Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.13.2:5.8.13.2 Betwiste verschuldigdheid van bestaande vorderingen en de hoogte daarvan
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.13.2
5.8.13.2 Betwiste verschuldigdheid van bestaande vorderingen en de hoogte daarvan
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648692:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam, 29 september 2015, JOR 2015/295.
Rb. Rotterdam, 29 september 2015, JOR 2015/295, r.o. 4.7.
Eveneens kritisch over dit vonnis is Bartman in zijn noot onder dit vonnis in JOR, zie Rb. Rotterdam, 29 september 2015, JOR 2015/295.
Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7; HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26.
Zie Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7, r.o. 3.11.
Overweging 4.7 van de conclusie van A-G Timmerman, PHR 31 maart 2017, JOR 2017/221.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer er discussie bestaat over de vraag of de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon een schuld heeft aan de in verzet gekomen partij, is de kans groot dat deze laatste partij in het gelijk wordt gesteld. De hoofdgedachte is dat in een verzetprocedure niet over de toewijsbaarheid en niet over de hoogte van een vordering wordt geoordeeld.
In een kwestie die ter beoordeling voorlag aan de Rechtbank Rotterdam werden er aan de schuldeiser amper vragen gesteld, terwijl op basis van een zeer summiere onderbouwing zekerheid werd verlangd voor een flink bedrag.1 Zowel de verschuldigdheid van de vordering alsook de hoogte daarvan stond ter discussie. Er was in casu sprake van een aangenomen project voor een vaste prijs. Meerwerk moest op voorhand schriftelijk worden goedgekeurd door de opdrachtgever, anders mochten de kosten van het meerwerk niet in rekening worden gebracht. Dit was ondubbelzinnig contractueel geregeld. Desondanks was de schuldeiser succesvol toen zij in verzet kwam en stelde een vordering te hebben vanwege meerwerk, ondanks het feit dat daar geen deugdelijke bescheiden van waren en de schuldeiser die de vordering pretendeerde te hebben ook niet kon aantonen dat de opdrachtgever goedkeuring voor het verrichte meerwerk had gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling werd de eis ter plekke verhoogd zonder enige schriftelijke onderbouwing of overlegging van nadere bewijsstukken. Achteraf baseert de rechtbank zich op een door de schuldeiser opgesteld overzichtje, zonder verdere stukken die de juistheid van dat overzicht staven. Het ging om een niet gering bedrag. Het meerwerk bedroeg miljoenen euro’s en het project had volgens de schuldeiser ruim twee keer zoveel gekost als was geoffreerd. Van de moedervennootschap werd verlangd dat zij zekerheid stelde voor de gepretendeerde vordering, op straffe van het gegrond verklaren van het verzet. De rechtbank overwoog daartoe onder meer het navolgende:
“Naar het oordeel van de rechtbank is noodzakelijk maar ook voldoende dat het bestaan van de vorderingen in voldoende mate aannemelijk is. Een meer inhoudelijke beoordeling van de vordering zou geen recht doen aan de ratio van dit wetsartikel. Deze ratio is dat de aansprakelijkheidstelling kan eindigen maar niet ten nadele van “oude” schuldeisers, die in plaats daarvan dan ook zekerheid mogen verlangen voor verhaal. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1983/84, 16551 nr. 11) beoogt dit artikel het evenwicht te bewaren tussen de belangen van de schuldeisers en het belang van de maatschappij die zich aansprakelijk stelde. Indien de enkele betwisting van die vorderingen aan toepasselijkheid van artikel 2:404 BW in weg zou staan, maakt dit de bescherming van “oude” schuldeisers illusoir. Anderzijds dient te worden gewaakt voor een al te lichtvaardig beroep op de hier bedoelde regeling, nu – zoals Hertel Beheer terecht aanvoert – het stellen van zekerheid beslag legt op de financiële slagkracht van een onderneming. Naar analogie van het beslagrecht dient ook terzake van de onderhavige regeling, de vordering in voldoende mate aannemelijk te zijn.”2
Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis meent de rechtbank dat er in een verzetprocedure een evenwichtige afweging dient te worden gemaakt tussen de belangen van de rechtspersoon die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen en de schuldeiser. Dat lijkt mij op zich een goed uitgangspunt. Vervolgens stelt de rechtbank: “Indien de enkele betwisting van die vorderingen aan toepasselijkheid van artikel 2:404 BW in de weg zou staan, maakt dit de bescherming van ‘oude’ schuldeisers illusoir.” In zoverre volg ik de rechtbank eveneens. Een simpele betwisting zou er niet toe moeten leiden dat de rechtspersoon die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen haar aansprakelijkheid ontloopt. Maar aan de andere zijde van het spectrum zit wat mij betreft het enkel stellen dat er een vordering is. In onderhavige casus was tussen partijen zwart op wit gezet op basis van welke voorwaarden meerwerk in rekening mocht worden gebracht. Dit moest in overleg gebeuren en schriftelijk worden goedgekeurd. Duidelijk was dat de schuldeiser zonder deze overeengekomen procedure te hebben gevolgd een exorbitant hoge rekening presenteerde. Het project was ruim twee keer zo duur geworden. De verwijzing naar de wetsgeschiedenis en het daaruit voortvloeiende evenwicht tussen de belangen zou juist in dit soort situaties bescherming moeten bieden tegen onredelijke eisen van schuldeisers.
