Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.1.2
6.4.1.2 Het middelbaar beroepsonderwijs en het leerlingwezen
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949680:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1967, 386.
Artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs (Stb. 1967, 386).
Zie bijvoorbeeld het Eindexamenbesluit m.e.a.o. (Stb. 1971, 670), het Eindexamenbesluit m.m.o. (Stb. 1973, 38), het Eindexamenbesluit m.h.n.o. (Stb. 1973, 39), het Eindexamenbesluit l.b.o. (Stb. 1976, 31) en het Eindexamenbesluit Middelbaar landbouwonderwijs (Stb. 1987, 483).
Artikel 2 van het Eindexamenbesluit m.e.a.o. (Stb. 1971, 670).
Artikel 4 en 5 van het Eindexamenbesluit m.e.a.o. (Stb. 1971, 670).
Artikel 16 van het Eindexamenbesluit m.e.a.o. (Stb. 1971, 670).
Zie het Eindexamenbesluit m.m.o. (Stb. 1973, 38).
Zie Eindexamenbesluit m.h.n.o. (Stb. 1973, 39) en het Eindexamenbesluit Middelbaar landbouwonderwijs (Stb. 1987, 483).
Zie het Koninklijk Besluit van 16 juli 1970 (Stb. 1970, 360), houdende regeling van de eindexamens aan bepaalde scholen, genoemd in het Koninklijk Besluit van 13 december 1967 (Stb. 1967, 667).
Zie nota van toelichting, p. 16 van het Examenbesluit m.b.o. (Stb. 1992, 362).
Artikel 7, eerste lid, van het Examenbesluit m.b.o. (Stb. 1992, 362).
Artikel 17 van het Examenbesluit m.b.o. (Stb. 1992, 362).
Kamerstukken II 1964/65, nr. 5, p. 1-2.
Stb. 1966, 215.
Artikel 19, tweede lid, van de Wet op het leerlingwezen (Stb. 1966, 215).
Artikel 4, tweede lid, van de Wet op het leerlingwezen (Stb. 1966, 215).
Stb. 1992, 337.
Artikel 2.22 Wet op het cursorisch onderwijs (Stb. 1992, 337).
Artikel 2.19 Wet op het cursorisch onderwijs (Stb. 1992, 337).
Kamerstukken II 1988/89, 21 122, nr. 3, p. 84. en artikel C.4 van het Uitvoeringsbesluit W.C.B.O. (Stb. 1993, 382)
Het voortgezet onderwijs
In 1968 trad de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) in werking.1 Met deze wet ging het schoolonderwijs uit de Wet op het nijverheidsonderwijs onderdeel uitmaken van het voortgezet onderwijs. De Wvo kende drie typen beroepsonderwijs: lager, middelbaar en hoger beroepsonderwijs. In de Wvo werd het stellen van regels over de eindexamens voor het beroepsonderwijs gedelegeerd naar een algemene maatregel van bestuur.2 Voor verschillende schooltypen werden naargelang het schooltype verschillende regelingen getroffen voor de eindexamens.3
Voor bijvoorbeeld de dagscholen voor middelbaar economisch en administratief onderwijs stelde de minister het eindexamenprogramma vast.4 Het examen bestond uit een mondeling, schriftelijk en praktisch deel. De opgaven van het schriftelijk en praktisch examen werden door de minister vastgesteld en beoordeeld door gecommitteerden die door de minister werden aangesteld.5 Het mondeling examen werd daarentegen vormgegeven en beoordeeld door de leraar van het betreffende vak.6 Het eindexamen voor middelbaar middenstandsonderwijs was op een soortgelijke wijze vormgegeven, behalve dat dit eindexamen niet bestond uit een praktisch deel.7 Voor de eindexamens van het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs en het middelbaar landbouwonderwijs gold dat het eindexamen voor alle vakken bestond uit een schoolonderzoek en daarnaast voor bepaalde vakken bestond uit een centraal examen.8 Voor andere scholen gold dat het onderwijs nog zo sterk in ontwikkeling was dat het eindexamen aan de scholen werd overgelaten, onder toezicht van door de minister aangestelde gecommitteerden.9
