Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.4.4.1:8.4.4.1 Algemeen toetsingskader
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.4.4.1
8.4.4.1 Algemeen toetsingskader
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616724:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322 en ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/ 308 m.nt. Keulen.
Hiervoor verwijst de HR naar HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8889, NJ 2009/399.
Hiervoor verwijst de HR naar HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/ 169 m.nt. Schalken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het nu geldende algemene toetsingskader voor de toepassing van bewijsuitsluiting is te vinden in de arresten van 19 februari 2013.1 Deze arresten behelzen een herhaling van het standaardarrest uit 2004, maar met een aantal wezenlijke aanvullingen. Opnieuw stelt de Hoge Raad voorop dat de rechter bij het reageren op vormfouten rekening moet houden met de factoren genoemd in het tweede lid van art. 359a Sv, dat hij zijn beslissing aan de hand van die factoren dient te motiveren en dat het toepassen van een rechtsgevolg op de voet van art. 359a Sv een bevoegdheid is en niet een plicht. Vervolgens wordt de maatstaf uit het standaardarrest uit 2004 herhaald, waaraan onder verwijzing naar twee andere arresten wordt toegevoegd dat een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces2 en dat aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd.3 Dat strookt met de rechtspraak van het EHRM die hiervoor is behandeld. Op de andere voormelde aspecten is hiervoor uitvoerig ingegaan, behalve op het voor de mogelijke toepassing van bewijsuitsluiting vereiste verband tussen de vormfout en de bewijsverkrijging. Daarop wordt hierna in paragraaf 8.4.4.2 ingegaan. Vervolgens staat paragraaf 8.4.4.3 in het teken van het toepassingsbereik van de verschillende bewijsuitsluitingsregels, die de Hoge Raad in zijn arresten van 19 februari 2013 heeft geformuleerd en nader heeft afgebakend door, zoals hij zelf formuleert, ‘in aansluiting op het in de wet neergelegde en in de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde beoordelingskader’ in te gaan op de ‘verschillende redenen’ waarom de rechter ‘gebruik kan maken van de bevoegdheid tot toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsgevolg van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv’.