De tekening is ontleend aan de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2.
HR, 15-11-2024, nr. 23/02572
ECLI:NL:HR:2024:1662
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-11-2024
- Zaaknummer
23/02572
- Vakgebied(en)
Waterrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1662, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:2922
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:419
ECLI:NL:PHR:2024:419, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1662
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑07‑2023
- Vindplaatsen
Jurisprudentie Grondzaken 2025/7 met annotatie van N. Thorborg, R.C.K. van Andel
TvAR 2025/8216 met annotatie van W.J.E. Van der Werf
Uitspraak 15‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Goederenrecht. Geschil tussen eigenaren van waterperceel en eigenaren van aangrenzende recreatiewoningen over vraag of waterperceel openbaar water is. Relevantie van aan eigenaren van recreatiewoningen gerichte correspondentie waarin eigenaren van waterperceel hen verbieden om gebruik te maken van dat perceel.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02572
Datum 15 november 2024
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] , Zwitserland,
2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eisers] ,
advocaat: J.W. de Jong,
tegen
[verweerster] ,
gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster] ,
advocaat: P.A. Fruytier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen en rolbeslissing in de zaak C/17/165126 / HA ZA 19-21 van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2019, 20 november 2019, 4 december 2019 (rolbeslissing), 19 februari 2020 en 12 januari 2022;
b. de arresten in de zaak 200.309.194/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 augustus 2022 en 4 april 2023.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 4 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaat en mede door J.P. Jas.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eisers] zijn sinds 2007 eigenaar van een perceel grond met daarop een recreatiewoning aan het adres [a-straat 1] te [plaats] , dat op onderstaande tekening1.
is aangeduid met “ [001] ”.

(ii) [eisers] zijn tevens eigenaar van een perceel grond met water (hierna: perceel [002] of de strook). Dit betreft een strook grond met water van zes meter breed direct naast hun recreatiewoning, die onderdeel vormt van een grotere strook grond met water (hierna: de opvaart) en in een open verbinding staat met het [meer] en het [kanaal] /de [sloot] .
(iii) [verweerster] heeft in 2015 de eigendom van perceel [003] te [plaats] verworven met het doel om daarop twaalf recreatiewoningen te ontwikkelen. Daartoe is het perceel tijdens de procedure in eerste aanleg gesplitst in afzonderlijke percelen, waaronder de percelen [004] tot en met [015] , die allemaal grenzen aan de opvaart. Op de percelen [005] tot en met [015] (hierna: de andere percelen) zijn recreatiewoningen gebouwd. Deze zijn in 2020 verkocht aan derden. Perceel [004] is eigendom gebleven van [verweerster] .
(iv) Doordat het landgedeelte van perceel [003] is vergroot ten koste van het watergedeelte en er aanlegsteigers zijn gerealiseerd, is er geen bevaarbare ruimte meer tussen het landgedeelte van voormalig perceel [003] en de strook. De eigenaren van de nieuwe recreatiewoningen, die allen beschikken over pleziervaartuigen, moeten dus de strook bevaren om te komen van en te gaan naar het [meer] en het [kanaal] /de [sloot] .
(v) De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 9 oktober 2009 aan het bestuur van de Coöperatie Woningeigenaren “Waterpark [plaats] ” (hierna: de Coöperatie), het volgende geschreven:
“Eind augustus hebben cliënten de notulen ontvangen van de vergadering van 28 maart 2009. In deze notulen wordt vermeld dat cliënten de navolgende mededeling zouden hebben gedaan:“Bovendien stellen genoemde eigenaren dat zij voor wat de bewoners van de [a-straat] betreft gedogen dat hun eigendom, zijnde een lange en smalle reep grond met water, lopend vanaf hun huis tot aan de zuidelijke punt van de grond van [betrokkene 1] , “overvaren” wordt.”
Cliënten hebben een dergelijke toestemming nimmer gegeven, laat staan dat een dergelijke mededeling (ter vergadering) is gedaan. Ik verzoek u dan ook om de notulen te rectificeren in zoverre dat voornoemde mededeling uit de definitieve versie van de notulen wordt verwijderd.”
(vi) Bij brief van 4 november 2010 aan het bestuur van de Coöperatie heeft de advocaat van [eisers] het volgende geschreven:
“Inmiddels zijn de notulen van de ledenvergadering van 27 maart jl. ontvangen. (...) Cliënten moeten wederom constateren dat de notulen niet weergeven datgene wat er die avond is besproken. (…) Om eventuele onduidelijkheden te voorkomen, breng ik nogmaals het navolgende onder uw aandacht. (...)(…)Cliënten hebben nimmer hun toestemming gegeven aan andere eigenaren om de hun toebehorende strook water (kadastraal bekend als nummer [002] ) te bevaren. Evenmin hebben zij aangegeven het bevaren door andere eigenaren te (zullen) gedogen. Voorzover in de notulen de suggestie wordt gewekt dat hiervan sprake zou zijn, is dit pertinent onjuist. Cliënten hebben het voorgaande herhaaldelijk op ledenvergaderingen te berde gebracht. Echter, hun mededelingen hieromtrent worden niet (danwel op onjuiste wijze) in de notulen opgenomen. Om die reden zien cliënten zich genoodzaakt hun standpunt in de onderhavige brief nogmaals tot uitdrukking te brengen. Bij de overige leden van de Coöperatie Woningeigenaren “Waterpark [plaats] ” U.A. wordt een kopie van deze brief in de brievenbus gedaan.”
