Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.4.2
6.4.2 Herstel en vervanging
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378788:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor koop Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 439-440, p. 170-172; Huber & Faust 2002, hfdst. 13, nr. 11 en 45; Lorenz & Riehm 2002, nr. 504. Voor aanneming van werk Müko/Busche 2005, § 635, nr. 2 en 3; en Huber & Faust 2002, hfdst. 18, nr. 23. Anders dan bij de oorspronkelijke verplichting voor een verkoper een contractsconforme genuszaak te leveren, komt de verkoper die een zaak moet herstellen niet meer het keuzerecht toe welke voorwerp hij levert, maar is hij gehouden de geleverde zaak te repareren, zie Ackermann 2002, p. 380, zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 157. Het gemodificeerde karakter van de vorderingen tot herstel en vervanging komt tot uitdrukking in de verjaringregels. De natuurlijke nakomingsvordering verjaart vijfjaar na het moment van opeisbaarheid (art. 3:307 lid 1). De vorderingen tot herstel en vervanging verjaren vijf jaar nadat de schuldeiser daadwerkelijk bekend is met de tekortkoming (art. 3:311), zie Koopmann (Vermogensrecht), art. 3:311, aant. 3. Bij koop en aanneming van werk gelden voor herstel en vervanging tweejarige verjaringstermijnen (art. 7:23 lid 2 en art. 7:761 lid 1). Over de samenloopproblematiek van de tweejarige verjaringstermijn van art. 7:23 met de vijfarige termijn van art. 3:310, zie HR 21 april 2006, NJ 2006, 272.
Vgl. Joost 2007, p. 519-520: 'De Nacherfüllungsanspnich ist kein neuer selbständiger Erfüllungsanspruch, sondern immer noch der ursprüngliche Erfüllungsanspruch aus dem Kaufvertrag.' Anders Streefkerk 2004, p. 10-11 en 17-20, die een principieel onderscheid maakt tussen herstel als gevolg van wanprestatie en het recht van de schuldeiser op nakoming dat natuurlijkerwijs met de totstandkoming van de verbintenis ontstaat. De Jong 2005, p. 294, stelt herstel alleen aan nakoming gelijk als de niet-nakoming in de sfeer van de vertraging ligt. Bij herstel en vervanging, gelden dezelfde Obliegenheiten als bij de oorspronkelijke nakomingsverplichting, vgl. Mankowski 2006, p. 865-869. De Hoge Raad heeft bepaald dat de klachtplicht van art. 7:23 lid 1 ook geldt indien de verkoper de zaak opnieuw aan de koper aflevert nadat hij daaraan herstelwerkzaamheden heeft verricht, zie HR 29 juni 2007, RvdW 2007, 634.
Anw.komm./Raab 2005, § 635, nr. 10. Zie bijv. Leijten 2001, p. 46, die de vordering van Nethou als vervanging bestempelt, terwijl het toch duidelijk ging om herstel van een door corrosie aangetast onderdeel van het gebouw. Leijten komt tot zijn conclusie, omdat bij een kwalificatie van de vordering als herstel de schuldenaar zich al spoedig op de onevenredigheid van de herstelkosten kon beroepen (art. 7:21 lid 1 onder b). Bij een kwalificatie van de vordering als vervanging is dat niet het geval (art. 7:21 lid 1 onder c), zo ook Stolp 2007a, p. 243. Op basis van de door mij voorgestelde 130%-richtlijn en de hierna uit te werken 20%-richtlijn gelden voor beide nakomingsvormen dezelfde afwegingscriteria zodat deze kwalificatievraag zijn belang verliest. Indien het gebrek in een koopzaak bestaat uit een foutieve montagehandleiding op basis waarvan de koper de gekochte zaak gebrekkig in elkaar heeft gezet, rijst de vraag wat precies in het kader van de vordering tot herstel respectievelijk vervanging van de verkoper kan worden gevergd. Aan de problematiek van de zogenaamde `IKEA-Klausel' is § 434 Abs. 2 BGB gewijd, dat bepaalt dat een foutieve handleiding een non-conformiteit oplevert. Bij vervanging dient de koper een geheel nieuw product te krijgen, inclusief correcte montagehandleiding, zie Huber & Faust 2002, hfdst 13, nr. 21-24. Indien de koper herstel vordert, kan de verkoper volgens Buck volstaan met het verschaffen van een correcte handleiding, maar zal hij voorts in het kader van het gevorderde herstel de koper moeten bijstaan bij het demonteren van de op basis van de gebrekkige handleiding in elkaar gezette delen, zie Buck 2002, p. 124-125. Zo ook Müko-Westemann 2005, § 439, nr. 8; Staudinger/Matusche-Beckmann 2004, § 439, nr. 18; en Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 353-354, p. 138-139.
