Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.1.3.2
7.1.3.2 TESN
1
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85867:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman (TESN); HR 8 april 2011, NJ 2011/338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/178, m.nt. A. Doorman, JIN 2011/489, m.nt. P. Haas (TESN).
Volledigheidshalve vermeld ik hier dat Mark zich ook nog – vruchteloos – beriep op de ‘economische werkelijkheid’; Vide r.o. 3.10.
Hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.9 (TESN).
In hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.4, i.f. (TESN) lezen wij dat Mark ook had aangevoerd dat hij ‘bij wege van concernenquête een enquêteverzoek met betrekking tot TESN kan indienen’. Vide ook HR 8 april 2011, NJ 2011/338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/178, m.nt. A. Doorman, JIN 2011/489, m.nt. P. Haas, r.o. 3.4.4 (TESN). Dit lees ik dan ook aldus dat Mark een beroep deed op de Landis-leer. Een andere lezing ligt niet voor de hand.
In geval van de Landis-zaak betrof het ook slechts een deel van het Landisconcern. Er werd immers verzocht om een onderzoek bij Landis en haar drie dochtermaatschappijen, terwijl Landis aan het hoofd stond van een concern van veertig vennootschappen in tien Europese landen; Vide hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens, r.o. 1.1 en 2.2 (Landis). Zo was er ook bij Landis ICT Group B.V. geen enquête uitgelokt.
Ik maak bewust het onderscheid tussen de facto en de iure, omdat de huidige enquêteregeling gericht is op de enkelvoudige vennootschap en er dan ook, juridisch gezien, niet kan worden verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een concern als zodanig. Stel dat drie (Nederlandse) vennootschappen tezamen een concern vormen, dan moet er worden verzocht om een onderzoek bij elk van hen. Feitelijk zal, als de Ondernemingskamer dit verzoek toewijst, het onderzoek evenwel neerkomen op een concernonderzoek.
Vide hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens, r.o. 1.1 en 2.2 (Landis). In r.o. 2.1 sprak de Ondernemingskamer van ‘Landis N.V.’, dat zij afkortte tot ‘Landis’, in plaats van ‘Landis Group N.V.’. Mede gelet op de kop van de beschikking, houd ik het erop dat zulks een kennelijke verschrijving is.
Vide hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.9 (TESN), waarin de Ondernemingskamer overwoog dat een verzoek tot het houden van een concern(genoten)enquête onder omstandigheden kan worden toegewezen ‘in samenhang met de toewijzing van een op een enquête in de moeder gericht verzoek’.
Cf. Bartmans noot, onder 11, bij hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas (Chinese Workers).
Cf. Geerts 2004, op. cit., para 5.2.1, i.h.b. p. 247, alwaar hierover werd gesproken dat het verzoek om onmiddellijke voorzieningen gekoppeld is aan het verzoek om een enquête.
Vide hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.9 (TESN).
Vide HR 8 april 2011, NJ 2011/338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/178, m.nt. A. Doorman, JIN 2011/489, m.nt. P. Haas, r.o. 3.4.4 (TESN).
Vide ook Bartmans noot, onder 11, bij hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas (Chinese Workers): ‘Met andere woorden, een concernenquête bij de dochter is een afgeleide van een enquête bij de moeder. Zonder enquêtebevoegdheid ten aanzien van de moeder komt men aan een (concern)enquête bij de dochter niet toe.’ Dat laatste zonder meer, maar de vraag is of het indienen van een enquêteverzoek bij de moedermaatschappij ook nodig is. Dat lees ik niet (met zoveel woorden) in ’s Hogen Raads beschikking. Wellicht dat Bartman van mening is dat zulks erin besloten ligt.
Vide hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.9 (TESN).
Vide HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.4 (Landis).
Vide HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.3 en 3.3.5 (Landis).
Vide HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.5 (Landis), waarin de Hoge Raad overwoog dat de Ondernemingskamer met juistheid had overwogen dat de verzoekers als aandeelhouders van Landis ‘mede’ bevoegd waren tot het indienen van een enquêteverzoek ter zake van haar dochtermaatschappijen.
Vide HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.4 (Landis).
Met het woord ‘bevoegdheidsmuur’ breng ik tot uitdrukking dat degene die louter (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van een moedermaatschappij houdt, als gevolg van het niet houden van aandelen in een of meer van haar dochtermaatschappijen tegen een muur gaat aanlopen in die zin dat tot zover zijn bevoegdheid reikt en niet verder. Hij is ter zake van laatstgenoemden in beginsel niet enquêtegerechtigd.