(vii) Bij brief van 16 juli 2019 heeft de advocaat van [eisers] het volgende geschreven aan [betrokkene 2] , eigenaar van [a-straat 2] :
“Mijn cliënten namen via de raadsman van [ [verweerster] ] kennis van uw brief (...). Hierin heeft u verklaard dat u al gedurende circa 20 jaar zowel privé als zakelijk gebruikt maakt van het meest westelijke vaarwater op de [a-straat] , ter plaatse van het projectland voor de 12 recreatiewoning[en]. (...)
Het perceel is privé-eigendom en is – naar het oordeel van mijn cliënten – niet openbaar toegankelijk. (…)Mijn cliënten hebben nooit opgemerkt dat u hun perceel heeft overvaren, maar uit uw verklaring blijkt dat u dit toch sinds jaar en dag doet. Mijn cliënten hebben u hiervoor geen toestemming gegeven en zullen dat ook niet doen.”
(viii) In een brief van 16 juli 2019 aan [hostel] heeft de advocaat van [eisers] het volgende geschreven:
“Mijn cliënten namen (...) kennis van uw brief (...). Hierin heeft u verklaard dat u sinds jaar en dag gebruik maakt van het vaarwater op de [a-straat] ten behoeve van uw
zeilschool. (...)Mijn cliënten hebben nooit opgemerkt dat u hun perceel heeft overvaren met uw zeilschool, maar uit uw verklaring blijkt dat u dit toch sinds jaar en dag doet. Mijn cliënten hebben u hiervoor geen toestemming gegeven en zullen dat ook niet doen.”
(ix) Bij brief van 24 juni 2020 aan het Recreatieschap voor het Friesche Waterland “De Marrekrite” heeft de advocaat van [eisers] het volgende geschreven:
“Mijn cliënten hebben onlangs vastgesteld dat medewerkers (...) af en toe hun perceel overvaren. (...) Ik verzoek, en voor zover nodig, sommeer u om het perceel vanaf heden niet meer te overvaren.”
2.2
[verweerster] heeft in eerste aanleg gevorderd te verklaren voor recht dat de eigenaar van perceel [003] en de toekomstige eigenaren van de op perceel [003] nieuw te bouwen recreatiewoningen vrij gebruik hebben van perceel [002] om via dit perceel met gebruik van vaartuigen te komen van, en te gaan naar, het om perceel [003] liggende vaarwater, alsmede [eisers] te verbieden om dit vrije gebruik van perceel [002] op wat voor wijze dan ook te beperken of te belemmeren. De rechtbank heeft bij eindvonnis de vorderingen, na herformulering ter aansluiting bij de tijdens de procedure gewijzigde eigendomssituatie (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)), toegewezen.
2.3
In hoger beroep heeft [verweerster] haar eis in die zin gewijzigd dat – voor zover in cassatie van belang – voor recht wordt verklaard als hiervoor in 2.2 bedoeld jegens [verweerster] als eigenaar van perceel [004] en als lasthebber van de eigenaren van de andere percelen en dat [eisers] wordt verboden als hiervoor in 2.2 bedoeld jegens [verweerster] als eigenaar van perceel [004] en als lasthebber van de eigenaren van de andere percelen. Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en de gewijzigde vorderingen toegewezen.2.Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
Voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, is het feitelijke gebruik van het water bepalend. Indien daaruit blijkt dat een ieder gebruik kan maken van het water, is het water openbaar. Ook het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar van een openbaar water moet dulden als normaal gebruik, is afhankelijk van het feitelijke gebruik en de overige omstandigheden. (rov. 3.10 en 3.18)
[eisers] wijzen onder meer op de correspondentie waarin zij de geadresseerden erop wijzen dat vrije doorvaart niet was toegestaan. Met een beroep op de wetsgeschiedenis voeren [eisers] aan dat wanneer doorvaart door hen is verboden, niet meer wordt toegekomen aan de vraag of sprake is van een zodanig feitelijk gebruik dat het water openbaar is (geworden) voor (in dit geval) pleziervaartuigen. Het hof onderschrijft deze uitleg van de bedoeling van de wetgever niet. De omschrijving in de wetsgeschiedenis van de als derde categorie aangemerkte openbare wateren – dat wil zeggen die voor het publiek toegankelijk zijn bijvoorbeeld om er te vissen of te zwemmen, maar waar schepen en jachten niet kunnen komen, hetzij ten gevolge van ondiepten, hetzij omdat doorvaart verboden is – laat onverlet dat het feitelijk gebruik bepalend is. (rov. 3.11-3.12)
Wat de correspondentie betreft waarmee [eisers] hebben geprobeerd het door hen veronderstelde verbod te handhaven in weerwil van het hun gebleken feitelijke gebruik, stelt het hof vast dat die pogingen reeds vruchteloos afketsen op het feitelijke gebruik dat door pleziervaartuigen van de opvaart en van de strook werd en wordt gemaakt (rov. 3.15).
