Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.3.1
9.3.1 Inleiding
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370156:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes, WPNR 2002, p56. 1.k.
Asser/Hartkamp nr. 664.
Brunner, Themis 2001, p. 248, r.k.
Dit wordt overigens nogal eens miskend. Zie nader § 21.1. Een uitzondering kan zich voordoen als de relatieve termijn zou gaan lopen, korter dan vijf jaar voordat de lange termijn afloopt; in dat uitzonderlijke geval verjaart de vordering wél krachtens de absolute termijn, terwijl de benadeelde in staat was zijn vordering geldend te maken. Die uitzondering doet er niet aan af dat op conceptueel niveau de relatieve termijn vorderingen die de crediteur wél geldend kon maken voor de voeten van de absolute termijn wegmaait.
Art. 3:310 lid 5; van kracht sinds 1 februari 2004; zie nader § 21.3.2.
HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 m.nt. ARB.
Spiro (1975), p. 27.
Spier (1990), p. 4.
Von Savigny (1841), p. 267.
Maar nu: van de crediteur kon niet verwacht worden dat hij zijn vordering instelde. Toch doet de verjaring hem zijn vordering door louter tijdsverloop verliezen. Is dat nog te rechtvaardigen? Dat iemand zijn recht verliest zonder het ooit geldend te hebben kunnen maken is een resultaat dat zo op het eerste gezicht weerstand wekt. Er valt gevoelsmatig veel voor te zeggen als regel te aanvaarden dat de benadeelde de gelegenheid moet hebben gehad zijn recht uit te oefenen alvorens het door louter tijdsverloop waardeloos kan raken.
Die opvatting lijkt ook in de doctrine de overhand te hebben. Tjittes schrijft dat het tegengestelde resultaat "in Nederland vanuit billijkheidsoogpunt algemeen onverteerbaar" wordt geacht."1 Inderdaad lijkt het Hartkamp "in strijd met het wezen van een subjectief recht (...) dat men het (de iure of de facto) zou kunnen verliezen zonder in de gelegenheid te zijn geweest het uit te oefenen of maatregelen ter bescherming ervan te nemen"2 en raadt Brunner de wetgever aan te "volstaan (...) met verjaringstermijnen die eerst lopen vanaf het moment dat het recht daadwerkelijk kon worden geldend gemaakt."3
De wetgever leek een ander oordeel te zijn toegedaan. De huidige absolute verjaringstermijnen doen namelijk per definitie een vordering verjaren die de crediteur nog niet had kunnen instellen.4 Maar voor een belangrijke categorie zaken lijkt de wetgever die implicatie nu toch ook onaanvaardbaar te vinden: de vordering tot vergoeding van personenschade heeft hij aan de werking van de absolute termijn onttrokken door toevoeging van een vijfde lid aan art. 3:310 BW.5
De Hoge Raad was de wetgever in die afbreuk aan de absolute termijn in zekere zin al voorgegaan, door in Van Hese/De Schelde6 — waar de benadeelde inderdaad zijn vordering niet had kunnen instellen omdat zijn ziekte zich pas na decennia openbaarde — een beroep op de absolute verjaringstermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid te oordelen. De Hoge Raad moet daar zeer sterk het gevoel hebben gehad onrecht te doen door anders te beslissen, gegeven het feit dat zijn oordeel bijna, volgens sommigen zelfs helemaal, contra legem was: de tekst van de wet zegt, en de parlementaire geschiedenis leert dat die bewoordingen welbewust zijn gekozen, dat de vordering in ieder geval verjaart, dertig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Ook de Hoge Raad kon het dus niet over zijn hart verkrijgen een vordering verjaard te oordelen die de benadeelde niet had kunnen instellen.