Vide HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.2 (Landis).
Het zou ook kunnen dat degene die verzoekt om een concerngenotenenquête, geen juridisch houder van (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van de moedermaatschappij is, maar economisch houder daarvan. Als zijn eigen, en volledig, economisch belang bij procentueel of nominaal voldoende (certificaten van) aandelen ligt, dan kan hij worden gelijkgesteld aan een aandeel- of certificaathouder als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW, ten gevolge waarvan hij bevoegd zou zijn tot het uitlokken van een enquête bij de moedermaatschappij. Als ook aan het raken-vereiste wordt voldaan, dan kan hij vervolgens opnieuw gelijk worden gesteld aan een aandeel- of certificaathouder als evenbedoeld, ditmaal in verband met de (mede) te enquêteren dochtermaatschappij. Een gelijkstelling op twee niveaus, dus. In een geval als hier behandeld wordt de Landis-leer gecombineerd met de leer van de economische gerechtigdheid. Dit moet op zich ook geen verbazing wekken, aangezien een certificaathouder – die, onder omstandigheden, bevoegdelijk kan verzoeken om een concerngenotenenquête – niets anders is dan een drager van een eigen economisch belang, dat belichaamd wordt in de door hem gehouden certificaten (van aandelen). Het gaat om het hebben van zulk een belang; waarin dat wordt belichaamd, is mijns inziens niet relevant. Naar de geest van art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW is degene die daarover beschikt, enquêtegerechtigd, mits het gaat om het volledige economisch belang bij procentueel of nominaal voldoende (certificaten van) aandelen. Men denke in dit verband aan een certifcaathouder die zijn economisch belang heeft weggecontracteerd (Vide bijvoorbeeld HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart, r.o. 3.5.2-3.5.3 (Scheipar)) of aan een aandeelhouder die zijn eigen economisch belang bij de door hem gehouden aandelen uit de juridische gerechtigdheid daartoe heeft afgesplitst en ‘over heeft gedragen’ aan een derde anders dan door middel van uitgifte van certifcaten. Ook zij zijn, mits aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan, bevoegd tot het verzoeken van een concerngenotenenquête ten aanzien van de moeder- en haar dochtermaatschappij. Men houde hierbij scherp voor ogen dat in de leer van de economische gerechtigdheid de verzoeker een eigen, en volledig, economisch belang bij de waarde van de aandelen in het geplaaatste kapitaal van de te enquêteren vennootschap heeft terwijl in de Landis-leer de verzoeker in de te enquêteren dochtervennootschap geen, althans onvoldoende, (certificaten van) aandelen houdt, noch (in beginsel) een (voldoende groot) eigen economisch belang daarbij heeft.
Evenals het moeten voldoen aan de voorwaarden als neergelegd in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW, is het raken-vereiste nodig. Zou die laatste voorwaarde niet (mede) gelden, dan zou een enquêtegerechtigde aandeel- of certificaathouder van de moedermaatschappij, en tevens indirect aandeelhouder van deze haar (mede) te enquêteren dochtermaatschappij, immers zonder meer voor gelijkstelling aan een houder van (certificaten van) aandelen als bedoeld in het zo-even genoemde artikel in aanmerking komen, hetgeen in strijd zou zijn met de bedoeling van de wetgever, die bovengenoemd artikel beperkt heeft tot directe houders van (certificaten van) aandelen. Er dienen dan ook bijzondere omstandigheden ter rechtvaardiging van de enquêtebevoegdheid van een middellijk aandeelhouder, in de regel zal daarvan sprake zijn in stede van een middellijk certificaathouder, aanwezig te zijn, waarvan sprake is indien het raken-vereiste is vervuld.
Ook gebruikt door Bartman in zijn noot, onder 11, bij hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas (Chinese Workers).
Transmission and Engineering Services Netherlands B.V. (hierna: TESN) was een houdstermaatschappij, bij wie geen werknemers in dienst waren. Global Engineering Services N.V. (hierna: Global), een naar het recht van de toenmalige Nederlandse Antillen opgerichte en te Curaçao gevestigde vennootschap, en Castor N.V. (hierna: Castor), een eveneens naar het recht van de toenmalige Nederlandse Antillen opgerichte en te Curaçao gevestigde vennootschap, hielden 75% respectievelijk 25% van de aandelen in haar geplaatste kapitaal.