Ball 2004, p. 218.
Vgl. Schuldrecht/Medicus 2002, hfdst. 3, nr. 45; Jacobs 2003, p. 373-374; en Huber & Faust 2002, hfdst. 13, nr. 45. Dit is anders als vaststaat dat herstel van het gebrek of vervanging van de zaak blijvend absoluut onmogelijk is, zie par. 5.2.4.
Richtlijn 1999/44/CE 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PbEG L 171/12), hierna te noemen de richtlijn consumentenkoop, is bij wet van 6 maart 2003, Stb. 2003, 110, inwerkingtreding 1 mei 2003 (KB van 7 april 2003, Stb. 2003, 151) in het BW opgenomen.
Twigg-Flesner & Bradgate 2000, par. 5 (a).
Gaudin 2008, p. 637.
Zie par. 6.3.5.
Zie par. 6.3.6.
Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 20.
Müko/Busche 2005, § 635, nr. 38. Afwijzend ten aanzien van het gebruik van percentages bij aanneming van werk zijn: Staudinger/Peters 2003, § 635, nr. 10; en Anw.komm./Raab 2005, § 635, nr. 38.
BT-Drucks 14/6040, p. 132, waar de Duitse wetgever stelt dat § 439 Abs. 3 'eine nederigere Schwelle' dan § 275 Abs. 2 is. Dit komt voorts tot uitdrukking in de wettekst, omdat § 275 Abs. 2 het vereiste van `ein grobes Missverhältnis' stelt, terwijl § 439 Abs. 3 enkel de `Unverhaltnismäβigkeit' noemt. Ditzelfde is aangenomen voor het op de redelijkheid gebaseerde verweer van § 639 Abs. 3 dat een aannemer ten dienste staat, indien hij tot nakoming wordt aangesproken. Zie over de verhouding tussen § 275 en § 639 Kommentar/Leupertz 2007, § 635, nr. 8, zie ook hierna par. 6.4.4. Zie over de verhouding tussen § 275 en § 439 Donou 2006, p. 12 en 116121; en Helm 2005, p. 127-130.
Vgl. Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 26; Huber & Faust 2002, hfdst. 13, nr. 41; Staudinger/Matusche/ Beckmann 2004, § 439, nr. 42; en Glöckner 2007, p. 663, die van mening is dat § 439 Abs. 3 geen lagere bevrijdingsdrempel voorschrijft dan § 275 Abs. 2. Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 48-51, schrijft dat het in strijd is met de richtlijn consumentenkoop om de verkoper bij consumentenkoop een verdergaand verweermiddel te geven dan andere schuldenaren ten dienste staat. Om de wil van de Duitse wetgever niet te trotseren, stelt hij het omslagpunt bij koop echter 5% lager dan in het algemene contractenrecht, vgl. Huber & Faust 2002, hfdst 2, nr. 68.
Een alternatief voorstel voor de objectivering van de absolute redelijkheid van de nakomingskosten bij koop doet Ackermann door de nakomingskosten te relateren aan de koopprijs, zie Ackermann 2002, p. 382. De maximale nakomingskosten dienen volgens Ackermann gelijk te worden gesteld met het bedrag waartoe prijsvermindering had geleid.
