Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.7
10.3.7 Kort geding
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582380:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95 (Van Uden/Deco Line), Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339 m.nt. PV; HvJ EG 27 april 1999, zaak C-99/96 (Mietz/Intership), Jur. 1999, p. 1-2277, NJ 2001, 90 m.nt. PV.
HvJ EG 27 april 1999, zaak C-99/96 (Mietz/Intership), Jur. 1999, p. 1-2277, NJ 2001, 90 m.nt. PV; HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95 (Van Uden/Deco Line), Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339 m.nt. PV. Voor het incassokortgeding geldt een uitzondering. Het incassokortgeding valt slechts onder art. 31 EEX-Vo indien de garantie bestaat dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald ingeval de eiser in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk zou worden gesteld en de gevorderde maatregel alleen betrekking heeft op de vermogensbestanddelen van de verweerder die zich bevinden in de territoriale bevoegdheidssfeer van de geadieerde rechter. Is aan deze voorwaarden niet voldaan dan komt de in kortgeding gewezen uitspraak op grond van de EEX-Vo niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking. Zie Strikwerda 2005, nr. 257.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95 (Van Uden/Deco Line), Jur. 1998, p. 1-7091, NI 1999, 339 m.nt. PV.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95 (Van Uden/Deco Line), Jur. 1998, p. 1-7091, NI 1999, 339 m.nt. PV.
Strikwerda 2005, nr. 257.
HR 24 november 1989, NJ 1992, 404(Interlas) m.nt. DWFV. De in Interlas gehuldigde opvatting, waarin bepaald werd dat de Nederlandse rechter bevoegd is in kort geding een verbod van handelingen en gedragingen op te leggen, buiten het gebied van de nationale jurisdictie, lijkt stand te kunnen houden. In HR 19 maart 2004, NJ 2007, 585 m.nt. PV (Philips/ Postech) oordeelt de Hoge Raad dat de Interlas-regel uitsluitend geldt voor gevallen waarbij de bevoegdheid is gebaseerd op het commune internationale bevoegdheidsrecht. Er bestaat volgens de Hoge Raad geen grond in de gevallen die buiten het formele toepassingsgebied van het EEX-Verdrag (tegenwoordig de EEX-Vo) of het EVEX vallen een beperking te aanvaarden als bedoeld in HvJ EG 21 mei 1980, zaak 125/79 (Denilauler/Couchet Frères), Jur. 1980, p. 1553, NJ 1981, 184 m.nt. JCS. In het Denilauler-arrest heeft het HvJ EG geoordeeld dat het toestaan van voorlopige en bewarende maatregelen van de rechter bijzondere behoedzaamheid vereist alsmede een grondige kennis van de concrete omstandigheden waarin de maatregel haar gevolgen moet doen gevoelen. De plaatselijke rechter of in ieder geval de rechter van de verdragsluitende staat waarin zich de door de gevraagde maatregelen getroffen tegoeden bevinden, is volgens het HvJ EG het beste in staat de omstandigheden te beoordelen op grond waarvan de gevraagde maatregelen moeten worden toegestaan of geweigerd, dan wel de modaliteiten en voorwaarden moeten worden vastgesteld die de verzoeker in acht zal hebben te nemen om het voorlopige en bewarende karakter van de toegestane maatregelen te garanderen. De Hoge Raad wijst reflexwerking van het Denilauler-arrest op het commune IPR af. Het is nog niet geheel duidelijk of deze reflexwerking ook moet worden afgewezen ingeval de rechtsmacht wordt gebaseerd op het nieuwe commune internationale bevoegdheidsrecht (art. 1-14 Rv). Zie Vlas in zijn annotatie onder HR 19 maart 2004, NJ 2007, 585 (Philips/Postech). Zie ook HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-539/03 (Roche Nederland/Primus), Jur. 2006, p. 1-6535, NJ 2008, 76 m.nt. PV; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-4/03 (GAT/LuK), Jur. 2006, p. 1-6509, NJ 2008, 78 m.nt. PV; HR 30 november 2007, NJ 2008, 81 m.nt. PV onder NJ 2008, 78 (Sjarbaini/Audilux).
In de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen op grond van artikel 31 EEX-VO bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. Deze bepaling is alleen van belang ingeval de voor het treffen van een voorlopige of bewarende maatregel aangezochte rechter niet bevoegd is op grond van een andere bevoegdheidsregel van de EEX-Vo.1 Indien de rechter op een van de andere bevoegdheidsregels van de EEX-VO bevoegd is, dan is hij ook bevoegd voorlopige of bewarende maatregelen te treffen. Het is in dat geval voor de aangezochte rechter niet nodig zijn bevoegdheid te vestigen op artikel 31 EEX-VO.
In het kader van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht is van belang dat het Nederlandse kort geding ook valt onder de regeling van artikel 31 EEX-V0.2 Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst, dat de op grond van artikel 31 EEX-VO gebaseerde voorlopige en bewarende maatregelen (inclusief het kort geding) in beginsel alleen kunnen worden gevraagd bij de rechter van het land waar de verzochte maatregel uitgevoerd dient te worden.3 Deze regel vloeit voort uit de in Van Uden/Deco Line geformuleerde eis dat er een reële band dient te bestaat tussen het voorwerp van de gevraagde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de lidstaat van de geadieerde rechter.4 Dit brengt ook met zich mee dat de rechter in beginsel alleen voorlopige maatregelen kan gelasten die in zijn land dienen te worden uitgevoerd.5 In het kader van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht kan dan ook worden geconcludeerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de gelaedeerde, indien de rechter zijn bevoegdheid baseert op artikel 31 EEX-VO, met succes een rechterlijk verbod of bevel kan vorderen waarmee kan worden afgedwongen dat de inbreuk op het mededingingsrecht ook buiten Nederland wordt gestaakt. Het door de Hoge Raad gewezen Interlas-arrest, waarin de Hoge Raad in kort geding zijn zegen geeft aan het grensoverschrijdend verbod of bevel, kan dan ook niet meer doorslaggevend zijn onder artikel 31 EEX-vo.6 Ingeval de rechter zijn bevoegdheid op een gewone bevoegdheidsregel van de EEX-VO baseert (artikel 2, 5-24 EEX-vo), kan de gelaedeerde uiteraard wel een rechterlijk verbod of bevel verkrijgen waarmee kan worden afgedwongen dat de inbreuk op het mededingingsrecht ook in andere lidstaten wordt gestaakt.