Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.2.2.0
7.8.2.2.0 Inleiding
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232770:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aangezien de statuten de interne organisatie van de STAK regelen, staat een derde waarmee de STAK een overeenkomst heeft, zoals de certificaathouder, daar in beginsel buiten. Om de statuten toch invloed te laten hebben op de beheersovereenkomst, zal dit dus overeengekomen moeten worden.
Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/663. Dit geldt te meer indien er op basis van de statuten van de STAK een vergadering van certificaathouders is, zie Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 202 – 203.
Kamerstukken II vergaderjaar 1984/85, 17 725, nr. 7, pagina 14 – 15. De voorgestelde wettekst heeft in de loop van het wetgevend proces enige wijzingen ondergaan. Waar eerst gesproken werd van “de rechtspersoon, haar leden of aandeelhouder en zij die deel uitmaken van haar organen”, zijn daar later de houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten aan toegevoegd en op nog een later moment is de huidige tekst tot stand gekomen (zie J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, aantekening 1 bij artikel 2:8 BW en de aldaar aangehaalde parlementaire geschiedenis). De hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis heeft betrekking op de laatste wijziging.
L. Timmerman, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW, Preadvies van de Vereeniging Handelsrecht, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle 1991, pagina 49.
Thans zou sprake zijn van certificaten zonder vergaderrecht. Aangezien de meeste hier bedoelde literatuur van voor de invoering van de regelgeving aangaande de Flex-BV is, handhaaf ik op deze plek het oude begrip. Over de kwalificatie van houders van zonder medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten als institutioneel betrokkenen bij de vennootschap verschillende de meningen, zie R.A. Wolf, De certificaathouder zonder vergaderrecht, de kring van de betrokkenen en de vernietiging van besluiten, Ondernemingsrecht 2014/2, paragraaf 3, en de aldaar aangehaalde literatuur. Aangezien ik niet specifiek certificaten van aandelen bespreek, ga ik verder niet op dit aspect in.
Chr.M. Stokkermans, Vernietiging van besluiten, V&O 2010/10, pagina 179.
Zie voorts Oosterhoff, dissertatie 2017, paragraaf 6.3, voor een overzicht van aanvullende visies in de literatuur over de invulling van de kring van betrokkenen als bedoeld in artikel 2:8 BW.
Vergelijk ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/663. Zie voorts hof Den Haag 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2536.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*, 2015/226 – 227, alsmede Huizink, GS Rechtspersonen, aantekening 2 bij artikel 2:8 BW.
Hof Arnhem 10 december 1996, JOR 1996/130.
Hof Amsterdam (OK) 23 juli 2001, JOR 2001/204.
Rechtbank Noord-Holland 17 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2191, JOR 2015/196. De rechtbank zoekt bij zijn beoordeling aansluiting bij jurisprudentie van de Hoge Raad en de Ondernemingskamer van hof Amsterdam over een redelijk dividendbeleid en de in de afweging te dier zake in aanmerking te nemen belangen.
Hof Amsterdam 12 mei 2015, JOR 2015/197.
Evenzo V.P. Kradolfer, Het recht op dividend van een aandeelhouder of certificaathouder, JBN 2015/57, alsmede de noot van S.C.M. van Thiel in JOR 2015/197.
Zie voorts paragraaf 7.8.3.
Vergelijk tevens Eisma, preadvies 1991, pagina 77.
In paragraaf 7.8.3 ga ik nader op doeloverschrijding door de STAK in.
Naast de administratievoorwaarden kunnen de statuten van de STAK haar rechtsverhouding met de certificaathouder (nader) regelen. Hier kan op twee manieren sprake van zijn:
de administratievoorwaarden kunnen (bepalingen uit) de statuten van toepassing verklaren;1 dit is mijns inziens een modificatie van de verbintenisrechtelijke aanspraak die de certificaathouder heeft; en
de statuten kunnen rechten aan de certificaathouder toekennen. Als voorbeeld van het laatste kunnen de statuten bijvoorbeeld goedkeurings- of benoemingsrechten toekennen aan de certificaathouders, al dan niet als vergadering van certificaathouders als orgaan van de STAK. In het tweede geval is bovendien naast de obligatoire rechtsverhouding tevens sprake van een organisatierechtelijke verhouding en wordt de rechtsverhouding tussen certificaathouder en STAK voor dat deel mede beheerst door de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.2
