Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/9.3
9.3 Bewijsmiddelen en bewijslastverdeling in het bestuursrecht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hartmann, Bewijs in het bestuursstrafrecht (1998), 179-180.
Illustratief in dit verband is dat procedurele voorschriften, zoals de hoorplicht, in de bezwaarprocedure niet als van openbare orde worden beschouwd, maar het al dan niet nakomen van dergelijke voorschriften in beroep door de rechtbank wel. Vergelijk CRvB 7 februari 2001, AB 2001/178 en 2 november 2004, LTN AR5148.
Hartmann, Bewijs in het bestuursstrafrecht (1998), 143.
CBb 13 maart 2007, AB 2007/322 en 9 september 2008, LJNBG1609. Indien een dergelijk ambtsedig proces-verbaal ontbreekt kunnen mutatierapporten soelaas bieden. De bewijskracht van het stuk is dan wel (iets) beperkter. Zie Rb Rotterdam 26 maart 2010, IJNBL9764. Indien in het proces-verbaal is volstaan met een zogenoemd BOA-nummer dan is nog geen sprake van een verklaring van een anonieme getuige. In Rb Rotterdam 26 maart 2010, LJN BL9871 kwalificeerde de rechtbank Rotterdam onder verwijzing naar HR 29 april 1997, NJ 1997/666 een proces-verbaal dat wel herleidbaar was tot de bijzonder opsporingsambtenaar van de VWA als een stuk als bedoeld in art. 344 lid 2 Sv.
Zie ABRvS 5 december 2007, Gst. 2008/11 (Dirck BI); 12 december 2007, LJNBB9939 en 17 juni 2009, LJN BI8480.
ABRvS 16 januari 2007, AB 2007/68 en 24 december 2008, AB 2009/117. In de eerstgenoemde zaak deed het feit dat de rechtbank ter zitting had geconstateerd dat de vreemdeling de Nederlandse taal niet goed beheerste niet af aan de processen-verbaal van twee politieambtenaren waarin door hen en de vreemdeling zelf werd verklaard dat de vreemdeling de Nederlandse taal machtig was. In de laatstgenoemde zaak had de rechtbank een descente gehouden in een restaurant, teneinde vast te stellen dat de inspecteur van de arbeidsinspectie nooit van buiten door een kier van een met een dievenketting openstaande buitendeur de vreemdeling in het magazijn in een wok had kunnen zien roeren, hetgeen wel in het boeterapport door hem was verklaard. Hier volgde de Afdeling wel de rechtbank.
Zie nogmaals CBb 13 maart 2007, AB 2007/322 en 9 september 2008, LJN BG1609.
ABRvS 5 december 2007, Gst. 2008/11 (Dirck BI) en 12 december 2007, LJN BB9939. Ook kan worden gewezen op (de conclusie van de A-G bij) HR 6 februari 2007, NJ 2007/110 (Postmixen).
Zie Koopman, 'Bewijslast en bewijsmiddelen in duale geschillen', in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (2009), p. 209-210.
Zie ook CBb 13 maart 2007, AB 2007/322, par. 5.5; Rb Rotterdam 3 juli 2008, LJNBD9146 (waarin werd geoordeeld dat de waarnemingen van de controleambtenaren in wezen niet waren weersproken) en Koopman, 'Bewijslast en bewijsmiddelen in duale geschillen', in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (2009), p. 210.
HR 10 maart 1999, NJB 1999, p. 697, nr. 30; ABRvS 11 juni 1998, AB 1998/297; 28 januari 2009, LJN BI-11144; CRvB 14 oktober 1999, JB 1999/303 en 5 april 2002, JB 2002/173. Dit geldt ook omgekeerd: de strafrechter is niet gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter omtrent het bewijsmateriaal (HR 4 september 2007, NJ 2008/170 en 15 maart 2011, NJB 2011/751).
