Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.6.4:8.5.6.4 Het standaardarrest over art. 359a Sv
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.6.4
8.5.6.4 Het standaardarrest over art. 359a Sv
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614280:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma.
Vgl. Buruma 2008, p. 87-104, i.h.b. p. 103.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het standaardarrest over art. 359a Sv uit 20041 heeft de Hoge Raad uiteengezet dat art. 359a Sv alleen ziet op onherstelbare vormverzuimen en is de toepasselijkheid van het Schutznormvereiste, de salami-regel en de rechtspraak over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen herhaald. Bij het bepalen van het in reactie op een vormverzuim in aanmerking komende rechtsgevolg, kan volgens de Hoge Raad naast de in het tweede lid genoemde factoren ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Benadrukt is dat art. 359a Sv de rechter een bevoegdheid geeft en hem niet een plicht oplegt rechtsgevolgen te verbinden aan een vormverzuim. Daarbij is nog eens gewezen op het non-profit karakter en – in het verlengde daarvan – op de mogelijkheid te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.
Voordat toepassing van art. 359a Sv überhaupt aan de orde kan komen, moet dus aan nogal wat eisen zijn vold,aan waarop in hoofdstuk 7 en in paragraaf 8.1 is ingegaan. Is dat echter het geval en oordeelt de rechter dat niet kan worden volstaan met constatering van het verzuim, maar dat daaraan een van de in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, dan komt strafvermindering – het verlagen van de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim – slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Indien de rechter tot strafvermindering besluit, moet hij in zijn beslissing niet alleen aangeven dat en waarom hij dit rechtsgevolg aan het verzuim verbindt, maar ook in hoeverre hij de straf in verband met het begane vormverzuim vermindert.
Voor een belangrijk deel bevat het standaardarrest een herhaling en bundeling van eerdere verspreid liggende rechtspraak, maar door opbouw en toonzetting is het geheel meer dan de som der delen. Het arrest bevat naar mijn idee als belangrijkste boodschap dat de strafrechter zowel bij het al dan niet onderzoeken van vormverzuimen, als bij het al of niet verbinden van rechtsgevolgen aan geconstateerde vormverzuimen, zijn aandacht moet concentreren op de belangen van de individuele verdachte. Het recht van de verdachte op een eerlijk proces in enge zin staat daarbij centraal.2 In dat kader is het waarborgen van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal uiteraard van cruciaal belang, net als het respecteren van het beginsel van hoor en wederhoor. Ook andere individuele rechten van de verdachte kunnen een rol spelen bij het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen. Gedacht kan worden aan het huisrecht of aan het recht op respect voor de lichamelijke integriteit. Tekenend voor de concentratie op de belangen van de verdachte is de geboden mogelijkheid een onderzoek naar de juistheid van de feitelijke grondslag van een verweer achterwege te laten, wanneer de constatering van een vormverzuim de maximale uitkomst kan zijn. Daar schiet de verdachte te weinig mee op om onderzoeksinspanningen van de rechter te rechtvaardigen. Wat betreft de mogelijkheid van strafvermindering maakt de Hoge Raad, door te herhalen dat art. 359a Sv niet ertoe strekt dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte (rov. 3.6.1), het daarbij wijzen op de mogelijkheid te volstaan met de constatering van een vormverzuim (rov. 3.6.2) en door zijn oordeel dat strafvermindering ‘slechts in aanmerking’ (rov. 3.6.3) komt indien aannemelijk is dat aan de hiervoor onder a tot en met d opgesomde voorwaarden is voldaan, glashelder geen ruime ‘stoplapachtige’ toepassing voor te staan.