Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/2.5.2
2.5.2 Art. 5:70 lid 1 en 5:84 BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491131:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 245.
Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 290-292; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/612, 630, 637; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/9a, 207; Bartels e.a. 2016, p. 310.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/614; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/173, 204; Bartels e.a. 2016, p. 317. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 245, 287-288. Onder het oude recht werd dat ook aangenomen: Asser/Beekhuis 3-II 1990/212; Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1989, p. 289; Pitlo, Zakenrecht 1972, p. 262-263; Völlmar II 1951, nr. 420; Asser/Scholten Zakenrecht 1945, p. 265-266, 288; Hofmann 1944, p. 295; Suijling V 1940, nr. 329; Diephuis VI 1886, p. 499-500; rb. Utrecht 24 december 1947, ECLI:NL:RBUTR:1947:5 (Reinalda q.q./Voorneveld). Anders: Veegens/Oppenheim II 1925, p. 116. Volgens Land kon wel een erfdienstbaarheid worden gevestigd als heersend en dienend erf in één hand zijn en een beperkt recht rust op het heersende erf, maar niet als op het dienende erf een beperkt recht rust. Dit baseert hij op een letterlijke lezing van art. 721 oud BW, waarin staat dat het heersende erf een andere eigenaar moet hebben (Land II 1901, p. 280).
19. In de wettelijke omschrijving van de erfdienstbaarheid is niet opgenomen dat heersend en dienend erf verschillende eigenaars dienen te hebben (art. 5:70 lid 1 BW). De wetgever heeft daarvan afgezien, omdat een erfdienstbaarheid bijvoorbeeld ‘denkbaar’ is als beide erven dezelfde eigenaar hebben, en op één van de erven een recht van erfpacht of vruchtgebruik rust.1
Volgens art. 5:84 BW kan de erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker van een onroerende zaak, op die zaak een erfdienstbaarheid vestigen of ten behoeve van die zaak een erfdienstbaarheid bedingen. Deze bevoegdheid is in de wet opgenomen, omdat een erfdienstbaarheid alleen kan rusten op (de eigendom van) een zaak en ook alleen ten behoeve van een zaak kan worden bedongen. Een erfdienstbaarheid kan niet rusten op een beperkt recht en ook niet ten behoeve daarvan worden bedongen. Erfpachters, opstallers en vruchtgebruikers kunnen daarom geen erfdienstbaarheid vestigen op hun recht of ten behoeve daarvan een servituut bedingen. Door art. 5:84 BW kunnen zij dat wel op of ten behoeve van de zaak waarop hun recht rust.2
Volgens de literatuur is vestiging van een erfdienstbaarheid op grond van deze bepaling ook mogelijk als heersend en dienend erf dezelfde eigenaar hebben.3 Bijvoorbeeld als dezelfde persoon twee nabijgelegen percelen in eigendom heeft, en hij één van die percelen in erfpacht heeft gegeven aan een derde. In dat geval bestaat belang bij een erfdienstbaarheid tussen die percelen, omdat de eigenaar niet het genot heeft van de beide erven. Wordt de erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van het erf dat in erfpacht, opstal of vruchtgebruik is gegeven, dan heeft de erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker belang bij het servituut. Is de erfdienstbaarheid gevestigd op het erf dat in erfpacht, opstal of vruchtgebruik is gegeven, dan heeft de eigenaar belang bij het servituut. In beide gevallen kan de eigenaar of de beperkt gerechtigde bevoegdheden ontlenen aan de erfdienstbaarheid, die hij anders niet zou hebben.