De rechtbank past vervolgens een maatstaf uit het beslagrecht toe. Of de maatstaf die wordt toegepast in het beslagrecht hier moet worden toegepast, lijkt mij discutabel. Aangenomen mag worden dat een beslaglegger overwogen te werk gaat, gezien de consequenties die het beslagrecht verbindt aan het ten onrechte leggen van beslag. Bij onterecht gelegd beslag, wordt de gepretendeerde schuldenaar gecompenseerd en aldus tegen onterecht beslag beschermd. Deze ‘bescherming’ van een gepretendeerde schuldenaar geldt niet in een verzetprocedure op grond van artikel 2:404 BW. De onderbouwing voor het analoog toepassen van de maatstaf uit het beslagrecht ontbreekt in het vonnis.3
In een andere verzetprocedure hebben de rechtbank Midden-Nederland, de Ondernemingskamer en de Hoge Raad4 zich uitgelaten over de vraag hoe met de erkenning van vorderingen en de hoogte daarvan in een verzetprocedure om dient te worden gesprongen. Het betreft de kwestie waarin het verzet geïnitieerd werd door curatoren in enkele Nederlandse investeringsmaatschappijen die menen een vordering te hebben uit hoofde van een schending van de zorgplicht door de vrijgestelde rechtspersoon bij het opzeggen van een kredietovereenkomst. Daarnaast werd verzet ingesteld door een schuldeiser die stelde een vordering op de vrijgestelde rechtspersoon te hebben uit hoofde van garanties in een investeringsovereenkomst met de vrijgestelde rechtspersoon. De onderbouwing door de drie gerechten is niet steeds consistent maar alle drie de gerechten hebben de verzoekers ontvankelijk verklaard in hun verzet en bevolen dat de consoliderende rechtspersoon zekerheid dient te stellen op straffe van het gegrond verklaren van het verzet.
Ten aanzien van het bepalen van de hoogte van de vordering volgt de rechtbank de bedragen zoals die door de schuldeisers zijn gesteld. Ten aanzien van de hoogte van de vorderingen zoals die door de schuldeisers zijn gesteld, volgt de Ondernemingskamer de schuldeisers en neemt – evenals de rechtbank – de hoogte van de gestelde vorderingen over.5
Uit het latere arrest van de Hoge Raad blijkt dat hierover in cassatie is geklaagd door de moedervennootschap (SNS Bank):
“Onderdeel 4 klaagt over het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.11 dat, als eenmaal is vastgesteld dat een niet zeer kleine kans bestaat dat de schuldeiser een vordering heeft die onder het bereik van de 403-verklaring valt, het bedrag waarvoor de waarborg dient te worden gegeven in beginsel moet worden gesteld op het maximaal gevorderde bedrag aan schadevergoeding, tenzij het gevorderde bedrag evident onrealistisch hoog is. De ondernemingskamer heeft met dit oordeel miskend dat bij de beantwoording van de vraag wat de omvang van de vordering van de schuldeiser is, dezelfde maatstaf moet worden de schuldeiser een vordering heeft waarvoor nog aansprakelijkheid loopt in de zin van art. 2:404 lid 5 BW. Voorkomen moet worden dat de rechtspersoon wordt verplicht een waarborg te stellen voor een bedrag dat de werkelijke vordering van de schuldeiser verre te boven gaat. De ondernemingskamer heeft ten onrechte niet getoetst of de curatoren en CRI de hoogte van hun vordering voldoende aannemelijk hebben gemaakt en summierlijk met bewijs hebben onderbouwd, aldus onderdeel 4.”6
De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de klacht dat de vordering die door de schuldeiser is opgebracht te hoog is, als volgt:
“5.2.2. De klachten falen. De ondernemingskamer heeft de stellingen van SNS Bank en Propertize in haar oordeel betrokken (rov. 3.4, 3.5, 3.10 zie hiervoor in 3.2.2). In de bestreden oordelen ligt besloten dat deze stellingen niet kunnen leiden tot de conclusie dat de vordering van de curatoren onmiskenbaar ongegrond is te achten, zowel wat het bestaan als wat de omvang ervan betreft. In aanmerking genomen dat aan het oordeel van de rechter over het bestaan en de omvang van een (mogelijk door de 403-verklaring gedekte) vordering, slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld (zie hiervoor in 5.1.6), was de ondernemingskamer niet tot een nadere motivering gehouden.”
Ten aanzien van de hoogte van de vordering lijkt hetzelfde criterium te gelden als ten aanzien van het bestaan van de vordering. Zowel het bestaan als de hoogte van de vordering dienen niet “onmiskenbaar ongegrond” te worden geacht. Er gelden slechts beperkte motiveringseisen.