Alle door Joseph Cyril Bamford (hierna: Joseph) in – naar ik begrijp – die twee vennootschappen gehouden aandelen (dus 2 keer een 100%-belang) waren ondergebracht in een viertal door hem ingestelde trusts, namelijk AB Bermuda Trust 1, AB Bermuda Trust 2, MB Bermuda Trust 1 en MB Bermuda Trust 2. De aandelen (lees: de legal title / de juridisch eigendom) daartoe had hij in trust overgedragen aan Bermuda Trust Company Limited (hierna: BTCL), de trustee van elk van de voormelde trusts. Mark Bamford (hierna: Mark) en Anthony Bamford waren door Joseph aangewezen als primary beneficiary van MB Bermuda Trust 1 en van MB Bermuda Trust 2 (tezamen aangeduid als de MB Trusts) respectievelijk AB Bermuda
Trust 1 en van AB Bermuda Trust 2 (tezamen aangeduid als de AB Trusts). Deze structuur kan aldus worden weergegeven:
Mark had de Ondernemingskamer onder andere verzocht een of meer personen te benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van TESN. Met betrekking tot het verzoek inzake het gelasten van een concern(genoten)enquête, i.e. het, aldus de Ondernemingskamer, (mede) instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een of meer tot een concern behorende dochtermaatschappijen, overwoog zij (Vide r.o. 3.9) dat zulk een verzoek onder omstandigheden, indien aan de daaraan te stellen eisen is voldaan, kan worden toegewezen in samenhang met de toewijzing van een op het instellen van een enquête bij de moedermaatschappij gericht verzoek. Het enquȇteverzoek ten aanzien van een dochtermaatschappij moet daarom – ook indien er bij de moedermaatschappij weinig te onderzoeken valt en het zwaartepunt van het onderzoek bij de dochtermaatschappij ligt – worden beschouwd als een afgeleide van het enquȇteverzoek ten aanzien van de moedermaatschappij. Omdat de moedermaatschappijen van TESN, Global en Castor, op Curaçao waren gevestigd, kon een enquêteverzoek te hunnen aanzien – dat níét was gedaan – hier niet aan de orde komen, hetwelk, gezien het voorgaande, tevens betekende dat (ook) het enquêteverzoek ten aanzien van hun dochtermaatschappij, TESN, als concern(genoten)enquête niet-ontvankelijk was. Ook hiertoe geldt dat op het bovenbedoelde uitgangspunt – naar ik begrijp: de ‘afgeleideleer’ – wellicht uitzonderingen denkbaar zijn, maar daaromtrent was ook ten dezen onvoldoende gesteld en ook overigens niet gebleken. Dat TESN, en Global en Castor organisatorisch en economisch nauw met elkaar verweven waren en dat er tussen de besturen van deze vennootschappen sprake was van een personele unie, was, aldus, nog steeds, de Ondernemingskamer, onvoldoende om zulk een uitzondering aan te nemen.2
Tegen (mede) deze niet-ontvankelijkheidsverklaring had Mark beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad stelde voorop dat naar de letter van art. 2:346, aanhef en onderdeel b, (oud) BW (thans: art. 2:346, eerste lid, onderdeel b en c, BW) alleen Global en Castor bevoegd waren tot het verzoeken om een onderzoek bij TESN, nu zij degenen waren die de aandelen in het geplaatste kapitaal van laatstgenoemde hielden (Vide r.o. 3.4.1). Wat betreft het onderdeel dat zag op de stelling dat, kort gezegd, Mark de bevoegdheid toekwam een concern(genoten)enquête te verzoeken, oordeelde de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer met juistheid had overwogen dat een enquȇteverzoek ten aanzien van Global en Castor zou afstuiten op niet-ontvankelijkheid en dat zulks impliceerde dat Mark (ook) niet in zijn verzoek kon worden ontvangen voor zover het gericht was op het bij wege van concern(genoten)enquête doen plaatsvinden van een onderzoek bij TESN, zodat ook deze stelling faalde (Vide r.o. 3.4.4). Over mogelijke uitzonderingen liet hij zich niet uit.