Een eenmalig gebruik van een waterperceel met een pleziervaartuig leidt niet reeds tot openbaarheid van dat water. De afbakening tot – en van – het per definitie beperkte (want weersgebonden) pleziervaartseizoen is niet van betekenis voor de vraag of sprake is van een zodanig feitelijk gebruik – dat wil zeggen: met enige duurzaamheid en frequentie of kortweg: ‘geregeld gebruik’ – dat het water als openbaar moet worden gekwalificeerd. (rov. 3.21)
Het komt ten slotte aan op de vraag of de strook als geheel beschouwd met enige duurzaamheid en frequentie – ‘geregeld’ – feitelijk is gebruikt en daarmee als openbaar heeft te gelden. (rov. 3.25)
De rechtbank heeft op grond van de getuigenverklaringen gemotiveerd overwogen dat de strook en opvaart feitelijk geregeld zijn gebruikt. Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de rechtbank aan en maakt ze tot de zijne. (rov. 3.26-3.27)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 2.1 van het middel is gericht tegen rov. 3.10-3.12, 3.15, 3.18, 3.21 en 3.25. Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof met die overwegingen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de wijze waarop moet worden beoordeeld of water openbaar is. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat feitelijk gebruik van een water in strijd met een verbod dan wel het onthouden van toestemming door de eigenaar (in beginsel) niet kan meebrengen dat water openbaar is of wordt en dat dergelijk (onrechtmatig) gebruik bij die beoordeling (in beginsel) buiten beschouwing moet blijven. Het onderdeel klaagt voorts dat onbegrijpelijk is waarom de namens [eisers] gestuurde correspondentie naar het oordeel van het hof niet heeft verhinderd dat het gebruik dat van de strook is gemaakt in strijd met het in die correspondentie genoemde verbod, toch zou meebrengen dat de strook openbaar vaarwater3.is (geworden). Het hof had althans, gelet op de daarop gerichte stellingen van [eisers] , (nader) moeten motiveren waarom het toch meent dat [eisers] met hun correspondentie het door hen gestelde verbod niet konden handhaven, aldus nog steeds onderdeel 2.1.
3.2
De wet bevat geen algemene regels aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een waterperceel openbaar is. Voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, is het feitelijke gebruik van het water bepalend. Indien daaruit blijkt dat een ieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar.4.
3.3
De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten falen. Het hof heeft, naar blijkt uit rov. 3.10 en rov. 3.18, de juiste, hiervoor in 3.2 genoemde, maatstaf gehanteerd bij de beoordeling of de strook openbaar water is. Hierbij sluit aan het in rov. 3.15 besloten liggende oordeel dat de hiervoor onder 2.1 onder (v) tot en met (ix) genoemde brieven, waarin aan de leden van de Coöperatie en enkele derden toestemming wordt onthouden om gebruik te maken van de strook, voor die beoordeling niet van belang zijn. Dat [eisers] geen toestemming geven voor het gebruik van de strook, zoals blijkt uit die brieven, is voorts niet voor een ieder kenbaar. Daaraan doet niet af dat in dit geval mogelijk vooral de eigenaren van de omliggende recreatiewoningen gebruik zullen maken van het perceel en dat zij naar aanleiding van de brieven op de hoogte zullen zijn van het ontbreken van toestemming van [eisers] voor dat gebruik. Uit de door het hof in rov. 3.27 genoemde getuigenverklaringen blijkt immers dat de strook ook door anderen wordt bevaren.
3.4
Opmerking verdient dat de eigenaar van een niet afgesloten waterperceel die op duidelijke wijze, bijvoorbeeld door middel van daartoe bestemde ter plaatse aangebrachte borden, aan het publiek kenbaar maakt dat het niet is toegestaan om zich zonder zijn toestemming op het perceel te bevinden, aldus kan voorkomen dat het waterperceel openbaar wordt (art. 5:22 BW). Daarvoor is nodig dat de kennisgevingen niet pas zijn aangebracht nadat het water door feitelijk gebruik openbaar is geworden. Indien een water eenmaal openbaar is, dient de eigenaar van dat water normaal gebruik daarvan te dulden.
3.5
Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 15 november 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑11‑2024
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2922.
Bedoeld zal zijn: openbaar water (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4.5).