In CRvB 13 maart 2007, JB 2007/108 overwoog de Centrale Raad ondermeer: 'Artikel 161(188 oud) Rv bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Artikel 151 (178 oud) Rv bepaalt dat dwingend bewijs inhoudt, dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt. Het gaat hier om bepalingen van bewijsrecht die zich slechts richten tot de rechter in een burgerrechtelijk geding en welke overigens de mogelijkheid van (aanvaarding van) tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, openlaten ten aanzien van vonnissen als bedoeld in artikel 161 Rv (zie HR 12 december 2003, ZIN AK8281 en CRvB 14 februari 2006, ZIN AV1956).' Opmerkelijk is het oordeel van het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat geen sprake was van (handel met) voorwetenschap, terwijl de rechtbank Amsterdam en het Hof Amsterdam wel tot een veroordeling kwamen. Zie CBb 12 september 2006, JOR 2007/14 (VPV), Rb Amsterdam 11 februari 2005, JOR 2005/74 (VPV) en Hof Amsterdam 13 juni 2008, RF 2008/84 (VPV).
ABRvS 10 augustus 2005, ZIN AU0743; 29 oktober 2008, LJN BG1869; 11 februari 2009, LJN BH2556; CRvB 29 oktober 1999, Rawb 2000/72; 1 mei 2007, JWWB 2007/204; 21 oktober 2008, JB 2009/20 en 19 mei 2009, RSV 2009/199. Een uitzondering vormt CRvB 30 maart 2004, AB 2004/307. Hier achtte de Centrale Raad de betwisting van het rapport van de sociaal-rechercheur direct na inzage niet ongeloofwaardig.
Een uitzondering vormt CRvB 22 april 2003, RSV 2003/166. In deze casus had de betrokkene, die in een bedrijfspand werd aangetroffen, verklaard al tien jaar zwart te werken. Aan de hand van zijn eigen gedetailleerde verklaringen werd de arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht herzien. Dat er geen bijkomend bewijs was, behoudens dan het enkele feit dat de betrokkene in het bedrijfspand was aangetroffen, vormde hier geen bezwaar.
CRvB 2008, RSV 2008/278.
CRvB 29 november 1990, TAR 1991/19.
Zie de in hoofdstuk 2 besproken jurisprudentie inzake bewijs, in het bijzonder EHRM 20 november 1989, 50 jaar EVRM, NJCM-Bulletin 2000/1, p. 118-121 (Kostovski).
Zie stelling 3 van Koopman, 'Bewijslast en bewijsmiddelen in duale geschillen', in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (VAR-reeks 142, 2009), p. 230.
ABRvS 29 maart 2006, LJN AV7546.
In ABRvS 4 mei 2010, AB 2010/161, een zaak die zag op een bestuurlijke boete voor het tewerkstellen van vreemdelingen zonder vergunning, maakte de Afdeling er veel werk van om tot het oordeel te komen dat de getuigenverklaringen niet, althans niet uitsluitend, verklaringen van horen zeggen betroffen.
Schlo5ssels, 'Een vrije en kenbare bewijsleer?', in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (VAR-reeks 142, 2009), p. 18-19. Zie ook over het niet altijd samengaan van stelplicht en bewijslast de paragraaf inzake de omvang van het geding bij bestraffende sancties in hoofdstuk 5.
Zie Schuurmans, Bewijslastverdeling in het bestuursrecht. Zorgvuldigheid en bewijsvoering bij beschikkingen (2005), hoofdstuk 4.
ABRvS 5 maart 2003, AB 2003/167 en 21 januari 2004, AB 2004/137.
CRvB 20 april 2010, AB 2010/230 en Stijnen, Actuele jurisprudentie inzake blokkering, opschorting, herziening en terugvordering van bijstand', Gst. 2008/ 83, p. 401-411. Met erratum in Gst. 2008, 7301, p. 472.
HR 14 maart 2003, BNB 2003/198 en 27 februari 2004, BNB 2004/225.
CRvB 28 januari 2003, JABW 2003/92.
CRvB 20 juni 2000, JABW 2000/129.
ABRvS 15 juli 1996, AB 1996/414 en 18 juli 2007, AB 2008/296.
CBb 12 november 1996, Rawb 1997/50 en 16 april 1998, AB 1998/265.
Zie ABRvS 13 november 2002, AB 2003/203. Hier waren door de werknemers op verschillende data afwijkende verklaringen over de toedracht (een arbeidsongeval) afgelegd.