Hierover het volgende, te beginnen met het oordeel van de Ondernemingskamer dat een concern(genoten)enquête onder omstandigheden, ‘indien aan de daaraan te stellen eisen is voldaan’, kan worden ‘toegewezen’.3 Kennelijk bedoelt de Ondernemingskamer daarmee dat een daartoe strekkend verzoek slechts kan worden toegewezen indien met betrekking tot de (mede) te enquêteren dochtermaatschappij(en) aan de formeel(enquête)rechtelijke eisen, zoals de kenbaarmaking van bezwaren en het raken-vereiste, zowel als aan de materieel(enquête)rechtelijke eisen, men denke aan de gegronde redenen, is voldaan. Zulks geldt immers ook voor een op een enkelvoudige vennootschap gericht enquêteverzoek.
Wanneer er wordt verzocht om een ‘concernenquête’ (men leze ‘concerngenotenenquête’), dan wordt daarmee kennelijk bedoeld (i) een verzoeker die een beroep doet op de uitspraak van de Hoge Raad inzake Landis, de ‘Landis-leer’,4 nu hij in de (mede) te enquêteren vennootschap(pen) geen, althans onvoldoende, (certificaten van) aandelen houdt noch een (voldoende groot) eigen economisch belang bij de waarde van (voldoende) aandelen in het geplaatste kapitaal daarvan heeft maar wel, naar hij (gemotiveerd) stelt, voldaan is aan het raken-vereiste en (ii) een verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de facto (een deel van)5 een concern en de iure twee of meer groepsmaatschappijen.6 Het woord ‘concern(genoten)enquête’ heeft dus een dubbele betekenis.
Anders dan de Landis-zaak,7 werd er in de TESN-zaak niet mede verzocht om een onderzoek bij de moedermaatschappij(en); er werd louter verzocht om een onderzoek bij de dochtermaatschappij, TESN. Het daartoe strekkende oordeel van de Ondernemingskamer leert echter dat voor de toewijzing van een, in het kader van een concern(genoten)enquête, op een dochtermaatschappij gericht enquêteverzoek de verzoeker ten minste mede bij haar moedermaatschappij – zowel formeel- als materieelrechtelijk: met succes (Vide infra) – een enquête zal moeten uitlokken.8 Dit betekent dat als (a) hij ten aanzien van de moedermaatschappij niet heeft verzocht om het instellen van een onderzoek naar haar beleid en gang van zaken, (b) hij in zijn enquêteverzoek voor zover dat gericht is op het beleid en de gang van zaken van de moedermaatschappij, niet-ontvankelijk wordt verklaard of (c) zijn op de moedermaatschappij gericht enquêteverzoek wordt afgewezen, het verzoek om een onderzoek bij een of meer dochtermaatschappijen (ook) niet voor toewijzing vatbaar is. Het enquêteverzoek ten aanzien van een dochtermaatschappij is dus een afgeleide (lees: afhankelijk) van het enquêteverzoek ten aanzien van haar moedermaatschappij,9 het eerste is, anders gezegd, gekoppeld aan dat laatste.10
Tegen de achtergrond van ’s Ondernemingskamers oordeel dat in het kader van een concern(genoten)enquête de verzoeker mede een – voor toewijzing vatbaar – enquêteverzoek ten aanzien van de moedermaatschappij moet hebben gedaan, zie ik het volgende stappenplan voor mij. Stap 1. De verzoeker moet (eveneens) een op de moedermaatschappij gericht enquêteverzoek te haren griffie indienen. Stap 2. De verzoeker moet in dat verzoek kunnen worden ontvangen (formeelrechtelijke beoordeling). Stap 3. Er dienen gegronde redenen te zijn om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van de moedermaatschappij te twijfelen én de door de Ondernemingskamer te maken belangenafweging valt in het voordeel van de verzoeker uit (materieelrechtelijke beoordeling). Zijn álle stappen met vrucht doorlopen, dan is zijn verzoek om een onderzoek bij de moedermaatschappij voor toewijzing vatbaar, waardoor de verzoeker in zoverre – ook aan het raken-vereiste moet immers worden voldaan – bevoegdelijk kan verzoeken om (mede) een onderzoek bij haar dochtermaatschappij, waarna de Ondernemingskamer over kan gaan tot de (formele en materiële) beoordeling van het enquêteverzoek ter zake van haar mede te enquêteren dochtermaatschappij(en), om vervolgens, bij het welslagen daarvan, het verzoek om een concern(genoten)enquête toe te wijzen. Indien echter aan een van de bovenbedoelde stappen níét wordt voldaan, dan dient de verzoeker in zijn op de dochtermaatschappij gericht enquêteverzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Welnu, de Ondernemingskamer overwoog dat het verzoek tot het bij wege van concern(genoten)enquête instellen van een onderzoek bij TESN niet-ontvankelijk was. Hierbij nam zij (kennelijk) in aanmerking (Vide de woorden ‘[g]elet op het voorgaande’)11 dat (1) er geen enquêteverzoek ten aanzien van de moedermaatschappijen, Global en Castor, was gedaan en, zo dat wel was gedaan, (2) Global en Castor buitenlandse vennootschappen waren waardoor een daarop gericht enquêteverzoek hier niet aan de orde kon komen (lees: zou afstuiten op niet-ontvankelijkheid). Ter schraging van haar niet-ontvankelijkheidsoordeel gebruikte de Ondernemingskamer dus zowel stap 1 als stap 2. Naar mijn opvatting had de Ondernemingskamer echter met de eerstbedoelde stap kunnen volstaan en dienovereenkomstig aldus kunnen redeneren dat een op de moedermaatschappijen gericht enquêteverzoek niet was gedaan en mitsdien niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het bij wege van concern(genoten)enquête uitlokken van een onderzoek bij TESN moest volgen.