Zie HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, rov. 3.2, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 5, p. 141.
Conclusie 12‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Goederenrecht. Vraag of een waterperceel openbaar is. Feitelijk gebruik. Beroep op verbod (correspondentie, bebording). Pleziervaart.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02572
Zitting 12 april 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
1. [eiser 1] (hierna: [eiser 1] )
2. [eiseres 2] (hierna: [eiseres 2])
(gezamenlijk hierna: [eiser], in mannelijk enkelvoud)
tegen
[verweester] B.V. (hierna: [verweester])
Inleiding
Deze zaak draait om de status van een waterperceel van [eiser] Is het een openbaar water of niet? In eerste aanleg en in hoger beroep is deze vraag bevestigend beantwoord. Daartegen komt [eiser] in cassatie op, m.i. zonder succes.
1. Feiten
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.2-2.14 van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden1.(hierna: het arrest respectievelijk het hof).
1.2
De in rov. 2.4 opgenomen uitsnede uit de kadastrale kaart is minder goed leesbaar.2.Ik vervang deze door de volgende, iets scherpere afbeelding.3.

1.3
[eiser] is sinds november 2007 eigenaar van een perceel grond met daarop een recreatiebungalow aan het adres [plaats] [a-straat 1] , kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] nummer [001] (rechtsboven in de afbeelding). Hij is tevens eigenaar van een perceel grond met water, kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] nummer [002] (diagonaal van linksonder, met een knik, naar rechtsboven in de afbeelding). Dit perceel [002] betreft een strook grond met water van zes meter breed (hierna: de strook) direct naast de recreatiewoning van [eiser] , die overloopt in een grotere strook grond met water (langs perceel [002] ) (hierna: de opvaart) en in een open verbinding staat tot het [meer] en het [kanaal] /de [sloot] .
1.4
[verweester] heeft in november 2015 de eigendom van (voormalig) perceel [003] verworven met het doel om daarop 12 recreatiewoningen te ontwikkelen. Daartoe is het perceel gesplitst in afzonderlijke percelen, te weten percelen [004] t/m [016] , [017] en [018] t/m [024] (ten noordwesten van perceel [002] ). Op de percelen [005] t/m [016] , die allemaal grenzen aan de opvaart, zijn recreatiewoningen gebouwd die tussen juni en december 2020 zijn verkocht aan derden. Alle eigenaars van deze woningen beschikken over pleziervaartuigen waarmee de opvaart wordt bevaren. Perceel [004] is in eigendom gebleven van [verweester] (rechtsboven in de afbeelding). Dit perceel grenst ook aan de opvaart, maar daarop wordt geen recreatiewoning gebouwd.
1.5
Doordat het landgedeelte van (voormalig) perceel [003] is vergroot ten koste van het watergedeelte en er aanlegsteigers in het watergedeelte zijn gerealiseerd, is er geen bevaarbare ruimte meer tussen het landgedeelte van (voormalig) perceel [003] en perceel [002] . Om te komen en te gaan naar het [meer] en het [kanaal] /de [sloot] moeten de eigenaars van de nieuwe recreatiewoningen dus perceel [002] overvaren.
1.6
Een brief van 9 oktober 2009 van de advocaat van [eiser] aan het bestuur van de Coöperatie Woningeigenaren “Waterpark Heeg” (hierna: het bestuur respectievelijk de coöperatie) houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Eind augustus hebben cliënten de notulen ontvangen van de vergadering van 28 maart 2009. In deze notulen wordt vermeld dat cliënten de navolgende mededeling zouden hebben gedaan:
“Bovendien stellen genoemde eigenaren dat zij voor wat de bewoners van de [plaats] betreft gedogen dat hun eigendom, zijnde een lange en smalle reep grond met water, lopend vanaf hun huis tot aan de zuidelijke punt van de grond van [betrokkene 1] , “overvaren” wordt.”
Cliënten hebben een dergelijke toestemming nimmer gegeven, laat staan dat een dergelijke mededeling (ter vergadering) is gedaan. Ik verzoek u dan ook om de notulen te rectificeren in zoverre dat voornoemde mededeling uit de definitieve versie van de notulen wordt verwijderd.”
1.7
Het jaar daarop heeft de advocaat van [eiser] aan het bestuur bij brief van 4 november 2010, voor zover van belang, het volgende geschreven:
“Inmiddels zijn de notulen van de ledenvergadering van 27 maart jl. ontvangen. (…) Cliënten moeten wederom constateren dat de notulen niet weergeven datgene wat er die avond is besproken. Evenmin wordt de inhoud van de brieven die ondergetekende namens cliënten heeft verzonden op juiste wijze weergegeven. Cliënten vinden het flauw dat de door hun gemaakte opmerkingen niet danwel onjuist worden weergegeven in de notulen. Om eventuele onduidelijkheden te voorkomen, breng ik nogmaals het navolgende onder uw aandacht. (…)
Op deze kaart is goed te zien dat de strook grond/water (kadastraal bekend als nummer [002] ) geen onderdeel uitmaakt van de Coöperatie Woningeigenaren “Waterpark Heeg” U.A. In hun hoedanigheid van eigenaren van deze strook grond/water zijn cliënten dan ook niet lid van de Coöperatie.