Vgl. Asser/Hijma 2007 (54), nr. 392.
Parl. Gesch. Boek 7, p. 136. Een concreet omslagpunt laat zich ook goed verenigen met de richtlijn consumentenkoop waar wordt gesteld dat de afweging of de nakomingskosten al dan niet buiten verhouding is, objectief moet worden vastgesteld, zie Overweging 11 van de richtlijn consumentenkoop.
Van een percentage van 20% gaan bijv. ook uit: Sivesand 2005, p. 48; Donou 2006, p. 120; en Vogt 2005, p. 66. In de Duitse literatuur wordt gesteggeld over de precieze grens. Zo stellen verscheidene auteurs een omslagpunt van 10% voor, omdat de alternatieve nakomingsvorm een gelijkwaardig resultaat creëert, Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 446-447 p. 173-174; Bitter & Meidt 2001, p. 2121; Huber & Faust 2002, hfdst. 13, nr. 41 vtnt. 33; Schultz 2005, p. 191; Jacobs 2003, p. 385; en Schuldrecht/Haas 2002, hfdst. 5, nr. 161. BGB Kommentar/Schmidt 2007, § 439, nr. 30, gaat in beginsel uit van een percentage van 5%-10%, maar is van mening dat als de verkoper vervanging vordert het percentage onder omstandigheden naar 20% kan worden opgeschroefd. Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 43, stelt een schaal van percentages voor (van 5% tot en met 25%) afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid van de verkoper bij de veroorzaking van het gebrek. Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 24 stelt als maximale grens een percentage voor van 30%, maar laat uitzonderingen uitdrukkelijk open. Afwijzend tegen een procentuele grens ter bepaling van de relatieve onmogelijkheid zijn: Anw.-komm.-Büdenbender 2005, § 439, nr. 40; en Staudinger/Matusche-Beckmann 2004, § 439, nr. 43.
Een lager percentage dan 20% ligt volgens Kirsten niet voor de hand, omdat het gerechtelijke procedures in de hand zou werken. Kirsten vreest namelijk dat bij een laag percentage de verkoper ter bevrijding van de gevorderde nakomingsvariant reeds bij een minimaal prijsverschil naar de alternatieve nakomingsvorm zal verwijzen, terwijl de koper zal stellen dat hij zich heeft verrekend, zie Kirsten 2005, p. 73. Voorts geeft een lager percentage m.i. onvoldoende invulling aan het criterium dat de gevorderde nakomingsvorm 'in geen verhouding staat' tot de kosten van uitoefening van een ander recht of een andere vordering (art. 7:21 lid 5). Een hoger percentage dan 20% is echter ook niet wenselijk, omdat de koper doorgaans geen beschermenswaardig belang heeft bij de wijze waarop de verkoper de zaak in een staat van conformiteit brengt, vgl. Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 46.
Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 43, de koper hoeft niet met een alternatieve nakomingsvorm genoegen te nemen, indien dat alternatief het gebrek niet volledig verhelpt. Zo ook voor aanneming van werk Bamberger & Roth/Voit 2003, § 635, nr. 7. Zie ook par. 6.4.5.
Voorbeeld ontleend aan Jud 2001, p. 213.
LG Ellwangen 13 december 2002, NJW2003, p. 517. Zie ook OLG Braunschweig 4 februari 2003, NJW2003, p. 1053, dat de redelijkheid van de nakomingskosten koppelde aan de waarde van een contractsconforme prestatie.
Zie voor de bespreking van deze jurisprudentie par. 6.3.4.4.
Vgl. Kirsten 2005, p. 73.
LG Ellwangen 13 december 2002, NJW2003, p. 517.
Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 22: `Klar ist auch, dass anders als im Schadensrecht der Käufer nicht gehalten ist, die billigste Lösung zu weil sonst sein Wahlrecht zwischen Nachbesserung und Nachlieferung praktisch angetastet würde.’
Vgl. Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 46.