De Hoge Raad lijkt zijn oordeel daarentegen toe te hebben gespitst op stap 2 (Vide onder (2) supra) door te volstaan met de overweging dat de Ondernemingskamer met juistheid had overwogen dat een uit hoofde van art. 2:345 BW gedaan verzoek ten aanzien van Global en Castor ‘zou’ afstuiten op niet-ontvankelijkheid en dat zulks betekende dat Bamford (lees: Mark) eveneens niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor zover zijn verzoek was gericht op het bij wijze van concern(genoten)enquête instellen van een onderzoek bij TESN.12 Hiermee lijkt hij in het midden te hebben gelaten, wellicht om reden dat de Ondernemingskamer haar oordeel mede op stap 2 deed steunen en een op Global en Castor gericht enquêteverzoek, ook al zou dat gedaan zijn, op die stap stuk zou lopen, of Mark dat eerstbedoelde verzoek ook daadwerkelijk had móéten doen.13 Hoe dit ook zij,’s Ondernemingskamers oordeel dat, kort gezegd, in het kader van een concern(genoten)enquête het verzoek om een onderzoek bij de dochtermaatschappij gekoppeld is aan dat bij haar moedermaatschappij, en de verzoeker bijgevolg verplicht is tot het – met succes – doorlopen van stap 1 tot en met stap 3, is overeind gebleven.
Mede in het licht hiervan dat de Ondernemingskamer sprak van uitzonderingen daarop die ‘wellicht’ denkbaar zijn,14 vraag ik mij af of ten aanzien van de concern(genoten)enquête ook een andere benadering had kunnen – en kan – worden verdedigd. In een vraag gegoten: moet voor het bevoegdelijk bij wege van concern(genoten)enquête kunnen verzoeken om een onderzoek bij een dochtermaatschappij de verzoeker tevens een enquêteverzoek ter zake van haar moedermaatschappij waarvan hij certificaat- of aandeelhouder is, indienen of is het voldoende dat hij over de bevoegdheid beschikt om dat te kênnen doen? Dat laatste zou neerkomen op het ontkoppelen van de vorenbedoelde verzoeken. Is zulks verdedigbaar en, zo ja, uit hoofde waarvan? En hoe zou dan het verzoek om een concern(genoten)enquête moeten worden behandeld? Op dit een en ander zal ik thans ingaan.
