De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.3.2.4:7.3.2.4 Conclusie LRGD
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.3.2.4
7.3.2.4 Conclusie LRGD
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702093:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De relevante beroepsverenigingen in het kader van onteigeningsdeskundigen-taxateurs stellen over het algemeen ervaringseisen. De vorm waarin dat gebeurt verschilt echter. Bij de NRVT is dat twee jaar werkervaring. De NVR werkt via een aspirant-lidmaatschap en de NVM werkt met een toetsingssysteem (daar is de ervaringseis het dunst). De bovengrens aan ervaring wordt bovendien alleen actief bewaakt door de NRVT die eist dat de ingeschrevenen ten minste tien taxaties per jaar verrichten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De balans opgemaakt, scoort het LRGD goed in het licht van de gezichtspunten uit § 6.3.4. Het LRGD is een transparant en organisatorisch duidelijk ingericht register. Ingeschrevenen zijn onderworpen aan gedragscodes die gehandhaafd worden door tuchtrecht. Een organisatorisch aandachtspunt is de bezetting van de commissies. Die zouden zoveel mogelijk uit niet-ingeschrevenen moeten bestaan.
Qua toelating stelt het LRGD voor onteigeningsdeskundigen de juiste eisen (zie ook § 5.6 en § 6.3.4). Aandachtspunt is hier dat de eis dat een deskundige voldoende ervaring moet hebben, enkel voor de onteigeningsdeskundige-jurist is geëxpliciteerd. Voor de onteigeningsdeskundige-taxateur wordt op dat punt niets vermeld. Dat betekent dat hoogstens via de band van de relevante beroepsvereniging eisen aan ervaring worden opgelegd. De ervaringseisen van die beroepsverenigingen zijn echter zeer verschillend.1 Het LRGD zou ook voor onteigeningsdeskundigen-taxateurs expliciete ervaringseisen moeten stellen. Een tweede aandachtspunt is dat op dit moment niet is gegarandeerd dat de PE-verplichtingen worden opgevolgd met een vorm van (periodieke) examinering. Gelet op hetgeen ik daar in § 7.3.2.3 over heb overwogen, beschouw ik een vorm van examinering een noodzakelijk onderdeel van PE.
Op basis van het onderzoek in dit proefschrift kan geconcludeerd worden dat het LRGD een redelijke tot goede waarborg biedt dat de ingeschreven onteigeningsdeskundigen voldoende deskundig zijn om op te treden als gerechtelijk deskundige. Met in het achterhoofd de door mij gesignaleerde aandachtspunten, is het LRGD een geschikt mechanisme is om de deskundigheid – als aspect van kwaliteit – te controleren.