CBb 29 april 2004, AB 2004/290. In een andere zaak, CBb 29 april 2004, AB 2004/317 (Finresult), was sprake van een ondertekend waardecertificaat, zodat in die zaak wel vast was komen te staan wie de uitgevende instelling was.
Zie Schuurmans, Bewijslastverdeling in het bestuursrecht. Zorgvuldigheid en bewijsvoering bij beschikkingen (2005), hoofdstukken 4 en 5.
CBb 22 december 2009, AB 2010/216. Zie voorts inzake een trustkantoorzaak Rb Rotterdam 9 maart 2010, LJN BL6974 (Van Baerle).
Hartmann, Bewijs in het bestuursstrafrecht (1998), p. 188.
HR 15 juli 1988, BNB 1988/270.
ABRvS 30 januari 2008, J73 2008/58 (Euro Aktief).
HR 9 juli 2010, AB 2010/279.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 87 en nr. 7, p. 49.
Zie met betrekking tot incomplete of zoekgeraakte bijstandsdossiers Vzr Rb Den Bosch 30 juni 1997, NA 1997/380 en Rb Maastricht 19 maart 2009, LJN BH7714.
Op het bestuursorgaan rust wel de last om aan te tonen dat er geen vergunning voorhanden is, omdat het ontbreken van een vergunning onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving. Dit zal eenvoudig zijn omdat — anders dan in een strafzaak — het bestuursorgaan zelf de vergunningverlenende instantie is. Vergelijk met BR 9 maart 2010, NJ 2010/159.
Onder de oude bank- en effectenwetgeving ging het niet om een uitzondering, maar om een bestanddeel van de delictsomschrijving: gesteld en bewezen moest worden dat buiten een besloten kring is gehandeld, zo merkt Knigge terecht op in zijn noot bij BR 17 december 1996, NJ 1998/21 (Tjoeroeg). Zie ook CBb 26 juni 2008, LJN BD5402: 'Met haar stelling dat zij binnen besloten kring handelt, stelt Cocondo in wezen dat zij het wettelijk verbod van artikel 82 Wtk 1992 niet overtreedt omdat zij niet bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft dan wel in enigerlei vorm bemiddelt ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden. Onderzocht moet dus in de eerste plaats worden of Cocondo wel of geen gelden van het publiek heeft aangetrokken of ter beschikking heeft verkregen.'
Dat op dit uitgangspunt de nodige kritiek bestaat mag duidelijk zijn. Zie bijvoorbeeld het preadvies van Schlo5ssels,'Een vrije en kenbare bewijsleer?', in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (VAR-reeks 142, 2009).
Commissie Evaluatie Awb BI, Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006 (2007), p. 28-30. Een klassiek voorbeeld vormt ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999/403 (bewaarprei).
CRvB 1 juni 2005, J73 2005/237.
Bewijs — of beter: bewijswaardering — kan niet los worden gezien van de functie die het bewijs heeft in een procedure, namelijk waarheidsvinding. Op basis van de vastgestelde 'feiten' in verbinding met de toepasselijke rechtsregels wordt immers het geschil beslecht (rechtsvinding). Anders dan in het burgerlijk recht, zijn zowel het strafrecht als het bestuursrecht niet gericht op de 'formele waarheid', maar op de 'materiële waarheid'. Het gaat in het publiekrecht namelijk niet zozeer om de feiten die de partijen voor waar houden of presenteren ter afbakening van het geding, maar om de materiële waarheidsvinding. In het strafrecht komt dit het duidelijkst tot uiting in het beslissingsmodel van de strafrechter, maar ook in het bestuursrecht komt dit uitgangspunt naar voren in art. 8:69 lid 3 Awb. Hartmann verbindt het vooropstellen van de formele waarheid ideaaltypisch aan het accusatoire model van procederen en de zoektocht naar de materiële waarheid aan het inquisitoire model.1 Het bestuursrecht kan als een mengvorm worden gezien van beiden uitersten. Waar de bestuurlijke heroverweging vooral inquisitoire kenmerken heeft, kan het beroep bij de bestuursrechter meer als accusatoir worden geschetst. Anders dan in de bestuurlijke voorfase worden partijen in de beroepsfase meer als gelijkwaardig beschouwd en wordt — nog meer dan in de voorfase — belang gehecht aan het verdedigingbeginsel.2 In navolging van Hartmann kan worden gesteld dat in het bestuursrecht de belangrijkste bewijsmid-delen bestaan uit schriftelijke bescheiden, verklaringen van procespartijen en verklaringen van getuigen en deskundigen.3 Met schriftelijke bescheiden wordt gedoeld op processen-verbaal van opsporingsambtenaren en andere schriftelijke verklaringen, akten, documenten, waardepapieren, foto's en tekeningen. Bij schriftelijke verklaringen kan onder meer worden gedacht aan deskundigenrapportages of op schrift gestelde verklaringen van getuigen of deskundigen. Dit laatste maakt het onderscheid met mondelinge verklaringen gradueel, want mondelinge verklaringen zullen op enig moment (uiterlijk in de volgende fase van de procedure) in schriftelijke vorm aan het dossier worden toegevoegd. Bij akten en documenten kan worden gedacht aan identiteitspapieren, kentekenbewijzen, bankafschriften, boekhoudingen, (huur)overeenkomsten en uittreksels van de Kamer van Koophandel.