Saillant is dat bij de bespreking van het verzoek om een concern(genoten)enquête in de voorliggende zaak de Ondernemingskamer noch de Hoge Raad naar de eerdergenoemde Landis-beschikking verwees. Dwingt die beschikking ertoe dat de verzoeker ook een – voor toewijzing vatbaar – enquêteverzoek ten aanzien van de moedermaatschappij moet hebben gedaan? Ik lees dat niet in de vraag waarvoor de Hoge Raad zich in die beschikking gesteld zag, namelijk of en, zo ja, onder welke voorwaarden houders van (certificaten van) aandelen van de moedermaatschappij bevoegd zijn een enquêteverzoek ten aanzien van een (volle) dochtermaatschappij – kennelijk: van die moedermaatschappij – in te dienen.15 Evenmin lees ik dat in zijn beantwoording van die vraag of in de door hem aangehaalde opvattingen aangaande de enquêtebevoegdheid van de vereniging van werknemers in concernverband.16 Ditn zou hiermee verband kunnen houden dat de verzoekers in dezen mede een enquêteverzoek ten aanzien van de moedermaatschappij hadden ingediend en daartoe ook bevoegd waren.17
Indien ik uitga van de juiste lezing van ’s Hogen Raads Landis-beschikking en deze uitspraak er bijgevolg niet toe dwingt dat het enquêteverzoek ten aanzien van een dochtermaatschappij gekoppeld is aan dat ten aanzien van haar moedermaatschappij, dan zou ik dat met instemming begroeten; ofschoon ik het, gezien de aan het concernverband inherente verstrengeling tussen moeder- en dochtermaatschappij, verkieslijk acht dat de verzoeker eveneens een op de moedermaatschappij gericht enquêteverzoek indient, zou ik die keuze namelijk aan hemzelf willen overlaten, nu er voor hem redengevende omstandigheden kunnen zijn waarin hij zijn pijlen enkel op haar dochtermaatschappij(en) richt, zoals de omstandigheid dat (i) er bij de moedermaatschappij weinig of niets (meer) van toegevoegde waarde voor hem te onderzoeken valt, (ii) de moedermaatschappij de kosten van een enquête bij haarzelf niet of nauwelijks kan dragen en de verzoeker zelf niet genegen is ze voor zijn rekening te nemen, (iii) het bij de moedermaatschappij bij wijze van onmiddellijke voorzieningen ingrijpen niet nodig is, (iv) hij te kampen heeft met tijdgebrek om (ook) ten aanzien van het beleid en de gang van zaken van de moedermaatschappij een (gedegen) verzoekschrift op te stellen of (v) er (mogelijkerwijs) geen gegronde redenen op het niveau van de moedermaatschappij zijn.
Nu zou men mij kunnen tegenwerpen dat in de evengenoemde beschikking werd gesproken van een ‘bevoegdheidsdoorbraak’. Daarover merk ik het volgende op. Volgens de Hoge Raad bestond er geen grond om bij de beantwoording van de vraag waarvoor hij zich in zijn Landis-beschikking gesteld zag (Vide supra), de uit de door hem aangehaald blijkende opvattingen van de regering – die ‘erop neerkomen dat de wet ruimte biedt voor wat in de literatuur wel wordt aangeduid als “een bevoegdheidsdoorbraak”’ – niet ook tot uitgangspunt te nemen.18 In het woord ‘bevoegdheidsdoorbaak’ ligt mijns inziens in dit verband besloten dat de verzoekers bevoegdheidsruimte wordt uitgebreid in dier voege dat de verzoeker die louter enquêtebevoegd is ten aanzien van vennootschap A, in een bepaald geval door de tussen deze vennootschap en vennootschap B staande bevoegdheidsmuur19 heen mag breken en dientengevolge (eveneens) ten aanzien van laatstgenoemde bevoegd wordt, dat hij, anders gezegd, over de band van vennootschap A (mede) een enquête bij vennootschap B mag uitlokken. Een bevoegdheidsdoorbraak geschiedt aldus beschouwd vanuit een bevoegdelijke positie van de enquêteverzoeker met betrekking tot vennootschap A; deze vormt de noodzakelijke brug tussen de verzoeker en de (mede) te enquêteren vennootschap B. Met andere woorden: als de verzoeker te dien aanzien niet enquêtegerechtigd is, faalt een doorbraak als evenbedoeld; de ophaalbrug naar vennootschap B wordt alsdan niet voor hem neergelaten. Dat de verzoeker de bevoegdheid moet hebben tot het doen van een enquêteverzoek ten aanzien van ‘zijn’ moedermaatschappij, betekent evenwel nog niet dat hij daarvan ook gebruik moet maken.
