De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.8:6.8 Daadstrafrechtbeginsel
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.8
6.8 Daadstrafrechtbeginsel
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392112:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De relevante vraag ten aanzien van dit beginsel is als volgt:
• Zorgt de verboden gedraging er daadwerkelijk voor dat de verwerkelijking van het strafrechtelijk relevante gevolg realistischer wordt?
Sub 1 gericht tot de handelaar vereist een wervingshandeling en een beïnvloedingsactie gericht op het strafrechtelijk relevante gevolg: de uitbuiting. Uit de gedraging moet het oogmerk van uitbuiting blijken. Bovenstaande vraag kan dan ook positief worden beantwoord. Als de gedraging het strafrechtelijke gevolg niet dichterbij zou brengen, zou het oogmerk van uitbuiting niet bewezen kunnen worden. Het enkele ‘zijn’ levert hier geen strafbaar feit op, dan wordt immers niet voldaan aan de vereisten in de delictsomschrijving. De vormgegeven bepaling gaat dan ook uit van daderschap.
Hetzelfde geldt voor de bepalingen jegens de exploitant, de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners en de kinderhandelaar en kinderuitbater. Deze bepalingen hebben inhoudelijk immers allemaal betrekking op uitbuiting. Door middel van de gedragingen in de delictsomschrijvingen brengen de daders de uitbuiting, het strafrechtelijk relevante gevolg, dichterbij. Aldus wordt uitgegaan van een daadstrafrecht. Indien zou worden uitgegaan van de tekstuele bepaling van sub 4, zouden wel problemen rijzen. Sub 4 vereist een beïnvloedingsactie (eerste deel) of een handeling waarmee een ander wordt bewogen (tweede deel). Dit leidt uiteindelijk tot het gevolg: het een ander zich beschikbaar laten stellen tot arbeid, diensten of orgaandonatie. De vormgeving van sub 4 is niet enkel gericht op uitbuiting: alle vormen van diensten, arbeid en orgaandonatie zijn omsloten. Tegelijkertijd is de bepaling beperkt door een vereiste gedraging (de beïnvloedingsactie in deel 1 dan wel bewegingshandeling in deel 2). Waar het de inzet van de beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, fraude, misleiding of misbruik betreft, is de veronderstelling dat een strafrechtelijk relevant gevolg intreedt niet onrealistisch. Het beïnvloedingsmiddel ‘een feitelijkheid’ is evenwel zo onbepaald dat dit spanning oplevert met het daadstrafrechtbeginsel. Immers het verrichten van een neutrale gedraging, kan dan tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Zo valt het een ander laten tekenen van een contract waardoor iemand wordt bewogen tot arbeid of diensten, onder de delictsomschrijving. Deze gedraging is evenwel verbonden aan ‘het zijn van werkgever’. Het tweede deel van sub 4 is heeft tekstueel nog een ruimere reikwijdte. Het opzet van de dader hoeft dan niet eens gericht te zijn op het bereiken van het gevolg (beschikbaarstelling tot arbeid, diensten of orgaandonatie), culpa is voldoende. Hier is het beïnvloedingsmiddel ‘een feitelijkheid’ al helemaal onbepaald. Tekstueel gezien is de bepaling daarmee niet goed verenigbaar met het daadstrafrechtbeginsel. Materieel gezien wordt de bepaling niet zo ruim gelezen. Uitbuiting vormt een impliciet bestanddeel. De bepaling is inhoudelijk enkel van toepassing op uitbuiters (en dus niet álle uitbaters). Het daadstrafrechtbeginsel komt met deze lezing niet in het geding. Het verdient voorkeur de reikwijdte van sub 4 ook tekstueel te beperken tot het eigenlijk door de wetgever beoogde gevolg: het tegengaan van uitbuiting. Voorkomen wordt daardoor dat gedragingen strafbaar zijn of lijken die geen strafrechtelijk relevante realiteit in het leven roepen.