In afwijking van de Kamerstukken II, 2000/01, 27 809, nr. 3, p. 22-23, is Hijma van mening dat de gezichtspunten van art. 7:21 lid 5 niet limitatief maar enuntiatief moeten worden verstaan, zie Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 392.
Westermann is van mening dat de eerste twee gezichtspunten weinig toegevoegde waarde hebben ten opzichte van het derde gezichtspunt, zie Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 22; en Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 44.
Loos 2004, nr. 28, p. 58.
Bamberger & Roth/Faust 2003, § 439, nr. 43.
Vgl. de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief par. 6.3.6.
Kamerstukken // 2000/01, 27 809, nr. 3, p. 7. Zo ook Frenk 2003, p. 955.
Klik 2004, p. 75-76; en Hijma 2003, p. 32. Een duidelijk verschil tussen de beperking van het recht op nakoming bij de consumentenkoop en de gewone koop is dat een verkoper zich tegen de vordering tot vervanging van een niet-consumentkoper kan verweren met de stelling dat de niet-consumentenkoper niet als een zorgvuldig schuldenaar voor de te vervangen zaak heeft gezorgd (art. 7:21 lid 1 onder c). Zoals ik hierna betoog zou dit verweer m.i. mutatis mutandis ook voor de verkoper open moeten staan, indien hij met een vordering tot vervanging van een consumentkoper wordt geconfronteerd. Volgens Frenk 2003, p. 955 wijkt de maatstaf van art. 7:21 lid 4 en lid 5 wel af van art. 7:21 lid 1.
Loos 2004, nr. 28, p. 58; en Stolp 2007a, p. 188-194.
Zie Klik 2004, p. 76, vtnt. 11.
Vgl. Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 391 en 399a.
Zo ook Hijma 2005, p. 101-102.
Voor het Engelse recht bepleit Mak ook een in grote lijnen eenvormig kooprecht, zie Mak 2006, p. 173 en 190196.
Herstel en vervanging zijn modificaties1 van het oorspronkelijke nakomingsrecht.2 Doorgaans is duidelijk wat wordt verstaan onder herstel, reparatie van een gebrekkig (onder)deel, en vervanging, het geheel opnieuw uitvoeren van de prestatie, maar dat is niet altijd het geval. Zo kan discussie ontstaan of vervanging van een ingebouwd onderdeel herstel of vervanging is.3 Ball verwoordt het verschil tussen het aanvankelijke recht op nakoming van de koper en het recht op herstel en vervanging als volgt:4
Der Unterschied zum Erfüllungsanspruch besteht im Wesentlichen darin, dass Gegenstand der Nacherfüllungsanspruch nicht mehr die Lieferung der mangelfreien Kaufsache, sondern nur noch die Herstellung ihrer Mangelfreiheit ist.
Op het moment van de bezitsverschaffing van de gebrekkige zaak lost het oorspronkelijke recht van de koper op nakoming zich op in een recht op herstel of vervanging.5
Art. 3.3 Richtlijn consumentenkoop beperkt het recht van de consument op herstel of vervanging als deze remedies 'buiten verhouding' zijn.6 Deze norm is in het Nederlandse recht geïmplementeerd in art. 7:21 lid 4 dat het recht op nakoming van de consumentkoper clausuleert, indien herstel of vervanging 'niet van de verkoper gevergd kan worden'. De rechtsonzekerheid die uitgaat van de open norm ter beperking van het recht op nakoming is door juristen uit verschillende lidstaten bekritiseerd. Rechters zouden de open beperkingsgronden wel eens in het nadeel van consumentkopers kunnen uitleggen. Zo schrijven Twigg-Flesner en Bradgate over het Engelse recht:7
It has often been said that one of the great strengths of English commercial law is its relative certainty. Absolute rules may occasionally work injustice but they allow parties to know their rights and to resolve disputes speedily. The same is true of consumer protection laws. Consumers benefit from simple, predictable and certain rules. (...) Instead the scheme contained in the Directive transfers control to the seller, and the degree of uncertainty within the scheme increases the sellees power. The consumer requests replacement of defective goods. The seller counters that replacement, and repair, would both be "disproportionate", that the defect is "minor" and that the consumer's only remedy is therefore price reduction. How many times will the consumer risk a litigious challenge to the seller?
