Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.4.d
3.4.d Gerecht
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608324:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
General Comment 2007/32, onderdeel 58.
Vgl. Feteris 2002, p. 416; Grabenwarter 2014, p. 429.
EHRM 30 november 2006, nr. 75101/01 (Grecu/Roemenië); de vraag of dit ook geldt bij niet-ontvankelijkverklaring of verwerping van verzet tegen een strafbeschikking, wordt door de jurisprudentie niet beantwoord, zie hierover ook Feteris 2002, p. 416.
Explanatory Report 1984, onderdeel 17.
Zie Dubbink 1995, p. 446-447; Kuijer 2004, p. 173-182; Trechsel 2005, p. 45-52; Zie in het kader van art. 2P7 EVRM: ECRM 16 januari 1996 (ontv.), nr. 26808/95 (Hauser/Oostenrijk); ECRM 28 februari 1996 (ontv.), nr. 25809/94 (Horst/Oostenrijk); ECRM 28 februari 1996 (ontv.), nr. 26510/95 (H.S./Oostenrijk); EHRM 31 augustus 1999 (ontv.), nr. 34311/ 96 (Hubner/Oostenrijk); EHRM 5 oktober 2006, nr. 12555/03 (Müller/Oostenrijk); EHRM 6 mei 2008 (ontv.), nr. 29749/04 (Karg/Oostenrijk); zie voor een Frans voorbeeld met vergelijkbare koppeling aan artikel 6 van het Verdrag EHRM 27 augustus 2002 (ontv.), nr. 58188/00 (Didier/Frankrijk).
Zie paragraaf 4.3.
Zo ook Krabbe 2004, p. 192; Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 972; zie over de toegevoegde waarde van het tribunal-vereiste anders Trechsel 2005, p. 365, die mogelijk strafbeschikkingen en punitieve bestuurlijke sancties over het hoofd ziet.
Kuijer 2004, p. 177-181.
General Comment 2007/32, onderdeel 18.
De vierde en laatste eis aan het toepassingsbereik van het recht op beroep ziet op de instantie die beslist tot veroordeling. Dit moet een gerecht zijn, aldus uitdrukkelijk artikel 2P7 EVRM. Onder artikel 14 lid 5 IVBPR volgt dit vereiste niet rechtstreeks uit de verdragstekst, maar het recht op rechtsmiddelcontrole door een higher tribunal veronderstelt mijns inziens dat de beslissing waartegen beroep is ingesteld eveneens door een tribunal is uitgesproken. Steun voor die lezing is ook te vinden de positie van het vijfde lid binnen artikel 14, namelijk ná drie artikelleden over de beoordeling door een eerste gerecht. General Comment 2007/32 omschrijft artikel 14 lid 5 IVBPR bovendien als een “right to access a tribunal at the appeals level”.1 Ik neem daarom aan dat het recht op beroep onder beide verdragen uitsluitend van toepassing is op rechterlijke veroordelingen, en bijvoorbeeld niet op strafbeschikkingen.2 Indien een strafbeschikking door een gerecht na verzet wordt bevestigd, is in elk geval artikel 2 P7 EVRM overigens wel van toepassing.3
In artikel 2P7 EVRM volgt het tribunal-vereiste voor toepasselijkheid rechtstreeks uit de verdragstekst. Over die term wordt in het Explanatory Report enigszins tautologisch opgemerkt dat: “As compared with the wording of the corresponding provisions of the United Nations Covenant (Article 14, paragraph 5), the word ‘tribunal’ has been added to show clearly that this provision does not concern offences which have been tried by bodies which are not tribunals within the meaning of Article 6 of the Convention.”4 Deze overweging maakt in de eerste plaats duidelijk dat ook organen die niet tot de rechterlijke macht behoren als gerecht in verdragsrechtelijke zin kunnen worden beschouwd.5 Voor dit boek is dit punt verder niet relevant. Belangrijker is dat het Explanatory Report ten tweede wijst op een beperkend effect van het tribunal-begrip als toepasselijkheidsvereiste: niet tegen iedere veroordeling hoeft beroep open te staan, enkel tegen veroordelingen door een gerecht. De bedoeling van die beperking is vermoedelijk gelegen in de overlap die zou kunnen ontstaan met het recht op access to court uit artikel 6 EVRM. Op grond van dat recht dient bijvoorbeeld tegen strafbeschikkingen reeds toegang tot een rechter mogelijk te zijn.6 Het recht op beroep (uit artikel 2 P7 EVRM) ziet dus enkel op strafrechtelijke veroordelingen gegeven door een gerecht en bijvoorbeeld niet op strafbeschikkingen.7
Intussen roept de koppeling van het toepassingsbereik van het recht op beroep aan het autonome tribunal-begrip een (wellicht enigszins gezochte) vraag op. Hoe moet worden omgegaan met de uitzonderlijke maar zeker niet geheel theoretische situatie dat een gerecht in concreto niet alle tribunal-kenmerken laat zien. Stel dat een rechtbank een volstrekt partijdig oordeel velt. In het verleden heeft het EHRM een dergelijke tekortkoming soms afgedaan met het vernietigende oordeel dat zo’n gerecht niet als tribunal in de zin van het recht op een eerlijk proces valt te beschouwen.8 Deze redenering is ook denkbaar als de aanstelling van rechters niet voldoet of als sprake is van ontoelaatbare functiecumulatie. Het tribunal-begrip omvat namelijk op zichzelf tot op zeker hoogte de eisen/kenmerken van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, aldus ook het CRM.9 Stel nu dat wegens zeer ernstige partijdigheids- of afhankelijkheidsproblemen een gerecht niet meer als tribunal in de zin van het verdragsrecht kan worden gekwalificeerd. De vraag rijst of dan tegen zo’n zeer oneerlijk oordeel geen beroep open hoeft te staan? Het recht op beroep is immers alleen van toepassing op veroordelingen van een tribunal. De vraag stellen is hem beantwoorden. Natuurlijk moet het recht op beroep van toepassing zijn als een gerecht zeer onpartijdig beslist of de onafhankelijkheid ervan ernstig tekortschiet, juist wel. Rechtspraak hierover ontbreekt evenwel.