan de duur, teneinde zijn functie van waarborg van de rechtszekerheid te vervullen, op voorhand moet zijn vastgesteld.13 Hoewel het volgens het Hof van Justitie voor de marktdeelnemer gemakkelijker is indien een specifieke nationale verjaringstermijn geldt, verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich in beginsel niet tegen de jurisprudentiële praktijk om een langere algemene verjaringstermijn uit een civielrechtelijke bepaling toe te passen. Toepassing van een algemene gemeenrechtelijke verjaringstermijn moet wel voldoende voorzienbaar zijn voor een justitiabele.14 Op grond van het evenredigheidsbeginsel mag een langere nationale verjaringstermijn niet kennelijk verder gaan dan nodig is voor het bereiken van het doel van bescherming van de financiële belangen van de Unie.15 Uit het feit dat een lidstaat kortere verjaringstermijnen oplegt dan een andere lidstaat, kan niet worden afgeleid dat deze laatste termijnen onevenredig zijn.16 Het Hof van Justitie erkent verder dat niet uitgesloten is dat een uit een civielrechtelijke bepaling voortvloeiende dertigjarige verjaringsregel noodzakelijk en evenredig kan blijken te zijn. De toetsing van een dergelijke verjaringsregel aan het evenredigheidsbeginsel is evenwel anders wanneer deze regel 'naar analogie' wordt toegepast om een andere doelstelling na te streven dan de doelstelling die ten grondslag lag aan de vaststelling ervan door de nationale wetgever, namelijk om een door de Uniewetgever vastgesteld doel na te streven.17 Nu de Uniewetgever van mening is dat een verjaringstermijn van vier, of zelfs drie jaar volstond voor de vervolging door de nationale autoriteiten van een onregelmatigheid die de financiële belangen van de EU schendt, gaat een termijn van dertig jaar verder dan noodzakelijk voor een zorgvuldig bestuursorgaan.18 Een dergelijke termijn zou nationale overheden ertoe kunnen aanzetten om geen haast te maken met de vervolging van onregelmatigheden en tegelijkertijd, enerzijds, leiden tot een langere periode van rechtsonzekerheid voor de marktdeelnemers, en hen anderzijds het risico doen lopen na een dergelijke periode niet langer in staat te zijn te bewijzen dat de betrokken verrichtingen regelmatig waren.19 Het staat de nationale wetgever echter nog steeds vrij om een langere verjaringstermijn vast te stellen, indien de verjaringstermijn van vier jaar te kort zou zijn om meer complexe onregelmatigheden te vervolgen.20 Verder blijkt uit het arrest dat een nationale rechter de termijn van dertig jaar niet kan verkorten tot tien jaar. Indien een algemene civielrechtelijke verjaringstermijn onevenredig blijkt te zijn, moet deze termijn buiten toepassing worden gelaten en geldt de algemene verjaringstermijn van vier jaar uit de Verordening nr. 2988/95.21 Als het de nationale rechter zou zijn toegestaan om zelf de nationale verjaringstermijn te beperken tot tien jaar, zou dit haaks staan op de beginselen dat de duur van een verjaringstermijn op voorhand moet zijn vastgesteld en elke toepassing naar analogie van een verjaringstermijn voor de justitiabele voldoende voorzienbaar moet zijn.22
Uit dit arrest volgt derhalve dat het toepassen van zeer lange civiele verjaringstermijnen, zonder dat deze termijnen zijn vastgesteld met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de EU, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Artikel 3 van de Verordening nr. 2988/95 is met terugwerkende kracht van toepassing op onregelmatigheden die zich voor de inwerkingtreding van deze verordening hebben voorgedaan, mits zij nog niet zijn verjaard op grond van de geldende nationale verjaringstermijnen die van toepassing waren op het tijdstip waarop de betrokken onregelmatigheden zijn begaan.23 De terugwerkende kracht van artikel 3 van de Verordening nr. 2988/95 mag niet in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze jurisprudentiële regel is met name van belang indien op grond van het nationale recht voor de inwerkingtreding van de Verordening nr. 2988/95 een kortere verjaringstermijn gold. Kortere nationale verjaringstermijnen zijn na de inwerkingtreding van de Verordening nr. 2988/95 niet langer toegestaan.
Voor de terugvordering van een Europese subsidie en de nationale cofinanciering die als onrechtmatige staatssteun worden gekwalificeerd, geldt een verjaringstermijn van tien jaar.24 Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend.25 Elke maatregel van de Europese Commissie of van een op haar verzoek optredende lidstaat die ziet op de onrechtmatige steun, stuit de verjaring.
Begin verjaringstermijn
De bepalingen in de Verordening nr. 2988/95 die zien op het begin van de verjaringstermijn zijn rechtstreeks toepasselijk. Het nationale recht doet derhalve niet ter zake. In artikel 3, eerste lid, van voormelde verordening is voorgeschreven dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan. Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Volgens het Hof van Justitie is sprake van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid, indien sprake is van een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht.26 Niet van belang is dat de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en dat de transacties waarbij de onregelmatigheid is geconstateerd, steeds verschillende partijen betreffen.
Voor meerjarige programma's loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten. Over deze bepaling bestaat nog geen jurisprudentie, maar het lijkt erop dat onregelmatigheden met Europese subsidies die op grond van een OP worden verstrekt pas verjaren vier jaar — behoudens langere nationale verjaringstermijnen — nadat de eindafrekening met de Europese Commissie heeft plaatsgevonden. In de praktijk betekent dit voor de huidige programmaperiode dat de verjaringstermijn voor onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan bij een project in 2008 pas begint te lopen in 2017.27 Hierover bestaat echter nog geen jurisprudentie van het Hof van Justitie.
Stuiting verjaringstermijn
Ook de regels over de stuiting van de verjaringstermijn zijn rechtstreeks toepasselijk. De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Een algemene controlehandeling van een nationale overheid, zonder dat er een verband bestaat met verdenkingen van onregelmatigheden die betrekking hebben op voldoende nauwkeurig omschreven handelingen kunnen de verjaringstermijnen niet onderbreken.28 Als voldoende nauwkeurige handeling tot onderzoek of vervolging van de onregelmatigheid heeft het Hof van Justitie bijvoorbeeld aangemerkt de overlegging van verslagen waaruit blijkt dat er sprake is van een onregelmatigheid en verzocht wordt om aanvullende informatie of een sanctie wordt opgelegd.29 Uit het arrest Chambre de commerce et d'industrie de l'Indre blijkt dat hetzelfde geldt, wanneer een controleverslag aan de eindontvanger wordt toegestuurd waarin de schending van de Europese aanbestedingsregels wordt vastgesteld en de nationale instantie wordt aangespoord om dienovereenkomstig de uitgekeerde bedragen terug te vorderen.30 Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Voor de verjaringstermijn van drie jaar voor de tenuitvoerlegging van administratieve sancties geldt dat de stuiting en schorsing worden beheerst door het nationale recht.