Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.7:7.7 Conclusie
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.7
7.7 Conclusie
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393761:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk zijn veelvoorkomende bedreigingen voor het eigendomsvoorbehoud van de verkoper gedurende de periode van onzekerheid onderzocht. Het gaat daarbij met name om bedreigingen als gevolg waarvan het eigendomsrecht van de verkoper tenietgaat. Een uitzondering daarop vormt de oneigenlijke vermenging, die slechts tot gevolg heeft dat verkoper niet meer kan bewijzen of zijn eigendomsrecht nog bestaat dan wel op welk voorwerp zijn eigendomsrecht betrekking heeft. Met betrekking tot de oneigenlijke vermenging is echter geconcludeerd dat het bewijsrecht voldoende flexibel is om in het gros der gevallen tot een oplossing te komen. Slechts in uitzonderingssituaties zullen bewijsproblemen dan nog in de weg staan aan uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, terwijl er goede gronden zijn om ook dan genoegen te nemen met een wat minder strikte invulling van het individualiseringsvereiste.
Voor de situaties waarin het eigendomsrecht van de verkoper tenietgaat door zaaksvorming, doorverkoop, bestanddeelvorming is de terugkerende conclusie dat het eigendomsverlies van de verkoper gerechtvaardigd wordt door bepaalde omstandigheden, maar dat voor de daarmee gepaard gaande waardeverschuiving geen rechtvaardiging bestaat. Dat geldt in het bijzonder tegen de achtergrond van de in hoofdstuk 3 onderzochte rechtvaardiging van het eigendomsvoorbehoud, die immers gelegen is in de neutraliteit van het beding ten opzichte van de overige schuldeisers. Daardoor heeft het bedingen van een eigendomsvoorbehoud geen gevolgen voor de positie van de overige schuldeisers van de koper, terwijl het bovendien niet goed zou zijn te rechtvaardigen dat de overige schuldeisers zich ten koste van de verkoper op de zaak zouden kunnen verhalen.
Bij zaaksvorming is de rechtvaardiging voor het eigendomsverlies gelegen in de vormende arbeid van de koper, terwijl de toekenning van de eigendom aan de verkoper in strijd zou komen met de functie van het eigendomsvoorbehoud. Het eigendomsverlies bij doorverkoop is een gevolg van het feit dat de verkoper aan de koper de bevoegdheid heeft verleend om de zaak te vervreemden. Bij bestanddeelvorming berust het eigendomsverlies op de gedachte dat het behoud van eigendomsrechten ten aanzien van zaaksdelen zou leiden tot complexiteit aan rechtsmacht over een zaak, waardoor de verhandelbaarheid in het gedrang zou kunnen komen. Uitsluitend in het geval van natrekking bestaat geen overtuigende rechtvaardiging voor het eigendomsverlies, hetgeen niet verwondert omdat dit eigendomsverlies vooral een gevolg is van een te ruime uitleg van artikel 5:20 lid 1 BW in de rechtspraak. Bij handhaving van deze rechtspraak zou remediëring kunnen plaatsvinden door het mogelijk te maken dat de verkoper de natrekking gedurende een zekere tijd voorkomen kan door inschrijving in de openbare registers.
Voor de andere gevallen moet de oplossing voor het tenietgaan van het eigendomsrecht, gelet op de rechtvaardiging voor dat rechtsverlies, niet worden gezocht in het voorkomen van het eigendomsverlies, maar veeleer in het op andere wijze compenseren van de verkoper. Gelet op de rechtvaardiging van het eigendomsvoorbehoud bestaan daarvoor goede gronden. Zolang de vervangende aanspraak van de verkoper beperkt blijft tot de door hem daadwerkelijk bijgedragen waarde, zijn de koper en diens overige schuldeisers niet slechter af. Er is dan ook voorgesteld de verkoper te compenseren bij zaaksvorming, doorverkoop en bestanddeelvorming door hem een pandrecht toe te kennen op respectievelijk de nieuw gevormde zaak, de doorverkoopvordering en de eenheidszaak, waarmee zijn rechtsverlies op andere wijze wordt gecompenseerd.