Waar het gaat om verklaringen in een proces-verbaal dat is ondertekend door een opsporingsambtenaar, wordt door het College van Beroep voor het bedrijfsleven art. 344 lid 2 Sv analoog toegepast.4 Ook de Afdeling hanteert het uitgangspunt dat het bestuursorgaan in beginsel uit kan gaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.5 Dit geldt evenzeer voor de rechter, tenzij de wederpartij tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.6 Indien het gaat om weersproken subjectieve oordelen van de opsporingsambtenaar, is de bewijskracht van een dergelijk proces-verbaal volgens het College beperkt.7 Koopman plaatst in zijn VAR-preadvies de uitspraken van het College van 13 maart 2007 en 9 september 2008 lijnrecht tegenover de Afdelingsuitspraken van 5 december 2007 en 12 december 20078 en noemt het opmerkelijk dat twee zo nauw verwante kwesties niet bij hetzelfde appelcollege terechtkomen.9 Het bewijsprobleem dat in deze Tabakswet- respectievelijk Drank- en Horecawet-zaken speelt hangt nauw samen met de verbodsbepalingen die hier aan de orde zijn, namelijk vrij vertaald het verbod om tabak respectievelijk sterke drank aan personen te verkopen tenzij de winkelier aan de hand van een legitimatiebewijs heeft vastgesteld dat de klant de vereiste leeftijd heeft bereikt, waarbij geldt dat die legitimatie achterwege kan blijven indien de klant onmiskenbaar de leeftijd van 16 respectievelijk 18 jaar heeft bereikt.10 Men kan zich dus afvragen of het hier gaat om een zuivere bewijsvraag of toch vooral om wetsuitleg. De Afdeling achtte het in haar uitspraak van 5 december 2007 voldoende dat de controleambtenaren in hun proces-verbaal hadden vermeld dat zij zagen en hoorden dat aan een jongen en een meisje een gesloten fles sterke drank werd verstrekt zonder dat hun leeftijd werd vastgesteld en dat zij zagen dat deze jongen en meisje niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt. Zij maakten dit onder meer op uit uiterlijke kenmerken als het gedrag, de kleding, het uiterlijk en het gelaat van de jongen en het meisje. Daar kwam bij dat de jongen hen desgevraagd een legitimatiebewijs had laten zien waaruit bleek dat hij 17 jaar oud was en dat het meisje had verklaard 16 jaar oud te zijn. Het College oordeelde in zijn uitspraak van 13 maart 2007 daarentegen dat de waarneming in het procesverbaal dat de twee meisjes — die bij navraag 19 en 17 bleken te zijn — door hun uitdrukking en geringe postuur niet onmiskenbaar 16 jaar of ouder waren onvoldoende was. Ik kan bij de vergelijking van beide overwegingen niet aan de indruk ontkomen dat het feit dat in het geval van de drankverkoop achteraf inderdaad vast was komen te staan dat de vereiste leeftijd van 18 jaar niet was bereikt, terwijl in de tabakszaak juist wel de vereiste leeftijd van 16 jaar bleek te zijn bereikt, een rol heeft gespeeld in de beoordeling door de rechter van de vraag of het bestuursorgaan heeft aangetoond dat aan het criterium van onmiskenbaarheid is voldaan. Een andere mogelijke verklaring voor het verschil in benadering is dat de Afdeling wellicht meer dan het College van belang acht dat het achterwege blijven van de voorafgaande identificatieplicht een uitzondering betreft en dus het bewijsrisico inzake de vereiste onmiskenbaarheid bij de winkelier berust. Ook dan kunnen de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) en het verdedigingsbeginsel (art. 6 lid 3 EVRM) met zich brengen dat de betrokken ondernemer de kans heeft om die waarneming te betwisten en de rechter zo nodig ook zelf de kans heeft om zich een oordeel te vormen over de onmiskenbare leeftijd van de jongere.11