Hoe lastig verjaring "buiten schuld" te rechtvaardigen is, blijkt ook bij Spiro, die na zijn uitgebreide beschouwingen over gevallen waarin de crediteur zijn vordering wél had kunnen instellen, over de tegengestelde situatie niet meer zegt dan:
"Nichts steht aber entgegen, dass der Gesetzgeber darüber hinaus [naast de gevallen waarin de crediteur zijn vordering had kunnen instellen — JLS] in einzelnen fällen die Rücksicht auf einen durch die Anerkennung seines Anspruchs bereits begdnstigten Gläubiger einem besonderen Schützbedürfnis des schuldners, etwa wegen besondere Erschwerung der Abklärung durch den zeitablauf, aufopfert, nichts auch, dass solche Bestimmungen allmählich ein gemeinsames Prinzip erkennen lassen, das die Anwendung auf weitere Fälle gestattet. Als Allgemeine, keiner besonderen Statuierung mehr beddrftige Rechtfertigung von Rechtsnachteilen dürfte allerdings bis heute für den Rechtsverlust wie für die Haftung nur das Rechtsgeschäft und das fehlerhafte Verhalten erkennbar sein."7
Met andere woorden, ook als de crediteur zijn vordering niet had kunnen instellen, zijn er gevallen te bedenken waarin verjaring toch gerechtvaardigd is. Maar het is kennelijk wel even zoeken: Spiro noemt het, tamelijk buitenissige, geval waarin het belang van de door het enkel toekennen van zijn vorderingsrecht toch al bevoordeelde crediteur kan worden opgeofferd aan een beschermwaardig belang van de debiteur dat is ontstaan door tijdsverloop (zoals zijn onvermogen het verleden te reconstrueren). Ook sluit Spiro niet uit dat zich in dit soort overwegingen geleidelijk een "gemeinsames Prinzip" laat herkennen dat zich ook op andere gevallen laat toepassen. Maar wat dat "gemeinsames Prinzip" dan zou kunnen zijn vermeldt Spiro niet, en op zijn suggestie dat dit toch wel zou kunnen bestaan laat hij direct volgen dat "bis heute" de rechtshandeling en de fout de enige twee geen nadere toelichting behoevende gronden voor verlies van recht zijn.
Nu is die nuancerende tijdsaanduiding "bis heute" nogal treffend gekozen door Spiro. Toen hij zijn boek schreef (1975) was de vraag naar verjaring in het geval de crediteur zijn vordering niet had kunnen instellen weinig voorkomend wegens, om het zo maar te zeggen, de stand van de wetenschap. Het kwam eigenlijk niet voor dat iemand pas na, zeg twintig jaar, in staat raakte zijn vordering in te stellen. Spier schreef in 1990:
"Ik gaf al aan dat dit probleem tot op heden weinig of geen aandacht heeft gekregen. (...) Dat behoeft enige toelichting. De techniek schrijdt voort en in hoog tempo — nog zo onwaarschijnlijk een of enkele decennia geleden — ontstaan (nieuwe) inzichten over zaken waaromtrent tot voor kort niets bekend was. (...) Het spreekt voor zich dat, zolang 'men' zich niet bewust is van problemen (de schadelijke gevolgen van verontreiniging van bodem c.a. en de inwerking op de gezondheid van bepaalde stoffen of dampen) geen juridische vragen rijzen. Doch het tij keert. Thans kunnen we onze ogen daarvoor niet langer sluiten."8
En inderdaad: waar Spiro zich in 1975 nog op de vlakte kon houden, behoeft inmiddels de vraag naar de rechtvaardiging van verjaring in het geval de crediteur zijn vordering niet geldend heeft kunnen maken, wel degelijk beantwoording. Is het inderdaad waar, zoals de overheersende stem in de Nederlandse doctrine lijkt te zijn, dat verjaring in dat geval niet te rechtvaardigen is?
De gedachtevorming hierover moet beginnen door tegenover de op het eerste gezicht vrij aannemelijke stelling dat iemand zijn recht niet moet kunnen verliezen alvorens hij het geldend kon maken, het evenzeer aannemelijke uitgangspunt te plaatsen dat toch op enig moment partijen hun verhouding als definitief afgesloten moeten kunnen beschouwen. Reeds Savigny schreef in die zin: "die an sich ungewissen, des Streitens und Zweifels empfänglichen, verhälnissen des Rechts und des Vermögens dadurch festzulstellen, daβ die ungewiβheit in bestimte Zeitgränzen eingeschlossen wird".9
Ooit moet aan de onzekerheid een einde komen. Die klassieke notie doet denken dat na zekere tijd het zwaard onherroepelijk moet vallen, of de benadeelde zijn vordering nu heeft kunnen instellen of niet.
Maar onverkorte handhaving van beide regels is uitgesloten. Het is van tweeën een: gelding van de regel dat de benadeelde zijn recht niet kan verliezen alvorens de mogelijkheid te hebben gehad het uit te oefenen impliceert dat de onzekerheid ongelimiteerd kan voortduren; andersom is het zo dat gelding van een blinde termijn impliceert dat de benadeelde zijn recht kan verliezen voordat hij in staat was het geldend te maken.
Welke regel moet winnen, wordt niet duidelijk door ons ongepreciseerd af te vragen wat nu belangrijker is: dat de benadeelde de gelegenheid heeft gehad zijn vordering in te stellen of dat aan de onzekerheid ooit een eind komt. Noodzakelijk is die intuïties nader te concretiseren en te rationaliseren. Pas als we meer duidelijkheid hebben over hun praktische betekenis kunnen zij vruchtbaar tegen elkaar worden afgewogen.