Cliënten hebben nimmer hun toestemming gegeven aan andere eigenaren om de hun toebehorende strook water (kadastraal bekend als nummer [002] ) te bevaren. Evenmin hebben zij aangegeven het bevaren door andere eigenaren te (zullen) gedogen. Voorzover in de notulen de suggestie wordt gewekt dat hiervan sprake zou zijn, is dit pertinent onjuist. Cliënten hebben het voorgaande herhaaldelijk op ledenvergaderingen te berde gebracht. Echter, hun mededelingen hieromtrent worden niet (danwel op onjuiste wijze) in de notulen opgenomen. Om die reden zien cliënten zich genoodzaakt hun standpunt in de onderhavige brief nogmaals tot uitdrukking te brengen. Bij de overige leden van de Coöperatie Woningeigenaren “Waterpark Heeg” U.A. wordt een kopie van deze brief in de brievenbus gedaan.”
1.8
De notulen van de vergadering van de coöperatie van 26 maart 2011 houden onder meer het volgende in:
“7. Recht van overvaart in het algemeen en in het Waterpark Heeg in het bijzonder
Bij de uitnodiging en agenda voor de onderhavige Algemene Ledenvergadering trof u een notitie aan inzake Openbaar Vaarwater, mede naar aanleiding van (…) [het hof heeft hier toegevoegd: de hiervoor aangehaalde brief van 4 november 2010 namens [eiser] , A-G], ter zake van het (niet mogen c.q. niet gedogen van het) bevaren van bedoelde strook water, welke bij hen in eigendom is. In de notitie is de passage uit de reactienota van de gemeente Wymbritseradiel in het kader van (hun bezwaar tegen het) Bestemmingsplan van 12 recreatiewoningen te Heeg weergegeven, waarin onder meer wordt gerefereerd aan de vaste jurisprudentie, inhoudende dat “een (vaar)water openbaar is wanneer de bestemming zo luidt of wanneer dat af te leiden is van het feitelijk gebruik”. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juni 1951, NJ 1951, nr. 616, een definitie gegeven van openbaar vaarwater en bepaald dat daaronder ook vallen “de stromen, die slechts door pleziervaartuigen worden bevaren en de niet-stromende wateren, die openstaan voor beroeps- of pleziervaart” alsook “de wateren waar schepen en jachten niet kunnen komen, hetzij tengevolge van ondiepten, hetzij omdat doorvaart verboden is, maar die toch voor het publiek toegankelijk zijn om er bijvoorbeeld te vissen of te zwemmen”. De toenmalige gemeente Wymbritseradiel concludeerde dat gemeld perceel water derhalve als openbaar (vaar)water moet worden aangemerkt.
Op voorstel van de vergadering (…) wordt bij acclamatie besloten dat het bestuur de nodige juridische en/of praktische initiatieven zal nemen indien het op enigerlei wijze nodig zou zijn dat betreffende strook water gebaggerd zou moeten worden en/of de bevaarbaarheid van betreffende strook water op andere wijze in het geding zou komen.”
1.9
Bij brief van 29 oktober 2010 heeft de advocaat van [eiser] aan [verweester] onder meer het volgende laten weten:
“Als besproken zend ik u bijgaand aan de hand van de tekening het perceel grond, met daarop water, dat in eigendom toebehoort aan mijn cliënten. (…) Zij verlenen geen toestemming om daarop baggerwerkzaamheden uit te voeren.”
1.10
[betrokkene 2] , eigenaar van [plaats] [a-straat 2] , heeft bij brief van 10 april 2019 het volgende aan [verweester] bericht:
“Naar aanleiding van onze gesprekken hieromtrent deel ik u mede dat er in het verleden (zolang het water daar ligt, nu zo’n 20 jaar) nooit door iemand is gezegd of is aangegeven dat het verboden was om in die opvaart te varen, te manoeuvreren of aan te leggen en/of op/af te stappen. We hebben er al die jaren vrij gebruik van kunnen maken zowel privé, zakelijk alsmede door onze accommodatie-gasten en ook in mijn hoedanigheid als kapitein van het historisch rondvaartschip de “ [naam] ” heb ik daar passagiers naar toe gevaren en op en af laten stappen.
Het is in mijn perspectief dus nooit iets anders geweest dan een weliswaar doodlopend maar wel openbaar stuk vaarwater.”