Hoewel de bestuursrechter een beroep van de belanghebbende op een strafrechtelijke vrijspraak pleegt te verwerpen,12 alsook het verweer van het bestuur dat de betrokkene reeds in de strafzaak schuldig is bevonden,13 onder de overwegingen dat het gaat om verschillende procedures met verschillende rechtsvragen en dat de bestuursrechter een eigen van de strafrechter te onderscheiden taak heeft, hanteert hij wel de bewijsregel dat het bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op het proces-verbaal of het rapport waarin de belanghebbende of getuige voor het eerst een belastende verklaring aflegt.14 Overigens is in die jurisprudentie vrijwel altijd sprake van bijkomend bewijs.15 Voor het nemen van een belastend besluit zal het voorts niet altijd voldoende zijn dat het bestuursorgaan aantoont dat op enig moment sprake is van een overtreding, maar zal het het ook de tij dspanne van de overtreding moeten aantonen. Zo overwoog de Centrale Raad:
`De Raad stelt voorop dat intrekking en terugvordering van bijstand voor de betrokkene belastende besluiten zijn en dat op het bestuursorgaan de last rust om te bewijzen dat en vanaf wanneer sprake is geweest van een schending van de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw dan wel artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) op een betrokkene rustende inlichtingenverplichting. Dat is niet anders indien het om een periode gaat die al verder in het verleden ligt.'16
Is het gebruik van anonieme getuigen toelaatbaar? In een al wat oudere uitspraak oordeelde de Centrale Raad dat het gebruikmaken van anoniem gemaakte verklaringen uitsluitend in combinatie met ander verifieerbaar bewijsmateriaal toelaatbaar is en dan nog alleen indien het handhaven van anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden noodzakelijk is.17 De hier aangelegde maatstaf lijkt me juist en is in lijn met de eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt.18 Koopman verdedigt in dit verband in zijn VAR-preadvies de stelling dat anonieme getuigenverklaringen in het bestuursrecht niet als bewijs behoren te worden geaccepteerd, tenzij vastgesteld kan worden dat het gaat om bedreigde getuigen in de zin van art. 226a Sv en vervolgens zo mogelijk overeenkomstig de procedure neergelegd in de art. 226c-226f Sv wordt gehandeld.19 De Afdeling lijkt, althans in gevallen waar het niet gaat om bestraffende sancties, minder moeite te hebben met geanonimiseerde getuigenverklaringen. Zo overwoog zij in haar uitspraak van 29 maart 2006 inzake de tijdelijke sluiting van een coffeeshop:
`(...) Dat de burgemeester zich mede heeft gebaseerd op geanonimiseerde getuigenverklaringen maakt dit niet anders, nu de omstandigheid dat de namen van die getuigen niet bekend zijn gemaakt, niet zonder meer afdoet aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de getuigenverklaringen in een procedure als de onderhavige.(...).'20
Afgaande op deze overwegen lijkt het de Afdeling dus vooral om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen te gaan en niet zozeer om het verdedigingsbeginsel. Wel moet worden opgemerkt dat er in die zaak bijkomend bewijs was, onder meer bestaande uit een harddrugsvangst bij een politie-inval in de desbetreffende coffeeshop. Omdat de belastende verklaringen afkomstig waren van de gebruikers kan voorts niet worden uitgesloten dat er goede redenen waren om de namen van de getuigen niet vrij te geven, maar zeker is dit allerminst. Bij bestuurlijke boetes ligt het aldus niet in de rede aan te sluiten bij de hier geciteerde overwegingen van de Afdeling.21