In 1992 werden de verschillende examenbesluiten die betrekking hadden op dagscholen voor middelbaar beroepsonderwijs samengevoegd in het Examenbesluit m.b.o. Met dit examenbesluit werd beoogd de autonomie van de instellingen te vergroten.10 Daarnaast waren volgens de wetgever de verschillende oude examenregelingen in de loop der tijd te gedetailleerd geworden. Het examen zoals geregeld in het Examenbesluit m.b.o. bestond uit verschillende examenonderdelen. In beginsel bestonden de examenonderdelen uit schoolexamens, tenzij bij ministeriële regeling was bepaald dat het betreffende examenonderdeel als centraal examen werd geëxamineerd.11 Bij ministeriële regeling werd verder per opleiding onder andere bepaald welke examenonderdelen de leerling diende te behalen om in aanmerking te komen voor een diploma.12 De examenstof voor het schoolexamen werd beschreven in het examenprogramma dat werd opgesteld door het bevoegd gezag. Voor het centraal examen werd het examenprogramma bij ministeriële regeling vastgesteld.13 Zowel het school- als het centraal examen werd afgenomen door de centrale directie en de examinatoren, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Door de minister aangestelde gecommitteerden hielden hier toezicht op.14 Het examen werd in beginsel beoordeeld door de examinator. Bij de centrale examenonderdelen werden hierbij de door de landelijke examencommissie opgestelde beoordelingsnormen in acht genomen.15
Het leerlingwezen
Het leerlingwezen zoals geregeld in de Wet op het nijverheidsonderwijs werd niet opgenomen in de Wvo. Volgens de wetgever week het leerlingwezen organisatorisch en onderwijskundig te sterk af van het schoolonderwijs zoals geregeld in de Wvo.16 Het leerlingwezen werd daarom geregeld in de Wet op het leerlingwezen.17 Net als onder de Nijverheidsonderwijswet diende de leerling onder de Wet op het leerlingenwezen een leerovereenkomst te sluiten met een patroon. Naast het praktijkonderwijs diende de leerling algemeen en op het beroepsgericht onderwijs te volgen, omdat het onderwijs niet langer enkel was gericht op de beroepspraktijk. Indien de leerling het onderwijs niet volgde kon hij niet deelnemen aan het examen.18
In het leerlingenwezen speelden landelijke organen die de verschillende beroepscategorieën vertegenwoordigden een belangrijke rol.19 Deze rol was ook zichtbaar in het kader van de examens. Het desbetreffende landelijke orgaan gaf leerlingen aan het eind van hun opleiding de gelegenheid om een examen af te leggen.20 Het examenprogramma met daarin de eisen voor het examen werd door de minister vastgesteld op voorstel van dit orgaan.21 De minister stelde een (centrale) examencommissie in die de examens opstelde, afnam, beoordeelde en ten slotte de diploma’s uitreikte.22 Deze commissie bestond uit leden van het bedrijfsleven en de scholen. Het examen werd gevormd door een praktijk- en een theoriegedeelte. Het examen kon in de vorm van tentamens afgenomen worden.
In 1992 is het leerlingwezen opgegaan in de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs (Wcbo).23 Onder de Wcbo bleef de leerovereenkomst tussen de leerling en de patroon centraal staan, de leerovereenkomst werd medeondertekend door de school en het betreffende landelijke orgaan.24 In de Wcbo was bepaald dat de minister voor elke opleiding in het leerlingwezen de eindtermen vaststelde en dat de landelijke organen het examenprogramma vaststelde. Deze examensystematiek week af van de overige onderwijssectoren.25 De examens werden georganiseerd door het betreffende landelijke orgaan en afgenomen door een examencommissie die werd ingesteld door dit landelijke orgaan.26 De wetgever beoogde hiermee de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de examinering verder te waarborgen.27