Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.8
2.2.8 Wet op het financieel toezicht (2007)
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950491:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De volledige per 1 januari 2007 geldende tekst van de Wft is te vinden in vier Staatsbladen. Staatsblad 2006, 475 en Staatsblad 2006, 605 zijn in dit kader relevant. Staatsblad 2006, 613 en Staatsblad 2006, 706 zijn in dit kader inhoudelijk niet relevant.
Besluit van 11 december 2006, houdende de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, twee andere wetten en diverse besluiten (Staatsblad 2006, 664).
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 296-302 (nota van wijziging).
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 19, p. 490-491 (vierde nota van wijziging).
Hierna in hoofdstuk 2.2.8 te bespreken: Toetsing DNB op grond van art. 3:118 en 3:119 lid 4 Wft.
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 296-302 (nota van wijziging).
Idem.
Idem.
Idem.
Art. 131 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993: “Indien zich niet binnen de gestelde termijn polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, tegen de overdracht hebben verzet en tegen de overdracht ook bij de Verzekeringskamer geen bedenkingen bestaan of aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen, verleent de Verzekeringskamer de verzekeraar toestemming tot de overdracht. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle betrokkenen.”
Art. 3:119 lid 2 Wft: “Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, tegen de voorgenomen overdracht door een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.”
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 299-300 (nota van wijziging).
Onder unit linked verzekeringen worden levensverzekeringen verstaan waarbij de verzekerde bedragen niet in eurobedragen, maar in beleggingseenheden (participaties) worden uitgedrukt. Zie hoofdstuk 1.4.
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 299 (nota van wijziging).
Horeman, Tijdschrift voor Financieel Recht 2007/11-12, p. 347.
Borgesius, Het Verzekerings-Archief 2006, afl. 3, p. 75.
Dahmen, de Beursbengel oktober 2007, p. 20.
Per 1 januari 20072 trad de Wet op het financieel toezicht in werking. De Wft en de bij of krachtens deze wet vastgestelde lagere regelgeving vervingen een aantal sectorale wetten, waaronder de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
Aan de portefeuilleoverdracht wordt aandacht besteed in de (eerste) Nota van wijziging.3 Vervolgens werd aan de regeling ook aandacht besteed in de Vierde nota van wijziging,4 omdat in de praktijk zou zijn gebleken dat de regeling van de portefeuilleoverdracht in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 enige verduidelijking behoefde. Naar de inhoud bleef de regeling grotendeels gelijk. Wel kwam in het criterium waarop het verzetrecht was gebaseerd een wijziging, namelijk van “verzekerd bedrag” naar “aantal polishouders” respectievelijk “aantal verzekerden”.5 Bovendien vormde de totstandkoming van de Wft het startpunt voor een discussie over de vraag welke toetsingsgronden DNB mocht toepassen.6
Waar de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 een overzichtelijke indeling bevatte met een hoofdstuk V over overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van schadeverzekering en een hoofdstuk VI over overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van levensverzekering, naast de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf met een hoofdstuk 5 over overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, koos men in de Wet op het financieel toezicht voor een paragraafindeling al naar gelang de zetel van de verzekeraar. De regeling werd opgenomen in de afdeling 3.5.1A (in het Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen) van de Wft. Deze werd onderverdeeld in vier paragrafen:
Verzekeraars met zetel in Nederland;
Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat;
Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is;
Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
§3.5.1a.1 (art. 3:112-3:121 Wft)
Art. 3:112 Wft is naar inhoud gelijk aan art. 129, eerste, vijfde en zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Dit artikel bevat dus de mogelijkheden voor portefeuilleoverdracht door een levensverzekeraar met zetel in Nederland. Art. 3:113 lid 1 Wft is naar inhoud grotendeels gelijk aan art. 52, eerste, vierde en zesde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Dit betreft dus de mogelijkheden voor portefeuilleoverdracht door een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland. Art. 3:114 Wft is naar inhoud grotendeels gelijk aan art. 121, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Dit artikel bevat dus de mogelijkheden voor portefeuilleoverdracht door een schadeverzekeraar met zetel in Nederland. Ten aanzien van art. 3:118 Wft wordt opgemerkt dat dit artikel naar inhoud grotendeels gelijk is aan de artikelen 53 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en 122, tweede tot en met vijfde lid, zevende tot en met negende lid, 130, tweede, derde, vijfde tot en met achtste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Over art. 3:119 Wft wordt opgemerkt dat dit artikel naar inhoud grotendeels gelijk is aan art. 54, eerste tot en met vierde lid, en zevende lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en 131, eerste tot en met vierde lid, zevende en achtste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.7Art. 3:121 Wft bepaalde dat deze paragraaf voor zover deze betrekking heeft op een overdracht door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar niet van toepassing is met betrekking tot de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering.
§3.5.1a.2 (art. 3:122-3:125 Wft)
Art. 3:122 tot en met 3:125 Wft gaan over levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat. Art. 3:122 Wft is naar inhoud grotendeels gelijk aan de artikelen 121, vierde lid, en 129, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.8
§3.5.1a.3 (art. 3:126-3:130 Wft)
Art. 3:126 tot en met 3:130 Wft gaan over levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is. Art. 3:126 Wft is naar inhoud grotendeels gelijk aan art. 129, tweede, derde en zesde lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Art. 3:127 Wft is naar inhoud grotendeels gelijk aan art. 121, tweede en derde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.9 In art. 3:130 Wft werd bepaald dat deze paragraaf voor zover deze betrekking heeft op een overdracht door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is niet van toepassing is met betrekking tot de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering.