Inzake de bewijslastverdeling kan onderscheid worden gemaakt tussen de vraag wie (in rechte) het bewijs moet leveren van bepaalde feiten (bewijsleveringslast of bewijsvoeringslast) en de vraag wie het risico draagt als de rechter uiteindelijk tot de overtuiging komt dat ten aanzien van bepaalde feiten de bewijslevering heeft gefaald (bewijslast, tevens bewijsrisico). Hoofdregel is dat degene die de bewijslast draagt ook de bewijsleveringslast draagt, maar noodzakelijk is dit, mede gelet op art. 8:69 lid 3 Awb, niet.22 Bij ambtshalve besluiten, vooral belastende besluiten, ligt op grond van art. 3:2 Awb de bewijslast bij het bestuursorgaan.23 Dit is echter niet onverkort het geval. Binnen onder meer de subsidie-, de uitkering- en de belastingsfeer correspondeert de onderzoeksplicht van het bestuur met een inlichtingen- en medewerkingplicht van de belanghebbende. Indien de inlichtingenplicht niet (of niet tijdig) wordt nagekomen kan het bestuursorgaan dan ambtshalve één of meer belastende besluiten nemen op de grond dat de subsidievoorwaarden niet worden nagekomen24 of dat het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld,25 terwijl in het belastingrecht de omkeringsregel wordt toegepast, die er uit bestaat dat de inspecteur de hoogte van het belastbare inkomen zal schatten en de belastingplichtige de last draagt om aan te tonen dat die schatting onjuist is (art. 27e AWR).26 Uit deze inlichtingenplicht volgt niet dat de bewijslast (volledig) verschuift naar de belanghebbende. Indien de belanghebbende namelijk wel inlichtingen verstrekt, maar het bestuursorgaan stelt geen vertrouwen in de juistheid van de verstrekte informatie, dan kan het niet enkel op grond daarvan een belastend besluit nemen.27 Het zal dan zelf nader onderzoek moeten doen, zo nodig door nadere gegevens op te vragen bij de belanghebbende op wie de inlichtingenplicht rust.28 Het bestuursorgaan zal zich bij het nemen van een ambtshalve besluit moeten baseren op concrete en verifieerbare feiten.29 Indien een advies afkomstig is van een derde, zal het beslissende bestuursorgaan zich moeten vergewissen van de juistheid van de feiten die aan dat advies ten grondslag liggen (art. 3:9 Awb).30 Indien sprake is van tegenstrijdig bewijsmateriaal zal het bestuur — indien mogelijk — nader onderzoek moeten instellen naar verifieerbare feiten.31 Indien de AFM een onderzoek verricht naar de uitgifte van effecten zonder dat een prospectus beschikbaar is gesteld en diffuus is wie de uitgevende instelling is, mag zij er niet van uitgaan dat de partij die in Nederland actief in de waardepapieren heeft bemiddeld tevens de uitgevende instelling is.32
Schuurmans onderscheidt een aantal vuistregels die uit de jurisprudentie naar voren komen met betrekking tot de bewijslastverdeling bij zowel ambtshalve besluiten als besluiten op aanvraag, naast het wettelijke stelsel van art. 3:2 en 4:2 Awb. Deze bestaan er uit dat die partij de bewijslast draagt:
die het feitenonderzoek heeft bemoeilijkt, onder andere doordat zij door eigen toedoen niet meer over de gegevens beschikt;
die belang heeft bij een bepaald feit;
in wiens bewijsdomein het feit ligt;