Ook Gaudin ziet in de open norm van de richtlijn een risico voor de aantasting van de positie van consumentkopers:8
On peut toujours considérer que ces incertitudes entretiennent une certaine souplesse dans l'application des remèdes. 11 est pourtant difficile d'ignorer que cesses-ci ne permettent pas au consommateur d'en conserver la maltrise. La place faite à la situation économique du vendeur, combinée á des imperfections formelles sources de contentieux, situe en effet le juge au centre du jeu des pérogatives offertes au consommateur. En définitive, cette réforme surprend ceux pour qui le droit de la consommation est «voué á la protection d'un contractant présumé en position faiblesse», ou qui sont familiarisés au «movement ascendant de surprotection du consommateur».
Om de nadelen van het gebruik van open normen tegen te gaan, stel ik voor om de 130%-richtlijn ook voor het (consumenten)kooprecht en de overeenkomst van aanneming van werk te hanteren. Dit betekent dat een aannemer of verkoper dient na te komen indien de kosten van nakoming lager zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang, tenzij nakoming inefficiënt is.9 Indien voor nakoming geen redelijk alternatief is, dient de schuldenaar na te komen ook als de nakomingskosten hoger zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang.10 Verschillende Duitse auteurs staan ook positief tegenover een procentuele redelijkheidsgrens van het recht op nakoming bij koop en aanneming van werk. Zo schrijft Westermann over koop:11
Allerdings hätte ein Rekurs auf § 251 Abs. 2 Satz 1256 die Anwendung eigermaßen festgefügter Praktiken wie der Formel ermöglicht, dass ein mehr als 30% über dem Aufwand für eine Nachbesserung liegender Betrag für die andere Art der Nacherfüllung unverhaltnismäßig ist. Es könnte nämlich sein, dass trotz der stark einfallbezogenen Kriterien, die § 439 Abs. 3 für die Abwägung nennt, am Ende doch mit Formeln gekleideten Erfahrungssätzen gearbeitet werden wird.
En, Busche over aanneming van werk:12
[Es ist] im Rahmen von § 635 Abs. 3 allerdings nicht vornherein ausgeschlossen, die von der Rechtsprechnung zu § 251 Abs. 2 entwickelte Grenzwertbetrachtung (130 vH-Grenze) fruchtbar zu machen, freilich nur als richtwert.
Volgens de Duitse wetgever dient de bevrijdingsgrens voor de verkoper lager te zijn dan in het algemene contractenrecht, omdat de specifieke bevrijdingsgrond bij koop (§ 439 Abs. 3) anders geen toegevoegde waarde zou hebben ten opzichte van de bevrijdingsgrens uit het algemene contractenrecht (§ 275 Abs. 2).13 Bij koop en aanneming zou ik echter willen vasthouden aan de 130%-richtlijn.14 Naast de 130%-richtlijn, die de absolute redelijkheid van de nakomingskosten aangeeft,15 zou ik bij herstel en vervanging echter een tweede grens willen introduceren als indicatie van de relatieve redelijkheid van nakoming. Hierbij gaat het om het bepalen van de redelijkheid van de kosten van de gevorderde nakomingsvorm (bijvoorbeeld vervanging) in het licht van de alternatieve nakomingsvorm (herstel) 16 Dit sluit ook aan bij de oproep van de Nederlandse wetgever aan de praktijk om grenzen te trekken ten aanzien van de relatieve redelijkheid:17
Het artikel kent de koper de keuze tussen (o.m.) vervanging en herstel toe. Wel is het denkbaar dat het feit dat herstel bijzonder eenvoudig is ertoe leidt de afwijking als gering in de zin van het onder c bepaalde te beschouwen; evenzo is het - afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval - mogelijk, dat, ook al is de afwijking niet te gering om vervanging te rechtvaardigen, de koper in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door zijn keuze op vervanging te laten vallen zonder dat hij de verkoper de gelegenheid heeft geboden de zaak te herstellen. Het trekken van grenzen moet hier aan de praktijk worden overgelaten.
