Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/7.5.6
7.5.6 Rentebetalingsmoment; funding gap
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS350689:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het moment waarop de rente door de stichting betaald moet worden, is afhankelijk van de onderhandelingen tussen de vennootschap/stichting en de bank. Zoals eerder aangegeven is betaling per kwartaal in de praktijk niet ongebruikelijk.
Zie De Kluiver en Van Olffen, Handboek beursgang 2011, p. 55.
Zie hierover uitgebreid paragraaf 7.6.
Huizink, GS Rechtspersonen 2006, art. 2:80 BW, aant. 6, Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013/ 26, die menen dat het vereiste van een tussentijdse vermogensopstelling niet van toepassing is op een uitkering ten laste van de reserves gedurende het jaar. Anders: Handboek 2013/334 en Bier (diss.) 2003, p. 202, waarin wordt gesteld dat een uitkering uit de reserves altijd een tussentijdse uitkering is in de zin van artikel 2:105 lid 4 BW. Zie ook paragraaf 8.6.4.
Zoals in paragraaf 7.5.1 onder b uiteengezet, wendt de stichting het te ontvangen dividend op de beschermingsprefs aan voor de betaling van de rente aan de bank.1 Het dividend op de beschermingsprefs wordt in de regel jaarlijks eenmalig en wel na vaststelling van de jaarrekening betaald. Dit betekent bijvoorbeeld dat indien de beschermingsprefs in juni worden uitgegeven terwijl de algemene vergadering waarin de jaarrekening over het voorafgaande boekjaar wordt vastgesteld plaatsvindt in april, de stichting tot april van het daaropvolgende jaar moet wachten alvorens zij haar eerste dividend ontvangt en dientengevolge niet onmiddellijk aan haar verplichtingen jegens de bank kan voldoen. Men spreekt in dit verband van een funding gap.2 In deze paragraaf beschrijf ik een drietal mogelijkheden om dit probleem het hoofd te bieden.
De eerste is dat de stichting en de bank met elkaar overeenkomen dat de stichting het bedrag van de rente “meeleent” van de bank. Met dit meegeleende bedrag dat aanstonds bij indiening van het trekkingsverzoek betaalbaar wordt gesteld aan de stichting, kan de stichting de rente tussentijds betalen. Een tweede mogelijkheid is dat de vennootschap een bedrag ineens overdraagt aan de stichting. Men spreekt wel van een storting à fonds perdu. In dat geval zondert de vennootschap een bedrag als stichtingskapitaal af, of worden de kosten van de stichting door de vennootschap betaald. Algemeen wordt in de literatuur aangenomen dat een dergelijke storting niet in strijd is met het financieel steunverbod.3 Deze storting à fonds perdu wordt in de regel in een kostenovereenkomst met de vennootschap geregeld. Een derde mogelijkheid is om de vennootschap tussentijds winst uit te laten keren of een (tussentijdse) uitkering te laten doen ten laste van de vrije reserves van de vennootschap. Zoals hiervoor in paragraaf 7.5.5 onder d uiteengezet, is in de meeste statuten van beursvennootschappen met zo veel woorden bepaald dat het bestuur tot dergelijke uitkeringen kan besluiten, wat een slagvaardig optreden van het bestuur mogelijk maakt. Gaat het om een tussentijdse winstuitkering, dan zal het bestuur op grond van art. 2:105 lid 4 BW een tussentijdse vermogensopstelling moeten opmaken, waaruit zal moeten blijken dat de tussentijdse winstuitkering ten laste van het vrij uitkeerbare vermogen kan worden gebracht. Betreft het een uitkering ten laste van de reserves, dan wordt wel aangenomen dat een tussentijdse vermogensopstelling niet is vereist.4 Het nadeel van dit alternatief is dat het bestuur een persbericht zal moeten uitbrengen, hetgeen negatieve publiciteit met zich kan meebrengen. In de praktijk zal daarom eerder voor een storting à fonds perdu, of voor een voorziening in de kredietovereenkomst gekozen worden. Met het oog op de onafhankelijkheid van de vennootschap zullen de banken zich veelal afzijdig houden en niet van de stichting eisen dat deze de vennootschap moet verzoeken om in geval van een funding gap een interim uitkering aan de stichting te doen.