1.11
Bij brief van 16 juli 2019 aan [betrokkene 2] heeft de advocaat van [eiser] , voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Mijn cliënten namen via de raadsman van [verweester] BV kennis van uw brief (…). Hierin heeft u verklaard dat u al gedurende circa 20 jaar zowel privé als zakelijk gebruikt maakt van het meest westelijke vaarwater op de [plaats] , ter plaatse van het projectland voor de 12 recreatiewoning[en]. (…)
Het perceel is privé-eigendom en is - naar het oordeel van mijn cliënten - niet openbaar toegankelijk. Tot enkele jaren geleden heeft er ook altijd een bord gehangen aan het begin van de opvaart, waaruit blijkt dat het water privéterrein betreft en dat het verboden is om in te varen. Een foto van dat bord heb ik eveneens bijgevoegd (bijlage 4).
Mijn cliënten hebben nooit opgemerkt dat u hun perceel heeft overvaren, maar uit uw verklaring blijkt dat u dit toch sinds jaar en dag doet. Mijn cliënten hebben u hiervoor geen toestemming gegeven en zullen dat ook niet doen.
Voorts verzoek, en voor zover nodig, sommeer ik u om het perceel vanaf heden niet meer te overvaren. Indien dat toch gebeurt, zullen mijn cliënten in rechte een met een dwangsom te sanctioneren verbod vorderen.”
1.12
Bij brief van 29 maart 2019 heeft [betrokkene 3] , hostelmanager van [hostel] , het volgende aan [verweester] laten weten:
“Met enige verbazing heb ik onlangs kennis genomen van het feit dat het vaarwater op de [plaats] , tegenover ons bedrijf, [hostel] , geen openbaar vaarwater zou zijn. Wij hebben, sinds jaar en dag, gebruik gemaakt van dit vaarwater, zeker bij “slecht weer”. Zowel voor onze zeilschoolcursisten als onze schoolgroepen is dit altijd een prachtige uitvalsbasis geweest, met name, met harde wind. Wij zijn er nooit op gewezen dat dit niet toegestaan zou zijn.”
1.13
In een brief van 16 juli 2019 aan [hostel] heeft de advocaat van [eiser] , voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Mijn cliënten namen (…) kennis van uw brief (…). Hierin heeft u verklaard dat u sinds jaar en dag gebruik maakt van het vaarwater op de [plaats] ten behoeve van uw zeilschool.
(…)
Mijn cliënten hebben nooit opgemerkt dat u hun perceel heeft overvaren met uw zeilschool, maar uit uw verklaring blijkt dat u dit toch sinds jaar en dag doet. Mijn cliënten hebben u hiervoor geen toestemming gegeven en zullen dat ook niet doen.”
Voor het overige luidt deze brief (nagenoeg) gelijk aan de brief aan [betrokkene 2] als aangehaald onder 1.11 hiervoor.
1.14
Bij eveneens (voor het overige) gelijkluidende brief van 24 juni 2020 aan het Recreatieschap voor het Friesche Waterland “De Marrekrite” heeft de advocaat van [eiser] , voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Mijn cliënten hebben onlangs vastgesteld dat medewerkers (…) af en toe hun perceel overvaren. (…) Ik verzoek, en voor zover nodig, sommeer u om het perceel vanaf heden niet meer te overvaren.”
1.15
Aan de steiger van de recreatiewoning op nr. [1]4.heeft tot 2017 de volgende bebording (twee borden) gehangen met daarop de volgende tekst:5.

2. Procesverloop
In eerste aanleg
2.1
Bij dagvaarding van 21 januari 2019 heeft [verweester] bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Zij heeft een verklaring voor recht en een dienovereenkomstig verbod gevorderd, met de strekking dat de eigenaar van het (toenmalige) perceel [003] en de toekomstige eigenaren van de op perceel [003] nieuw te bouwen recreatiebungalows vrij gebruik hebben van perceel [002] om via dit perceel met gebruik van vaartuigen te komen van, en te gaan naar, het om perceel [003] liggende vaarwater.
2.2
[eiser] heeft op 10 april 2019 een conclusie van antwoord genomen.
2.3
Op 11 juli 2019 heeft een descente en comparitie plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten mede toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Van de descente en comparitie is een kort proces-verbaal opgemaakt en ook een uitgebreider, aanvullend proces-verbaal.
2.4
Op 20 november 2019 heeft de rechtbank een tussenvonnis uitgesproken,6.waarin zij onder meer [verweester] heeft opgedragen te bewijzen dat er sprake is van een feitelijke situatie waarbij (plezier)vaartuigen geregeld gebruikmaken van perceel [002] indien zij in de opvaart varen. Partijen hebben nadien nog diverse stukken gewisseld. Op instigatie van [eiser] is de rechtbank in een tussenvonnis van 19 februari 20207.teruggekomen van (“op”) een overweging uit het hiervoor bedoelde tussenvonnis. In cassatie is dit niet van belang.
2.5
Op 20 oktober 2020 en 23 februari 2021 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt. Partijen hebben conclusies na enquête genomen, gevolgd door een akte en antwoordakte.