Het door de verzoeker níét behoeven te doen van een op de moedermaatschappij gericht enquêteverzoek maar wél de bevoegdheid daartoe moeten hebben, kan langs de volgende lijn worden uitgewerkt. De Hoge Raad beantwoordde in zijn Landis- beschikking – in essentie – dus (Vide supra) de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden een bevoegdheidsdoorbraak in geval van houders van (certificaten van) aandelen geïndiceerd is, aldus dat zulks mogelijk is indien, kort gezegd, aan het raken-vereiste wordt voldaan. Dit moet evenwel in samenhang worden gelezen met hetgeen hij eerder overwoog, namelijk dat of het onderdeel terecht was voorgesteld, afhing van het antwoord op de vraag of zich in het in de Landis-zaak voordoende geval van 100%-dochtermaatschappijen onder houders van (certificaten van) aandelen als bedoeld in art. 2:346 BW mede te begrijpen zijn aandeel- of certificaathouders van de moedermaatschappij, een en ander hiermee verband houdende dat hij in zijn De Vries Robbé-beschikking had overwogen dat de enquêtebevoegdheid alleen toekomt aan degene aan wie haar in de wet is verleend en dat de opsomming in evengenoemd artikel – waarin, zo voeg ik toe, middellijk houders van (certificaten van) aandelen niet voorkomen – limitatief is.20 Krachtens dat artikel is de enquêteverzoeker bevoegd, indien hij (1) de hoedanigheid van een onmiddellijk aandeel- of certificaathouder van het enquêtesubject bezit, (2) over procentueel of nominaal voldoende (certificaten van) aandelen beschikt én (3) (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van een te enquêteren bv of een nv houdt. Het antwoord op de vraag of onder een houder van (certificaten van) aandelen als bedoeld in art. 2:346 BW mede een bij een dochtermaatschappij om een enquête verzoekende aandeel- of certificaathouder van de moedermaatschappij (lees: een middellijk houder van (certificaten van) aandelen) kan worden begrepen, hangt er mijns inziens dan ook van af of de verzoeker, naast het voldoen aan het raken-vereiste, op het niveau van de moedermaatschappij aan die drie (aanvullende) voorwaarden voldoet.
Immers, de zinsnede ‘onder houders van aandelen of certificaten van aandelen als bedoeld in art. 2:346 BW mede te begrijpen zijn’ komt, zoals eerder opgemerkt, neer op gelijkstellen (vereenzelvigen). Gebruikmaking van deze juridische techniek is in een geval als hier aan de orde nodig, omdat aan een indirect houder van (certificaten van) aandelen als zodanig niet de enquêtebevoegdheid toekomt; zij komt alleen toe aan een houder van (certificaten van) aandelen als bedoeld in voormeld artikel. Het gevolg daarvan is dat die bevoegdheid aan een om een enquête bij een (dochter)vennootschap verzoekende indirect houder van (certificaten van) aandelen toekomt ‘als ware’ hij een houder van (certificaten van) aandelen als daarin bedoeld. Laatstgenoemde is een (rechts)persoon die voldoet aan de hierboven onder (1)-(3) genoemde voorwaarden. Als eerstgenoemde aan diegene gelijk wil worden gesteld, dat er, voor de toepassing van het enquêterecht, wordt gedaan alsof hij een houder als hier bedoeld is, dan dient hij dan ook evenzeer daaraan te voldoen. Omdat de hier bedoelde verzoeker echter geen aandeel- of certificaathouder van de te enquêteren dochtermaatschappij is, en de evenbedoelde voorwaarden derhalve niet op dat niveau getoetst kunnen worden, maar wel van deze haar moedermaatschappij, ligt het voor de hand daarbij aan te knopen.
