Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/6.2.3
6.2.3 Fictieve rendement ex art. 29a Wet IB
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457767:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens is hierop (bij overschrijding van de tweede tariefschijO het proportionele tarief van 25% niet van toepassing (art. 57a, derde lid, onderdeel a, Wet IB, zie hoofdstuk 12, onderdeel 12.3.1).
Met ingang van 1 januari 1995 is de verhoging van het fictieve rendement tot 7,2% indien de bezittingen van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk (on)middellijk bestonden uit banktegoeden, ingetrokken.
Zie over de regeling van het fictieve rendement uitgebreider J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, Fiscale monografie nr. 29, 3e druk, blz. 277 e.v., Kluwer, Deventer, 1999; E.J.W. Heithuis, Fictief rendement, Handboek Internationaal Belastingrecht, Delwel, Den Haag, onderdeel 1.18; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, F^iscale hand- en studieboeken nr. 2, blz. 539 e.v., Kluwer, Deventer, 1998, 5e druk; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.3.3.C.e.l6, Gouda Quint, Deventer.
Resolutie staatssecretaris van Financiën d.d. 2 september 1988. nr. DB88/5464, V-N 1988, blz. 2846.
Vgl. het onder het oude aanmerkelijkbelangregime gewezen arrest HR 16 maart 1988, BNB 1988/231.
Nota naar aanleiding van het eindverslag. Wet van 21 juni 1980, Stb. 334, Kamerstuknr. 15 516, nr. 11, blz. 27 en 35-36, alsmede Handelingen II d.d. 6 december 1979, blz. 1824. Enigszins weifelend de Vakstudie, aantekening 84 op artikel 20a Wet IB.
Ingevolge art. 20b, eerste lid, onderdeel b, Wet IB, wordt het fictieve rendement ex art. 29a Wet IB ter zake van buitenlandse beleggingsmaatschappijen waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden, aangemerkt als een regulier voordeel.1 Art. 29a, eerste en achtste lid, Wet IB stelt het voordeel uit aandelen, winstbewijzen, schuldvorderingen en andere rechten in niet in Nederland gevestigde vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen grotendeels (on)middellijk bestaan uit beleggingen, jaarlijks op ten minste 6% van de waarde in het economische verkeer van de aandelen aan het begin van het kalenderjaar. Bestaan de bezittingen grotendeels (on)middellijk uit andere bezittingen dan schuldvorderingen, dan bedraagt het fictieve rendement 4,8%.2 Hierbij verdient aandacht dat de verwijzing naar art. 29a, Wet IB in art. 20b, eerste lid, onderdeel b, Wet IB niet beperkt is tot het fictieve rendement van art. 29a, eerste lid, Wet IB doch tevens geldt voor de tegenbewijsregeling van art. 29a, vijfde lid, Wet IB. Dit betekent dat in zoverre geen fictief rendement in aanmerking wordt genomen als ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond dat het in een kalenderjaar uitkeerbare bedrag geringer is dan het in aanmerking te nemen fictieve rendement. Alsdan blijft het fictieve rendement beperkt tot het bedrag dat door de desbetreffende buitenlandse beleggingsmaatschappij wel als dividend ter beschikking kon worden gesteld. Voorts is de regeling van art. 29a, zesde lid, Wet IB dat ziet op tussengeschoven binnenlandse vennootschappen, van toepassing.3
Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om het onder het tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime op basis van de hardheidsclausule (art. 63 AWR) gevoerde beleid4 in wetgeving om te zetten. Ingevolge art. 20c, negende lid, eerste volzin, Wet IB wordt de verkrijgingsprijs van het desbetreffende aandeel, winstbewijs of schuldvordering met het voordeel als bedoeld in art. 29a Wet IB verhoogd (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.2).5 Op deze plaats verdient nog opmerking dat de toepassing van het fictieve rendement achterwege blijft, indien de buitenlandse beleggingsmaatschappij is onderworpen aan een effectieve belastingdruk die nagenoeg gelijk is aan die in Nederland.6