Ter concretisering van de relatieve redelijkheid van nakoming ga ik uit van een grens van 20%.18 Indien de kosten van de gekozen nakomingsvariant meer dan 20% hoger liggen dan van de alternatieve nakomingsvariant, kan de verkoper zich met succes tegen de gevorderde nakomingsvorm verweren 19 Dit geldt uiteraard alleen als de alternatieve variant de non-conformiteit afdoende opheft en de koper geen overlast bezorgt 20 Dit laatste gezichtspunt garandeert, net als de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief bij de 130%-richtlijn, de noodzakelijke flexibiliteit in het afwegingssysteem.
Deze 20% richtlijn staat naast de 130%-richtlijn. De 20%-richtlijn geeft vorm aan een objectivering van de relatieve redelijkheid van de nakomingskosten. Stel, de kosten van herstel van een gebrekkige zaak bedragen € 105, terwijl vervanging de verkoper € 80 kost. De verkoper zou dan een vordering tot herstel kunnen pareren, omdat de kosten van het herstel 20% hoger zijn dan de kosten van vervanging. Indien evenwel de mogelijkheid van vervanging afwezig is, bijvoorbeeld omdat de verkochte zaak een unieke zaak is, ontbreekt een alternatieve nakomingsvorm en vervalt de 20%-grens. De verkoper zal dan gehouden zijn het herstel voor € 105 uit te voeren, mits de herstelkosten lager zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang.21 Evenals de 130%-richtlijn dient de 20%-richtlijn als een bewijsvermoeden, dus als richtlijn, te worden beschouwd.
In de Duitse jurisprudentie is de grens van 20% éénmaal gehanteerd ter concretisering van de relatieve redelijkheid van de nakomingskosten.22 De koper in die zaak had een nieuwe auto gekocht. Na levering bleek één van de achterraam-scharnieren defect te zijn en trof hij roestsporen aan bij de achterklep. De koper vorderde vervanging van de auto hetgeen de verkoper € 2899,58 zou kosten. De verkoper weigerde de auto te vervangen, maar bood aan de zaak te herstellen wat hem € 516,67 kostte. Het Landesgericht Ellwangen wees de vordering tot vervanging af en veroordeelde de verkoper tot herstel, omdat de kosten van het vervangen 20% hoger waren. Het Landesgericht zocht als motivering aansluiting bij de schadebergotingsjurisprudentie van het Bundesgerichtshof over ongevalauto's.23 Het Landesgericht overwoog dat de marge bij de relatieve redelijkheid van nakoming lager kan zijn dan de 30% die het Bundesgerichtshof hanteert, omdat beide nakomingsalternatieven het belang van de koper in dezelfde mate dienen.24 Het Landesgericht Ellwangen overwoog:25
Für § 251II BGB a.F. hatte sich in der Rechtsprechung grundsätzlich (…) eine “Faustformel” von 30% entwickelt. Im Hinblick darauf, dass insoweit eine Änderung des Schuldrechts nicht erfolgt ist, gibt es keine Anhaltspunkte dafür, dass von der “Faustformel” Abstriche zu machen sind. Es ist jedoch bei allgemeiner Betrachtung zu sehen, dass bei Bestimmung dieser Faustformel es regelmäßig um unfallbedingt beschädigte Kraftfahrzeuge ging und man deshalb das “Affektionsinteresse” des Eigentümers der verunfallten Pkws berücksichtigt hat. Im vorliegenden Fall ist ein solches Affektionsinteresse gerade nicht gegeben, da eine gegenteilige Interessenlage vorliegt. Der Kl. möchte gerade nicht seinen Pkw behalten, zum dem er im Laufe der Zeit eine “beziehung” aufgebaut hat, sondern vielmehr einen Neuwagen im Austausch gegen sein Fahrzeug erhalten. (…) Das Gericht ist vor diesem Hintergrund der Ansicht, dass als Faustformel für den “internen Vergleich” in Fällen völliger Beseitigung der Sachmangel durch Nachbesserung eine Grenze von 20% anzusetzen ist.