die zich op een uitzondering of een verandering beroept;
die het vermoeden heeft gewekt dat een feit zich heeft voorgedaan, voor het tegendeel daarvan.33
Met name bij ambtshalve besluiten kunnen deze vuistregels verklaren waarom de bewijslast in bepaalde gevallen ten dele naar de burger verschuift. Waar op het bestuursorgaan ter zake van het nemen van een ambtshalve besluit de last rust aan te tonen dat in beginsel is voldaan aan de voorwaarden voor het nemen van dat besluit, zal op belanghebbende de last rusten om aannemelijk te maken dat zijn situatie noopt tot het maken van een uitzondering op de algemene regel. Voor ogen moet hier worden gehouden dat in algemene zin steeds de bewijslast bij het bestuur rust. Het bestuur is hier — behoudens een wettelijke inlichtingenplicht — telkens als eerste aan zet om bewijs te leveren dat voldaan is aan de algemene voorwaarden om in het onderhavige geval een belastend besluit te nemen. Waar via een vergunningsstelsel verantwoordingsplichten zijn neergelegd bij de vergunninghouder ligt het op zijn weg om aan te tonen dat hij daar aan heeft voldaan. Kan hij dat niet dan mag het bestuursorgaan er van uitgaan dat de verantwoordingsplicht niet is nageleefd. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelde in het kader van een overtreding van art. 14 Meststoffen-wet weliswaar voorop dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, indien hij ter zake een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden dient aan te tonen dat de betrokken ondernemingen de overtreding — het niet naleven van de verantwoordingsplicht — hebben begaan, maar dat het aan de betrokkenen is om — vóór van enige strafrechtelijke of bestuursrechtelijke handhaving sprake kan zijn, en juist ter vermijding daarvan — de afvoer van mest met de daarvoor aangewezen bewijsmiddelen (de voorgeschreven vervoersbewijzen) te verantwoorden.34
Met het oog op de bewijslastverdeling in het bestraffende bestuursrecht onderscheidt Hartmann rechtsfeiten en blote feiten. Rechtsfeiten zijn dan die feiten die het beboetbare delict construeren, terwijl blote feiten, empirische feiten zijn die niet staan vermeld in een wettelijk bepaling.35 De bewijslastverdeling is dan als volgt: het vervolgend orgaan moet de rechtsfeiten bewijzen en op de belanghebbende rust de last om blote feiten te stellen (en zo nodig aannemelijk te maken). De delictsbepaling is hier aldus uitgangspunt. Indien opzet of grove schuld daarvan deel uitmaken, rust op het bestuursorgaan de last om aan te tonen dat sprake is van opzet of grove schuld.36 Indien het een zogenoemd kleurloos delict betreft, zoals gewoonlijk het geval is in het bestuursrecht, dan zal het bestuur er in beginsel van uit kunnen gaan dat er sprake is van (enige) verwijtbaarheid.37 Het is dan aan de belanghebbende om die feiten en omstandigheden naar voren te brengen die een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS) kunnen staven.38 We zien deze gedachte ook naar voren komen in de wetsgeschiedenis van de art. 5:5 en 5:41 Awb: de overtreder zal zich moeten beroepen op een rechtvaardigingsgrond of AVAS, maar dit laat onverlet dat indien uit het dossier duidelijk naar voren komt dat zich een strafuitsluitingsgrond voordoet het bestuursorgaan daarmee rekening zal moeten houden, ook als er geen beroep op is gedaan.39 In dit verband kan ook worden gewezen op art. 150 Rv waarin is bepaald dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.