2.6
De rechtbank heeft in het eindvonnis van 12 januari 20228.(hierna: het eindvonnis) de onder 2.1 hiervoor bedoelde vorderingen van [verweester] , na herformulering van het gevorderde, toegewezen:
“3.1 verklaart voor recht dat de eigenaren van het perceel voorheen kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummer [003] , thans genummerd [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] , [015] en [016] , vrij gebruik hebben van perceel [002] om via dit perceel met gebruik van vaartuigen te komen van en te gaan naar het om hun percelen liggende vaarwater,
3.2
verbiedt [eiser 1] en [eiseres 2] en hun rechtsopvolgers het onder 3.1. bedoelde vrije gebruik van perceel [004] op wat voor wijze dan ook te beperken of te belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere overtreding die na betekening van dit vonnis plaatsvindt, met een maximum van € 10.000,00,”
In hoger beroep
2.7
Bij dagvaarding van 11 april 2022 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld van onder andere het eindvonnis.9.In die dagvaarding zijn ook grieven naar voren gebracht.
2.8
[verweester] heeft op 7 juni 2022 een memorie van antwoord genomen, die ook een eiswijziging bevat. [verweester] vordert volgens het daarin opgenomen petitum onder andere:
“1) Primair: te verklaren voor recht dat de eigenaren van percelen [gemeente] [sectie] [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] en [016] vrij gebruik hebben van perceel [gemeente] [sectie] [002] om via dit perceel met gebruik van pleziervaartuigen te komen van en te gaan naar het om perceel [002] liggende vaarwater;
Subsidiair: te verklaren voor recht jegens [verweester] als eigenaar van perceel [gemeente] [sectie] [004] en als lasthebber van de eigenaren van de percelen [gemeente] [sectie] [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] , dat de eigenaren van percelen [gemeente] [sectie] [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] vrij gebruik hebben van perceel [gemeente] [sectie] [002] om via dit perceel met gebruik van pleziervaartuigen te komen van en te gaan naar het om perceel [002] liggende vaarwater.
2) Jegens [verweester] als eigenaar van perceel [gemeente] [sectie] [004] en als lasthebber van de eigenaren van percelen [gemeente] [sectie] [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] het [eiser 1] en [eiseres 2] en hun rechtsopvolgers te verbieden het vrije gebruik van perceel [gemeente] [sectie] [002] , om via dit perceel met gebruik van pleziervaartuigen te komen van en te gaan naar het om perceel [gemeente] [sectie] [002] liggende vaarwater op wat voor wijze dan ook te beperken of te belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding die na betekening van dit vonnis plaatsvindt, met een maximum van € 10.000,-.”
2.9
[eiser] heeft in een akte van 5 juli 2022 bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging.
2.10
Op 13 februari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.11
In het arrest heeft het hof het eindvonnis vernietigd. Het hof heeft [verweester] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen voor zover die zijn ingesteld ten behoeve van de eigenaar van perceel [gemeente] [sectie] [016] , nu [verweester] geen lasthebber van deze is (zie 1 van het dictum en rov. 3.8). Het hof heeft de onder 2.8 hiervoor bedoelde eiswijziging van [verweester] toegelaten (rov. 3.9). Het dictum bevat onder meer het volgende:
“4. verklaart voor recht jegens [verweester] als eigenaar van perceel [gemeente] [sectie] [004] en als lasthebber van de eigenaren van de percelen [gemeente] [sectie] [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] , dat de eigenaren van percelen [gemeente] [sectie] [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] vrij gebruik hebben van perceel [gemeente] [sectie] [002] [lees: [002] , A-G] om via dit perceel met gebruik van pleziervaartuigen te komen van en te gaan naar het om perceel [002] [lees weer: [002] ] liggende vaarwater;
5. verbiedt [eiser] jegens [verweester] als eigenaar van perceel [gemeente] [sectie] [004] en als lasthebber van de eigenaren van percelen [gemeente] [sectie] [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] , [012] , [013] , [014] en [015] het vrije gebruik van perceel [gemeente] [sectie] [002] , om via dit perceel met gebruik van pleziervaartuigen te komen van en te gaan naar het om perceel [gemeente] [sectie] [002] liggende vaarwater, op wat voor wijze dan ook te beperken of te belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding die na betekening van dit vonnis plaatsvindt, met een maximum van € 10.000,-;”
In cassatie
2.12
Bij procesinleiding van 4 juli 2023 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. [verweester] heeft een verweerschrift ingediend en haar standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit een als zodanig aangeduide inleiding (onderdeel 1)10.en drie onderdelen met klachten (de onderdelen 2 t/m 4).
Onderdeel 2 (“De correspondentie van [eiser] verhinderde dat de strook openbaar werd; ten tijde van de correspondentie was de strook dat niet al”)
3.2
Dit onderdeel bestaat uit drie subonderdelen: 2.1 t/m 2.3.