De 20%-richtlijn garandeert enerzijds de keuzevrijheid van de koper tussen herstel en vervanging,26 maar belast de verkoper anderzijds niet onnodig met een voor hem ongunstige nakomingsvorm.27
Artikel 7:21 lid 5 noemt drie gezichtspunten ter bepaling van de redelijkheid van de gevorderde nakoming(svorm). Artikel 7:21 lid 5 luidt:
Herstel of vervanging kan bij een consumentenkoop van de verkoper niet gevergd worden indien de kosten daarvan in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht of een andere vordering die de koper toekomt, gelet op de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander recht of een andere vordering geen ernstige overlast voor de koper veroorzaakt.
De aan art. 3.3. Richtlijn consumentenkoop ontleende gezichtspunten zijn: de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het overeengekomene, en de vraag of de uitoefening van een ander recht of een andere vordering geen ernstige overlast voor de koper veroorzaakt.28 De 20%-richtlijn vervangt de eerste twee gezichtspunten van art. 7:21 lid
5.29 Op grond van de 20%-richtlijn is de bepaling van de redelijkheid van de gevorderde nakomingsvorm geen normatieve aangelegenheid meer, maar wordt de redelijkheid van de gevorderde nakomingsvorm door een kostenvergelijking bepaald. Het laatste gezichtspunt van art. 7:21 lid 5 blijft echter betekenisvol als uitzondering op de 20%-richtlijn. De verkoper dient de gevorderde nakomingsvorm ook uit te voeren, indien de alternatieve nakomingsvorm de koper zal storen in zijn bezigheden, zijn bezittingen vies zal maken, aanmerkelijk meer tijd zal kosten dan de gevorderde nakomingsvorm,30 of het gebrek niet volledig zal verhelpen.31 Ook als de kosten van vervanging meer dan 20% hoger zijn dan de herstelkosten kan de koper bijvoorbeeld zijn recht op vervanging geldend maken als bijvoorbeeld reparatie sporen zal achterlaten.32
De in art. 7:21 lid 5 opgenomen drie gezichtspunten gelden overigens alleen voor de consumentenkoop, niet voor de niet-consumentenkoop. Voor de niet-consumentenkoop bevatten art. 7:21 lid 1 onder b en c grenzen van het recht op herstel en vervanging.
Thans bestaan er dus twee regimes ter clausulering van het recht op nakoming. De wetgever heeft opgemerkt dat de beperking die de richtlijn op de vorderingen tot herstel en vervanging van de consumentkoper aanbrengt (art. 7:21 lid 4 en 5), kan verschillen met die van art. 7:21 lid 1,33 maar geeft hiervan geen voorbeelden. Verschillende Nederlandse auteurs hebben de vraag opgeworpen of de maatstaven van lid 1 voor de niet-consumentkoper en de leden 4 en 5 voor de consumentkoper inhoudelijk wel verschillen.34 Vaststaat in ieder geval dat zowel de criteria van art. 7:21 lid 1 als lid 4 en 5 zijn terug te voeren op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit 35 Of de criteria van art. 7:21 lid 1 daadwerkelijk strenger zijn dan van art. 7:21 lid 4 en lid 5,36 kan worden betwijfeld.37 De Nederlandse wetgever had, net als de Duitse wetgever; mijns inziens beter kunnen volstaan met één maatstaf ter beperking van het recht op nakoming voor het gehele kooprecht, namelijk die van art. 7:21 lid 4 en 5.38 De 20%-richtlijn zou ik in ieder geval willen voorstellen als een verweermiddel dat een verkoper kan inroepen tegen een vordering tot nakoming van zowel een consumentkoper als van een niet-consumentkoper.39