Ook de tekstuele bepaling in onderdeel 3 doet problemen rijzen. Sub 3 vereist een wervingsactie die leidt tot het gevolg: het een ander zich beschikbaar laten stellen tot seksuele dienstverlening. Ook dit gevolg is niet beperkt tot een strafrechtelijk relevant gevolg. In Nederland is immers sprake van een legaal prostitutiebeleid. Seksuele dienstverlening is daarmee als zodanig kennelijk niet strafwaardig. De wervingshandelingen ‘aanwerven’ en ‘medenemen’ zijn voorts neutraal van aard. Enkel de wervingshandeling ‘ontvoeren’ duidt op dwang en hierbij is te verwachten dat deze gedraging leidt tot de verwerkelijking van een strafrechtelijk relevante werkelijkheid: namelijk een inbreuk op de persoonlijke vrijheid van een ander. De tekstuele bepaling stelt strafbaar de taxichauffeur die een prostituee vervoert naar een ander land om daar te werken. Dat levert spanning op met het daadstrafrechtbeginsel aangezien het verrichten van een neutrale gedraging als mens zijnde, dan kan leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid. Het verdient dan ook voorkeur dit sublid te schrappen of het gevolg ook tekstueel te beperken tot gedwongen seksuele dienstverlening. Alleen de im- of exporteurs die meewerken aan een vorm van uitbuiting worden dan getroffen.
De subleden 6 tot en met 9 vereisen allemaal dat de profiteur voordeel heeft getrokken, maar ze verschillen in hetgeen waarvan voordeel wordt getrokken. Het voordeel trekken behelst een gedraging en in die zin een feitelijke daad. Maar de vraag is of die daad ook leidt tot een voor het strafrecht ter zake doend resultaat.
In sub 6 wordt geprofiteerd van de uitbuiting van een ander. Hier bestaat een wezenlijk verband tussen een daad en een strafrechtelijk relevante werkelijkheid: namelijk de uitbuiting. Dit onderdeel is verenigbaar met het daadstrafrechtbeginsel.
Onderdeel 7 richt zich op de profijttrekking van orgaanverwijdering, terwijl die verwijdering onder de sub 1 bedoelde omstandigheden heeft plaatsgevonden. Wederom zorgt het middel ‘feitelijkheid’ voor problemen. Orgaanverwijdering bij volwassenen is op zichzelf niet per se strafwaardig en ook het voordeel trekken als zodanig is niet misdadig. Als die orgaanverwijdering echter onder dwang, misleiding, misbruik of anderszins wederrechtelijke beïnvloeding tot stand is gekomen, is de profijttrekking wel degelijk strafwaardig. De profiteur draagt dan bij aan de verwerkelijking van een strafrechtelijk relevant gevolg. Indien de orgaandonatie door middel van ‘een feitelijkheid’ is veroorzaakt, is een criminele basis niet evident. Een patiënt die een orgaan ontvangt van een ander, terwijl dit orgaan door ‘een feitelijkheid’ is verwijderd (bijvoorbeeld door een operatie), zou strafbaar kunnen worden gesteld. Deze formulering maakt het mogelijk dat iemand strafrechtelijk aansprakelijk is, terwijl de persoon in een normale hoedanigheid functioneert in de maatschappij en niet bijdraagt aan de verwerkelijking van strafrechtelijk relevante gevolgen. Op dit punt staat de delictsomschrijving dan ook op gespannen voet met het daadstrafrechtbeginsel.
Sub 8 behelst het profiteren van de betaalde seksuele dienstverlening of orgaandonatie van minderjarigen. De wetgever gaat ervan uit dat orgaandonatie en seksuele dienstverlening tegen betaling bij minderjarigen strafwaardige doelen zijn. De kinderprofiteur draagt door zijn gedraging bij aan de verwerkelijking van deze criminele doelen. De bepaling gaat dus uit van een daadstrafrecht.
Tot slot ziet sub 9 op de voordeeltrekking van betaalde seksuele dienstverlening en orgaandonatie van volwassenen. Het voordeel trekken van betaalde seksuele dienstverlening of orgaandonatie is op zichzelf geen strafwaardige gedraging. De manier waarop de profiteur voordeel trekt, moet aldus kenmerkend zijn voor het daadstrafrechtbeginsel. De gedraging dient in verband te staan met een strafrechtelijk relevant gevolg. Geen problemen rijzen ten aanzien van de beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, fraude, misleiding en misbruik. Het gebruik van die middelen kan er immers voor zorgen dat een van belang zijnde criminele realiteit ontstaat, namelijk de onvrijwillige of in ieder geval wederrechtelijke afdracht van geld verdiend met sekswerk of orgaandonatie. Het beïnvloedingsmiddel ‘feitelijkheid’ in combinatie met het ‘bewegen’ van een ander zorgt voor complicaties. Zoals opgemerkt in de voorgaande paragraaf (§ 6.7) zou de pooier of de partner van een prostituee dan wel orgaandonateur hierbij kunnen worden vervolgd. Het enkele zijn van ‘pooier’ of ‘partner van’ zou niet voldoende moeten zijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Op dit punt is spanning met het beginsel.