Artikel 2:8 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkaar dienen te gedragen naar hetgeen redelijkheid en billijkheid vereist. Deze redelijkheid en billijkheid betreft de interne organisatie van de STAK en zij geldt niet alleen in de verhouding tussen de STAK en de certificaathouders, maar ook tussen de certificaathouders onderling. Deze redelijkheid en billijkheid kan tevens doorwerken in de aantastbaarheid van besluiten van de STAK, aangezien besluiten van één van haar organen (onder meer) vernietigbaar zijn indien sprake is van strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.3
De vraag is welke personen binnen het bereik van artikel 2:8 BW vallen. De wettekst spreekt zelf van degenen die bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken zijn. De wetgever verdedigde een ruime kring van betrokkenen voor de toepassing van artikel 2:8 BW en de parlementaire geschiedenis noemt in dit verband bijvoorbeeld ook het gemeentebestuur dat statutair bevoegd is om een deel van de bestuursleden van een stichting te benoemen.4 Over de precieze invulling verschillen evenwel de meningen. Timmerman omschrijft deze betrokkenen bijvoorbeeld als:
een ieder die op grond van de wet of de statuten rechten of verplichtingen heeft die door gedragingen, die zich binnen de sfeer van de rechtspersoon afspelen, rechtstreeks beïnvloed kunnen worden.5
Daarbij duidt hij degenen die zeggenschap binnen de rechtspersoon kunnen uitoefenen zonder meer aan als bij de organisatie betrokkenen, maar schaart hij daaronder ook personen die andere rechten dan zeggenschapsrechten ontlenen aan boek 2 BW of aan de statuten van de rechtspersoon, zoals houders van winstbewijzen, althans waar het de bestemming van de winst aangaat, alsmede houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten6 (in relatie tot de vennootschap). Stokkermans geeft drie kenmerken van de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken personen, of in zijn woorden, institutioneel betrokkenen: (i) zij zijn op enige wijze betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, (ii) hun betrokkenheid berust op een bevoegdheid die door de rechtspersoon aan de betrokkene is toegekend en door de betrokkene als zodanig is aanvaard en (iii) in de aard en inhoud van de toekenning ligt besloten met welk oogmerk de betrokkenheid is gegeven.7, 8
Mede het voorgaande in aanmerking nemend zijn certificaathouders naar mijn mening als institutioneel betrokkenen bij de STAK te beschouwen, althans indien en voor zover de statuten van de STAK rechten c.q. bevoegdheden aan hen toekennen, al dan niet als vergadering van certificaathouders, die hun invloed geven op de organisatie van de STAK. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om rechten ter zake van de benoeming van het bestuur van de STAK of (goedkeurings)rechten met betrekking tot de wijziging van de statuten, ontbinding van de STAK of ter zake van bepaalde beslissingen van het bestuur van de STAK.9
De redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW impliceren een afweging van de belangen van alle betrokkenen. Als algemene lijn volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat betrokkenen bij het behartigen van hun eigen belang rekening dienen te houden met de gerechtvaardigde belangen van andere betrokkenen en deze ontzien indien die onevenredig geschaad zouden worden. De omvang van de rechtspersoon en de omstandigheid dat sprake is van een besloten leden- of aandeelhoudersbestand kan bij deze belangenafweging een rol spelen: een sterker persoonsgebonden karakter impliceert dat betrokkenen zich meer dienen te laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van de anderen.10 Ook kan artikel 2:8 BW onder omstandigheden door de rechtspersoon zelf worden ingeroepen.11
Een voorbeeld van de grenzen die de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW stellen volgt uit een uitspraak van hof Arnhem.12 Deze zaak betreft een vordering tot vernietiging van een besluit tot statutenwijziging van een STAK op grond van artikel 2:15 BW. Het desbetreffende besluit leidde tot een ernstige inperking van de (toekomstige) invloed van de certificaathouders, terwijl het in de bestaande verhoudingen (moeder had 50% van de certificaten en het vruchtgebruik van de andere 50%, alsmede een zetel in het bestuur van de STAK) geen effect had. Het hof overweegt dat er zeer zwaarwegende redenen moeten zijn om de toch al beperkte invloed van de certificaathouders verder te beperken en dat deze in casu niet (voldoende) aanwezig zijn, zodat het besluit tot statutenwijziging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.
Hof Amsterdam13 overwoog voorts dat indien geen sprake is van rechtstreekse, op bevoegdheid gebaseerde, invloed op het beleid van een vennootschap of controle op de uitvoering daarvan, de vennootschap jegens een minderheidsaandeelhouder in het bijzonder de verplichting heeft om diens belangen voldoende in het oog te houden en zorgvuldig jegens hem te handelen. Een vergelijkbare zorgvuldigheidsplicht moet bovendien worden aangenomen voor een STAK jegens minderheidscertificaathouders.