§3.5.1a.4 (art. 3:131 Wft)
Art. 3:131 Wft gaat over natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat. Het is naar inhoud gelijk aan art. 52, tweede tot en met vierde lid van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.10
“Aantal polishouders” in art. 3:119 lid 2 Wft
In het criterium waarop het verzetrecht was gebaseerd kwam een wijziging: van “verzekerd bedrag” naar “aantal polishouders” respectievelijk “aantal verzekerden”. Het verzetrecht was in art. 131 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 199311 gebaseerd op het criterium “verzekerd bedrag”. In art. 3:119 lid 2 Wft12 werd het gebaseerd op het “aantal polishouders”. Het doel hiervan was om polishouders van unit linked verzekeringen in staat te stellen om adequaat gebruik te maken van hun rechten.13 In het geval van een unit linked verzekering is namelijk het “verzekerd bedrag” niet adequaat vast te stellen, omdat dit niet in een eurobedrag wordt uitgedrukt.14
Nu het geldelijk belang (“verzekerd bedrag”) van de verzekering niet meer voor het verzetrecht voor een overdracht door een levensverzekeraar wordt gehanteerd, werd voorgesteld om bij collectieve levensverzekeringen in plaats van het aantal polishouders het aantal verzekerden voor het verzetrecht mee te tellen. Daartoe werd de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft15 opgenomen. Bij een collectieve levensverzekering is er immers meestal maar één verzekeringnemer. Zie over het verzetrecht bij collectieve levensverzekeringen verder hierna in hoofdstuk 5.6.2.3 onder “De vierde laag van de vergelijking: collectieve levensverzekeringen”.
Bij de invoering van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf werd zonder toelichting als criterium voor het verzetrecht in art. 54 lid 4 daarvan ook al voor het aantal polishouders gekozen. Ik zet daarom enige vraagtekens bij de op unit linked verzekeringen gefocuste toelichting in de Kamerstukken van de Wft. Er zullen immers weinig natura-uitvaartverzekeringen met een unit linked karakter zijn. Het lijkt er meer op dat het “aantal polishouders” makkelijker te berekenen lijkt dan het “verzekerd bedrag”, en dat er daarom voor is gekozen voortaan een berekening te maken van het aantal polishouders.
Toetsing DNB op grond van art. 3:118 en 3:119 lid 4 Wft
De toelichting in de Kamerstukken riep ook op een ander punt destijds vragen op. Tot dan toe was er altijd van uitgegaan dat het door de verkrijgende verzekeraar voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge bij de toetsing door de toezichthouder een minimum voorwaarde betrof. In de praktijk toetste de toezichthouder de portefeuilleoverdracht aan de gevolgen daarvan voor het bedrijf van zowel de overdragende verzekeraar als de overnemende verzekeraar. Er werd dus ook met de belangen van de bij de overdragende verzekeraar achterblijvende polishouders en de overige polishouders van de verkrijgende verzekeraar rekening gehouden.
De tekst in de parlementaire geschiedenis bij art. 3:118 Wft: “In het eerste tot en met het vijfde lid worden voorschriften gegeven voor levensverzekeraars en schadeverzekeraars. In deze leden zijn de toetsingsgronden opgenomen die DNB in acht dient te nemen bij het al dan niet verlenen van instemming voor een overdracht door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar. Daarvoor is vereist dat de levensverzekeraar of de schadeverzekeraar aan wie de portefeuille wordt overgedragen beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge en geen herstelplan is verlangd.”16 leidde bij meerdere auteurs tot twijfel of DNB nog wel breed mocht toetsen.
Zo merkte Horeman17 op grond van deze tekst op dat het waarschijnlijk lijkt dat de brede toetsing die in 1922 is gekozen en daarna is gehandhaafd vaarwel wordt gezegd. Hij verzuchtte: “Zo krijgt het parlement uit 1962 toch nog gelijk: de criteria moeten uit de wet blijken, althans het moet blijken dat de toets breed is.”
Ook Borgesius18 was van mening dat de parlementaire toelichting twijfel zaaide: “Zijn de toetsingsgronden dus beperkt tot solvabiliteitsmarge en herstelplan? Wat verder te denken van lid 4 van art. 2:151 (thans: 3:119), dat bepaalt dat DNB aan een levensverzekeraar instemming verleent indien een vierde of meer van de polishouders zich niet tegen de voorgenomen overdracht heeft verzet ‘en tegen de overdracht ook bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan’? Onduidelijk is verder wat er is gebeurd met het criterium ‘belang van de overblijvende verzekeringnemers’, en in hoeverre DNB als voorwaarde voor instemming kan stellen dat de verkrijgende verzekeraar zijn herverzekeringsprogramma wijzigt.”
In dat kader is dan verder uitermate interessant dat Dahmen in oktober 2007 (dus tien maanden na de invoering van de Wft) in een artikel in de Beursbengel19 schrijft dat de website van DNB op dat moment vermeldt dat bij het beoordelen van het verzoek DNB zowel de belangen van de polishouders van de overdragende verzekeraar, als de belangen van de polishouders van de verkrijgende verzekeraar betrekt. Dat lijkt immers in te houden dat DNB haar oorspronkelijke beleid van voor de invoering van de Wft vanaf 1 januari 2007 onder de Wft in de praktijk, ondanks de tekst van de parlementaire geschiedenis, gewoon heeft voortgezet.