De reden om aan de hier bedoelde voorwaarden te toetsen ligt dus opgesloten in de gelijkstelling zelf. Een andere reden is dat een enquêteverzoekende indirect houder van (certificaten van) aandelen langs dezelfde art. 2:346 BW-meetlat dient te worden gelegd als een enquêteverzoekende direct houder van (certificaten van) aandelen, dit mede ter bescherming van de te enquêteren vennootschap, nu het recht van enquête een voor haar zwaar middel is. Als een direct aandeelhouder een enquête wil uitlokken bij, bijvoorbeeld, een bv met een geplaatst kapitaal van maximaal € 22,5 miljoen, dan dient hij, procentueel gezien, ten minste 10% van haar geplaatste kapitaal te vertegenwoordigen (Vide art. 2:346, eerste lid, onderdeel b, BW). Is dat een dochtermaatschappij, dan dient een indirect aandeelhouder daarvan dus eveneens 10% van het geplaatste kapitaal te vertegenwoordigen alleen dan van dat van ‘zijn’ moedermaatschappij.21 Uit dit een en ander volgt dat de ijzeren voorwaarden als genoemd in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW ook in geval van een concern(genoten-) enquêteverzoek (onverkort) toepassing vinden. Het voldoen aan het raken-vereiste maakt dat niet anders.22
Het vorenstaande voert mij tot de volgende slotsom. ’s Hogen Raads beschikking inzake Landis dwingt er, althans naar het lijkt, niet toe dat de verzoeker – op straffe van het niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn op een dochtermaatschappij gericht enquêteverzoek – de Ondernemingskamer mede verzoekt tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ‘zijn’ moedermaatschappij, en daar zijn ook (goede) gronden voor aan te voeren (Vide onder (i)-(v) supra). Om kort te gaan: het indienen van een enquêteverzoek bij de moedermaatschappij is geen condicio sine qua non23 voor het bevoegdelijk kunnen indienen van een enquêteverzoek ten aanzien van haar dochtermaatschappij(en). Wel dienen – op straffe van het vorenbedoelde – het beleid en de gang van zaken van die dochtermaatschappij zijn (economisch) belang (bij de waarde van de (onderliggende) aandelen) in (het geplaatste kapitaal van) de ‘zijn’ moedermaatschappij evenzeer en op gelijke wijze te raken als het beleid en de gang van zaken van deze vennootschap zelf, alsmede dient hij – op straffe van het vorenbedoelde – een rechtstreeks over nominaal of procentueel voldoende (certificaten van) aandelen beschikkend aandeel- of certificaathouder van een bv of nv-moedermaatschappij te zijn, een en ander als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW. Ergo: naast het voldoen aan het raken-vereiste moet de verzoeker op grond van dat artikel bevoegd zijn tot het indienen van enquêteverzoek ten aanzien van ‘zijn eigen’ moedermaatschappij. Indien daaraan is voldaan, kan de verzoeker worden gelijkgesteld aan een houder van (certificaten van) aandelen als bedoeld in evengenoemd artikel, ten gevolge waarvan hij in zoverre bevoegd is tot het bij wijze van concern(genoten) enquête louter verzoeken om een enquête bij een of meer vennootschappen in wier geplaatste kapitaal hij slechts middellijk (certificaten van) aandelen houdt.
Passen wij het bovenstaande toe op de TESN-casus, dan kom ik tot dezelfde uitkomst, en langs dezelfde lijn daarnaartoe, als de Ondernemingskamer en de Hoge Raad: het verzoek om het bij wege van concern(genoten)enquête instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van TESN stuitte af op niet- ontvankelijkheid, dit hierom dat Global en Castor, de vennootschappen die gezamenlijk alle aandelen in het geplaatste kapitaal van TESN hielden, beide naar vreemd recht waren opgericht en bij hen mitsdien niet bevoegdelijk een enquête kon worden uitgelokt, met als gevolg dat, zo voeg ik toe, de noodzakelijke gelijkstelling faalde. Het voornaamste, zo niet het enige, verschil tussen mijn benadering en die van, in ieder geval, de Ondernemingskamer, in ’s Hogen Raads overweging komt dat niet (duidelijk) naar voren, is dat mijns inziens tegen de achtergrond van de meergenoemde Landis-beschikking de verzoeker niet mede, als een condicio sine qua non voor het bevoegdelijk kunnen indienen van een enquêteverzoek ten aanzien van haar dochtermaatschappij(en), een – voor toewijzing vatbaar – enquêteverzoek ten aanzien van de moedermaatschappij behoeft in te dienen maar enkel de, wat art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW aangaat, bevoegdheid daartoe moet hebben, dit in verband met de gelijkstelling aan een in het evenbedoelde artikel genoemde.
Resumerend: stappen 1 en 3 (Vide supra) zijn mijns inziens, anders dan (in ieder geval) de Ondernemingskamer, niet van node; volstaan kan worden met (een deel van) stap 2 (Vide supra), en wel op die wijze dat de verzoeker in het kader van een concern(genoten-)enquête uit hoofde van art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW de bevoegdheid moet hebben tot het ten aanzien van ‘zijn’ moedermaatschappij kênnen indienen van een enquêteverzoek. Als dat het geval is, en eveneens aan het raken-vereiste is voldaan, dan is daarmee zijn bevoegdheid, geplaatst in de sleutel van gelijkstelling, met betrekking tot de te enquêteren dochtermaatschappij gegeven. Dit een en ander komt neer op een pleidooi voor het ontkoppelen van het verzoek om een onderzoek bij de dochtermaatschappij van dat bij haar moedermaatschappij.