Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.2:6.2 Verwijtbare werkloosheid: a-grond en b-grond
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.2
6.2 Verwijtbare werkloosheid: a-grond en b-grond
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258887:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 14 augustus 1990, RSV 1990/356; zie Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 150-151.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In artikel 24 WW is de verplichting om te voorkomen dat de werknemer verwijtbaar werkloos wordt opgenomen. Artikel 24 lid 1 bepaalt:
“1 De werknemer voorkomt dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
4°. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.”
De verplichtingen omtrent passende arbeid zoals omschreven in sub b komen in hoofdstuk 7 aan bod.
Het tweede lid van artikel 24 vult het criterium in het eerste lid sub a in en bepaalt dat de werknemer moet voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Het tweede lid wordt ook wel onderscheiden in een a-grond en een b-grond.
De a-grond ziet op de situatie dat de werknemer ontslag krijgt.
“2 De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;”
De b-grond ziet op de situatie dat de werknemer ontslag neemt.
“2 De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.”
Bij beide gronden is het UWV in beginsel verplicht om over te gaan tot het geheel weigeren van de uitkering, maar hierbij moet goed onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat de werknemer werkloos wordt of werkloos is of blijft. Als bij de motivering van de maatregel het verkeerde artikellid wordt toegepast door het UWV dan bestaat er geen bevoegdheid een sanctie op te leggen.1 In de volgende paragrafen zal ik nader ingaan op de wijzigingen in de formuleringen van de a-grond en de b-grond sinds de invoering van de WW in 1987.