Rechtbank Noord-Holland14 kreeg (in kort geding) te oordelen over een verzoek van minderheidscertificaathouders die een redelijk dividendbeleid en dividend eisten. In dit geval hielden de eisers 25% van de certificaten; de andere 75% was in handen van de, tezamen met STAK en vennootschap, gedaagden. Sinds de oprichting van de vennootschap was slechts eenmaal dividend uitgekeerd, ondanks kennelijk substantiële winsten. Gedaagden weigerden enerzijds om een dividendbeleid te voeren en anderzijds om de certificaten van de eisers over te nemen, hetgeen volgens de rechtbank tot een positie als beklemde minderheid leidt en hun belangen reduceert tot “dood kapitaal”. Voorts is de rechtbank van mening dat geen afweging gemaakt is tussen de belangen van de certificaathouders bij een redelijk rendement en de belangen die zich kunnen verzetten tegen het uitkeren van winst. De rechtbank draagt de STAK op om een bijzondere vergadering van certificaathouders bijeen te roepen en daar een (door een onafhankelijke registeraccountant getoetst) voorstel voor een dividendbeleid aan de certificaathouders voor te leggen. Hof Amsterdam15 onderschrijft de door de rechtbank gehanteerde uitgangspunten, waaronder met name dat de winst van een vennootschap aan de aandeelhouders c.q. certificaathouders wordt uitgekeerd, behoudens indien het vennootschappelijk belang gehele of gedeeltelijke reservering vereist, alsmede dat het gedurende onbepaalde tijd handhaven van een beleid waarbij alle winst gereserveerd wordt in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn. Desalniettemin vernietigt het hof de uitspraak van de rechtbank, op basis van een andere afweging van belangen, als gevolg waarvan het hof onvoldoende aanleiding ziet voor een voorziening in kort geding. Ten overvloede overweegt het hof dat gezien de minder nauwe betrokkenheid van de certificaathouders die dividend eisen, oplossing van het conflict door middel van uitkoop van deze certificaathouders aangewezen lijkt. Hoewel deze certificaathouders derhalve vooralsnog geen vooruitzicht op het door hen gewenste dividend hebben, volgt uit deze uitspraak wel dat bij een beslissing van vennootschap of STAK om al dan niet dividend uit te keren rekening gehouden moet worden met het belang van minderheidscertificaathouders om dividend te ontvangen en dat het voor onbepaalde tijd niet uitkeren van dividend in het algemeen niet gerechtvaardigd is.16
De voorgaande jurisprudentie schetst een beeld dat bij het al dan niet uitkeren van gerealiseerde winsten van een vennootschap rekening gehouden dient te worden met het belang van minderheidscertificaathouders om dividend te ontvangen. Mijns inziens kan dit principe doorgetrokken worden naar certificaathouders die misschien wel, al dan niet tezamen, een meerderheid van de of zelfs alle certificaten bezitten, maar als gevolg van de omstandigheid dat zij geen zitting hebben in het bestuur van de STAK, noch anderszins het beleid van de STAK kunnen beïnvloeden, toch geen dividenduitkering kunnen doen plaatsvinden. Hun positie is in dat geval vergelijkbaar met die van een minderheidscertificaathouder, die evenzeer die invloed ontbeert, en de belangenafweging een vergelijkbare.
Vraag is echter in hoeverre dit principe ook toegepast kan worden op andere gecertificeerde goederen dan aandelen. Dit is naar mijn mening in beginsel mogelijk. Bij een vennootschap is de belangenafweging tussen de aandeelhouder, die een belang heeft bij het ontvangen van dividend, en de vennootschap, wier belang bestaat uit het kunnen behouden en benutten van haar middelen. Bij ander gecertificeerd vermogen spelen andere belangen, die sterker tegenover het belang op het ontvangen van uitkeringen kunnen staan of juist minder sterk. Uiteindelijk blijft het evenwel een afweging van de verschillende belangen, in principe het economische belang van de certificaathouder tegenover het belang dat de STAK gezien haar doel dient te behartigen. Een nog wel te beantwoorden vraag lijkt mij in hoeverre het belang van de certificaathouder zou moeten wijken indien dit belang en het doel van de STAK elkaar uitsluiten en ook een compromis tussen beide belangen niet goed denkbaar is. Een voorbeeld is de STAK die het in stand houden van een landgoed als primair doel heeft, maar slechts over beperkte middelen beschikt, zodat uitkeringen aan de certificaathouders pas mogelijk zijn indien het landgoed zou worden vervreemd. Jurisprudentie die een richtlijn geeft voor dergelijk diametraal botsende belangen is mij niet bekend.
Vanuit vennootschapsrechtelijk perspectief wordt de positie van de certificaathouder ten slotte in zeker opzicht beschermd door artikel 2:7 BW. Op grond van deze bepaling is een door de STAK verrichte rechtshandeling vernietigbaar, als daardoor haar doel wordt overschreden én de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten. De naam van de STAK kan in verband met dat laatste behulpzaam zijn: een wederpartij zal zich moeten realiseren dat een stichting met de woorden “Stichting Administratiekantoor” in haar naam doorgaans in meer of mindere mate beperkt zal zijn in het beschikken over haar vermogen en zich dus moeten afvragen of de STAK in een specifiek geval wellicht haar doel overschrijdt.17 De zwakke plek in deze bescherming is, althans vanuit het perspectief van de certificaathouder, echter dat uitsluitend de STAK een beroep kan doen op de vernietiging van de rechtshandeling.18 Indien de STAK welbewust haar doel overschrijdt, kan deze bescherming dus illusoir blijken.19