Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.5.3
6.8.5.3 Uitwerking van rechtstreeks toepasselijke Europese administratieve maatregelen en sancties in nationale beleidsregels
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400788:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 42.4.7 en 42.4.8.
In de programmaperiode 2000-2006 bestonden de Beleidsregels verlagen subsidie Plattelandsontwikkelingsprogramma, Stcrt. 2002, 15. Zie over deze beleidsregels bijvoorbeeld Rb Amsterdam 21 juni 2007, LJN B130139.
Dit is inmiddels ook door het CBb bevestigd ten aanzien van de Commissieverordening nr. 796/2004. Zie CBb 25 mei 2011, LJN BQ6436, CBb 21 september 2011, LJN BT6180, r.o. 2.6.1.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.4.6.
Zie omtrent de verduidelijking van Europese verordeningen in nationale beleidsregels ook de noot van N. Verheij bij ABRvS 5 december 1996, AB 1998, 17.
Deze beleidsregels zijn de opvolger van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB.
Zie bijvoorbeeld CBb 22 februari 2012, LJN BV8353; CBb 16 december 2011, LJN BV1035; CBb 14 oktober 2011, LJN BU4529; CBb 22 juni 2011, LJN BQ9739; CBb 1 juni 2011, LJN BQ7285; CBb 5 september 2007, LJN B133575. Zie ook CBb 2 februari 2009, LJN BH3311, waarin het gaat om het begrip 'emstige nalatigheid'. In sommige gevallen valt te billijken dat geen prejudiciële vragen worden gesteld. Zie bijvoorbeeld CBb 14 juli 2011, LJN BT8943; CBb 14 oktober 2011, LJN BU4531 en CBb 16 december 2011, LJN BV1042, waarin appellanten ter zitting hebben verklaard dat zij op principiële gronden en bewust hebben gekozen voor een methode van niet emissiearm uitrijden van mest, terwijl zij wisten dat deze niet in overeenstemming was met de voorgeschreven regels.
Zie CBb 9 november 2011, LJN BU4769.
ABRvS 25 juli 2012, LJN BX2594.
Sommige rechtstreeks toepasselijke bepalingen, neergelegd in Europese verordeningen die zien op de op te leggen Europese administratieve sancties en maatregelen, behelzen een discretionaire bevoegdheid dan wel beoordelingsruimte. In hoofdstuk 4 is besproken dat rechtstreeks toepasselijke bepalingen waarin een discretionaire bevoegdheid of een beoordelingsruimte is neergelegd voor het nationaal uitvoeringsorgaan in beginsel mogen worden uitgewerkt in het nationale recht.1 De beoordelingsruimte of een discretionaire bevoegdheid mag echter niet worden 'dichtgeregeld', indien uit de desbetreffende Europese subsidieverordening volgt dat een individuele beoordeling of belangenafweging moet plaatsvinden. Nederlandse voorbeelden zijn de Beleidsregels verlagen subsidie PoP2 ter invulling van de beoordelingsruimte in de Commissieverordening nr. 1975/20062 en de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB onder meer ter invulling van een aantal discretionaire bevoegdheden neergelegd in de artikelen 71 en 72 van de Commissieverordening nr. 1122/2009. In artikel 71, eerste lid, van de Verordening nr. 1122/2009 is bijvoorbeeld neergelegd dat het betaalorgaan op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit het percentage van de korting — die in de regel 3% bedraagt — kan verhogen tot 5%. In hoofdstuk 4 is besproken dat deze bepaling van een individuele beoordeling lijkt uit te gaan. In de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB is voor een aantal randvoorwaarden bepaald dat de initiële korting 5% bedraagt. Hoewel beleidsregels de mogelijkheid openen om een verlaagd kortingspercentage toe te passen, is de 5%-korting de regel. Indien dergelijke randvoorwaarden worden overtreden, vindt geen individuele afweging plaats op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit. Deze beleidsregel verdraagt zich in zoverre niet met de Verordening nr. 1122/2009.3 Inmiddels is voormelde beleidsregel vervangen door de Beleidsregel Regeling GLB-inkomenssteun 2006, waarin een dergelijke bepaling niet is terug te vinden.
In hoofdstuk 4 is ingegaan op de vraag in hoeverre het de lidstaten is toegestaan om ten aanzien van voor meerdere interpretaties vatbare begrippen neergelegd in Europese subsidieverordeningen nationale uitvoeringsmaatregelen te treffen.4 Dergelijke vage begrippen komen ook voor in bepalingen in Europese verordeningen die zien op het opleggen van administratieve sancties en maatregelen. In veel van deze bepalingen worden begrippen als 'opzet' en 'overmacht' gehanteerd. Voor zover de desbetreffende bepaling voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, moet ervan worden uitgegaan dat het begrip een Unierechtelijke inhoud heeft. Zolang het desbetreffende begrip nog niet is uitgelegd door het Hof van Justitie, mogen Nederlandse bestuursorganen bij uitleggingsmoeilijkheden uitleggingsregelingen vaststellen mits deze niet-bindend zijn. Bestuursorganen hebben immers niet de mogelijkheid om een uitleggingsvraag aan het Hof van Justitie voor te leggen. Hieruit volgt dat de uitleg van Unierechtelijke begrippen in nationale beleidsregels is toegestaan.5
Het begrip 'opzet' — dit begrip komt meerdere malen voor in onder meer de Commissieverordening nr. 1122/2009, maar ook in voorgangers van deze verordening — is bijvoorbeeld uitgewerkt in de Beleidsregels Regeling GLBinkomenssteun 2006.6 In artikel 5, eerste lid, van deze beleidsregels is een aantal criteria genoemd aan de hand waarvan de beoordeling van 'opzet' in ieder geval plaatsvindt. Omdat het bij het begrip 'opzet' om een begrip met een Unierechtelijke inhoud gaat — de bepaling verwijst immers voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten — is het de vraag of de uitleg in voormelde beleidsregels toelaatbaar is. Nederlandse bestuursrechters mogen er dan ook niet zonder meer van uit gaan dat de in een beleidsregel gegeven uitleg juist is. Het CBb heeft nog nooit vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de Europese betekenis van het begrip 'opzet’.7 Uit de interpretatie van het CBb blijkt zelfs dat het College voor een nationale uitleg van het begrip kiest, door bijvoorbeeld te bezien of sprake is van 'voorwaardelijke opzet'.8 De ABRvS heeft in een uitspraak van 25 juli 2012 aan het Hof van Justitie inmiddels wel prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van het Unierechtelijke begrip 'opzet’.9