De vraag naar de bewijslastverdeling speelt ook een rol bij de verhouding tussen een algemene wettelijke ge- of verbodsnorm en de wettelijke uitzondering op die norm. Zowel het door Hartmann gemaakte onderscheid tussen rechtsfeiten en blote feiten als de door Schuurmans genoemde vuistregels bieden hier hulp. Niet altijd is op voorhand duidelijk hoe precies een algemene wettelijke ge- of verbodsnorm zich verhoudt tot een wettelijke uitzondering op die norm en welke partij welk bewijsrisico draagt. Een op het eerste gezicht eenvoudig voorbeeld vormt de sollicitatieplicht in art. 9 lid 1, onderdeel a, WWB. Een ieder die aanspraak maakt op bijstand dient aan dit gebod te voldoen, tenzij één van de uitzonderingen van toepassing is. Indien een individuele ontheffing als bedoeld in art. 9 lid 2 WWB is verleend door het college, kan het college uiteraard niet overgaan tot het opleggen van een maatregel wegens het niet nakomen van de sollicitatieplicht. Het zorgvuldigheidsvereiste brengt met zich dat het college zichzelf ervan vergewist of het een individuele ontheffing heeft afgegeven. Indien de betrokkene zich op een ontheffing beroept, maar noch hij noch het college een dergelijke beschikking kan overleggen, terwijl wel door het college een eerder toekenningsbesluit is ingebracht, die geen uitzonderingen op de algemene verplichtingen bevat, wat dan? Het bewijsrisico zal dan bij de belanghebbende liggen dat hem niettemin ontheffing is verleend. Dit kan weer anders worden indien het college kennelijk een incompleet dossier in beroep heeft overgelegd. In dat geval kan de rechter daar gevolgen aan verbinden die hem geraden voorkomen (art. 8:31 Awb).40 Een ander voorbeeld vormt het in art. 2:55 lid 1 Wft opgenomen verbod beleggingsobjecten aan te bieden zonder vergunning van de AFM. Op dit verbod gelden diverse uitzonderingen. Zo kan bij ministeriële regeling worden voorzien in een vrijstelling (art. 2:59 lid 1 Wft). Art 2 Vrijstellingsregeling Wft stelt aanbieders van beleggingsobjecten onder meer vrij indien aan minder dan honderd consumenten een aanbieding wordt gedaan, mits de aanbieder in reclame-uitingen in zijn aanbod vermeldt dat hij niet vergunningsplichtig is ingevolge de Wft en niet onder toezicht van de AFM staat. Anders dan bij een individuele ontheffing op aanvraag als bedoeld in art. 2:55 lid 2 Wft, wordt een vrijstelling niet afgegeven bij beschikking. De aanbieder valt wel of niet onder een vrijstelling als voorzien bij art 2 Vrij stellingsregeling Wft. Als nu de AFM constateert dat een bedrijf beleggingsobjecten aanbiedt op haar website, op wie rust dan de bewijslast en het bewijsrisico ter zake van de vraag of de aanbieding valt onder de vrijstellingsvoorwaarden? Mijns inziens rust hier de bewijslast op de aanbieder. Het gaat hier om een uitzondering op een algemeen verbod om zonder vergunning een financieel product aan te bieden. Het ligt in het bewijsdomein van de AFM om aan te tonen dat sprake is van een aanbieding zonder vergunning41 en vervolgens ligt het in het bewijsdomein van de aanbieder om aan te tonen dat hij aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoet.42
In het Nederlandse bestuurprocesrecht is niet voorzien in een bewijsopdracht aan partijen, terwijl het vooronderzoek door de bestuursrechter gewoonlijk uitsluitend bestaat uit het opvragen van de stukken bij het bestuursorgaan. De belanghebbende zal in beroep zelf een inschatting moeten maken welke bewijslast hij draagt.43 Wel zal in de bestuurlijke fase in voorkomende gevallen door het bestuursorgaan de nodige voorlichting moeten worden gegeven omtrent de stel- en bewijsplicht van betrokkene.44 Met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van partijen kan worden gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin werd overwogen:
`Nog afgezien van de omstandigheid dat gelet op het beschikbare bewijsmateriaal de uitspraak van de rechtbank voor appellant niet als een verrassing kan zijn gekomen, kent het bestuursprocesrecht, in tegenstelling tot het burgerlijk procesrecht, niet de formele bewijsopdracht. In de procedure voor de bestuursrechter dienen partijen uit eigen beweging hun stellingen voldoende aannemelijk te maken en spontaan het daarvoor benodigde bewijsmateriaal aan te dragen. Vervolgens kan de bestuursrechter, indien hij daartoe aanleiding ziet, gebruik maken van de in hoofdstuk 8 van de Awb neergelegde onderzoeksbevoegdheden. Nu appellant zijn stellingen niet met enig bewijsmateriaal heeft onderbouwd, was er voor de rechter geen aanleiding om van zijn onderzoeksbevoegdheden gebruik te maken. Van schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM in de zin van het recht op een eerlijk proces is geen sprake. Deze grief slaagt derhalve niet.’45