De concern(genoten)enquête
Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.1.3.1:7.1.3.1 Landis
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.1.3.1
7.1.3.1 Landis
1
Documentgegevens:
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85900:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis); HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Landis).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
VEB c.s. verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Landis Group N.V. (hierna: Landis) en haar 100%-dochtermaatschappijen Landis Group B.V. (hierna: Landis Group), Landis Group International B.V. (hierna: Landis International) en Detron Group B.V. (hierna: Detron). Landis’ groepsstructuur zag er als volgt uit:
In hun verweer wezen de belanghebbenden erop dat VEB c.s. geen aandeelhouder van de laatstgenoemde vennootschappen was en dat niet was aangegeven waarom van vereenzelviging van de vorenbedoelde dochtermaatschappijen met Landis kon worden gesproken. Ter terechtzitting motiveerde de VEB c.s. uitvoerig waarom haar enquêteverzoek voor inwilliging in aanmerking kwam. Daartoe voerde zij onder andere aan dat Landis, Landis Group, Landis International en Dertron tezamen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden en dat er, wat de samenstelling van hun respectieve besturen betrof, sprake was van een vrijwel volledige personele unie. De belanghebbenden hadden dit geheel onbesproken gelaten. Tegen deze achtergrond, alsmede in het licht hiervan dat hetgeen de VEB c.s. had aangevoerd, het verzoek voldoende schraagde, bepaalde de Ondernemingskamer dat het onderzoek mede betrekking had op de eerdergenoemde dochtermaatschappijen. Hierover werd in cassatie geklaagd.