Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.4
7.4 Oneigenlijke vermenging
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS392805:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Oven 1934, p. 726, Houwing 1952, p. 172-174, Van der Grinten op p. 146-147 van zijn noot onder HR 12 januari 1968, AA 1968, p. 144 e.v., N.v.W., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 108, Fesevur 2001, p. 505-506, Snijders 2001, p. 10, Smelt 2003, p. 349-351 en Spath 2010, p. 346-347.
Suijling 1940, p. 244, Vriesendorp 1999, p. 3-12, Wichers 2002, p. 150-152, Fesevur 2005, p. 62, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 287, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 516, Reehuis 2013, nr. 49, Tweehuysen 2016, p. 231 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 72,. Enigszins hybride: Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 561 alwaar te lezen valt dat oneigenlijke vermenging ‘niets anders dan een bewijsprobleem’ is, maar het eigendomsvoorbehoud wel doet tenietgaan, waarmee echter vooral bedoeld lijkt te zijn dat het eigendomsvoorbehoud niet kan worden uitgeoefend.
Smelt 2003, p. 352-353, Steneker 2012, nr. 32, (voorzichtig) Del Corral & Geurts 2014, p. 260 en E. Koops, ‘Vermenging is een vat vol tegenstrijdigheden’, AA 2015, p. 964.
Een geheel andere kwestie die het eigendomsvoorbehoud in de praktijk krachteloos kan maken, is de oneigenlijke vermenging. Indien het eigendomsvoorbehoud wordt bedongen ten aanzien van zaken die geen unieke kenmerken hebben, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld aan wie de desbetreffende zaken toebehoren, bestaat het risico dat de verkoper niet meer kan aantonen van welke zaken hij eigenaar is. Daardoor is hij niet in staat zijn eigendomsvoorbehoud uit te oefenen. Als slechts één verkoper soortgelijke zaken levert, biedt artikel 3:92 lid 2 BW een oplossing om deze identificatieproblemen te voorkomen door het eigendomsvoorbehoud te verbreden tot de vordering ter zake van de tegenprestatie van alle geleverde zaken. Zoals in hoofdstuk 3 aan de orde is gekomen, was dit ook de reden voor de wetgever om de verbreding van het eigendomsvoorbehoud toe te staan. Als gevolg van de verbreding blijft de verkoper eigenaar van alle soortgelijke zaken totdat de tegenprestatie ter zake van al die zaken is voldaan, zodat geen moeilijkheden ontstaan bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.
Ingewikkelder wordt de situatie wanneer de koper ook soortgelijke zaken onder eigendomsvoorbehoud heeft betrokken bij een andere verkoper of zelf ook (al dan niet onbezwaard) eigenaar is van zaken die zich niet onderscheiden van de door de verkoper onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaken. Volgens de heersende leer staat deze oneigenlijke vermenging aan uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in de weg. Een aantal auteurs – en ook de wetgever – baseert dat op de omstandigheid dat de oneigenlijke vermenging leidt tot eigendomsverkrijging van degene in wiens handen de oneigenlijke vermenging optreedt, omdat het eigendomsrecht tenietgaat vanwege het ontbreken van bijzondere kenmerken aan de hand waarvan individualisering zou kunnen geschieden.1 Een ander deel van de literatuur neemt daarentegen aan dat de eigenaar zijn eigendomsrecht weliswaar heeft behouden, maar dat de onmogelijkheid van individualisatie aan uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in de weg staat.2 Tot slot wordt door sommigen verdedigd dat oneigenlijke vermenging leidt tot mede-eigendom.3
7.4.1 De betrokken goederenrechtelijke beginselen7.4.2 De twee dimensies van oneigenlijke vermenging