3.2.1
Subonderdeel 2.1 is gericht tegen rov. 3.10, 3.11, 3.12, 3.15, 3.18, 3.21 en 3.25 van het arrest. De klachten komen neer op het volgende.
a. De oordeelsvorming aldaar geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de wijze waarop moet worden beoordeeld of water openbaar is. Het hof miskent dat feitelijk gebruik van een water in strijd met een verbod c.q. het onthouden van toestemming door de eigenaar (in beginsel) niet kan meebrengen dat dat water openbaar is of wordt. Dergelijk (onrechtmatig) gebruik moet bij die beoordeling (in beginsel) buiten beschouwing blijven. Gelet ook op het opschrift van onderdeel 2 en de eerste alinea van het subonderdeel heeft de klacht hier klaarblijkelijk de correspondentie zijdens [eiser] vanaf 2009 met bepaalde geadresseerden op het oog, waaruit zo’n verbod van althans het onthouden van toestemming door [eiser] zou blijken.
b. In ieder geval is onbegrijpelijk waarom de correspondentie zijdens [eiser] volgens het hof niet heeft verhinderd dat het gebruik dat van de strook is gemaakt in strijd met het in die correspondentie genoemde verbod, toch zou meebrengen dat de strook openbaar vaarwater is (geworden).
c. Althans had het hof, gelet op de daarop gerichte stellingen van [eiser] , zijn oordeel nader moeten motiveren om het begrijpelijk te doen zijn.
3.2.2
Subonderdeel 2.2 klaagt dat als het hof (in rov. 3.12, 3.15 en/of 3.16) heeft geoordeeld dat de strook al ten tijde van de eerste correspondentie zijdens [eiser] uit 2009 met daarin de mededeling dat vrije doorvaart niet was toegestaan openbaar vaarwater was (geworden), dit oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Verder wordt in dit verband geklaagd dat het hof bepaalde stellingen van [eiser] in zijn beoordeling had moeten betrekken. En gewezen op het “kennelijk naar aanleiding van” die “stellingen van [eiser] ” door de rechtbank gegeven oordeel in rov. 2.12 van het eindvonnis.
3.2.3
Subonderdeel 2.3 klaagt dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat het feitelijke gebruik dat van de strook is gemaakt ná de eerste correspondentie zijdens [eiser] uit 2009 met de mededeling dat vrije doorvaart niet was toegestaan, (zelfstandig) heeft meegebracht dat de strook openbaar is (geworden), dit oordeel zonder (nadere) motivering onbegrijpelijk is. Daarbij wordt de correspondentie zijdens [eiser] vanaf 2009 weer ingeroepen.
Behandeling
3.3
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.4
Te beginnen met subonderdeel 2.1.
3.4.1
Klacht a verdedigt een rechtsopvatting die niet juist is. Bij de beoordeling of een water openbaar is, hoeft feitelijk gebruik van een water in strijd met een verbod c.q. het onthouden van toestemming door de eigenaar als bedoeld in de klacht - die dus steunt op genoemde, voor het publiek niet kenbare correspondentie zijdens [eiser] - niet buiten beschouwing te blijven. Ook niet in beginsel. Ik licht dit toe onder 3.4.2-3.4.11 hierna.
3.4.2
Vooropgesteld: ook voor een perceel waarop een water is gelegen, geldt in uitgangspunt dat de eigenaar daarvan met uitsluiting van eenieder mag gebruikmaken (art. 5:1 lid 2 BW). Deze exclusieve bevoegdheid omvat het gebruik van de ruimte boven de oppervlakte (art. 5:21 lid 1 BW) en daarom ook het wateroppervlak.11.De eigenaar van een erf, hier dus een waterperceel,12.is bevoegd dit af te sluiten (art. 5:48 BW). Of een concrete eigenaar dit laatste daadwerkelijk mag doen, hangt natuurlijk ook af van beperkte rechten, kwalitatieve verplichtingen, kettingbedingen en eventueel publiekrechtelijke regelingen.
3.4.3
Een discrepantie tussen perceel en perceptie kan zich echter snel voordoen waar het gaat om een water. Een water - zoals de opvaart - is optisch een geheel en de eventueel ‘daaronder liggende’ perceelgrenzen, die alleen juridisch bestaan, ziet men in beginsel niet. Art. 5:22 BW is hier allereerst van belang, nu daarin is bepaald dat wanneer een erf niet is afgesloten ieder zich erop mag begeven, tenzij de eigenaar (a) schade of hinder hiervan kan ondervinden13.of (b) op duidelijke wijze kenbaar heeft gemaakt, in het algemeen of in het bijzonder, dat het verboden is zonder zijn toestemming zich op het erf te bevinden.14.Deze bepaling is uitdrukkelijk ook geschreven voor waterpercelen.15.De eigenaar van een waterperceel wordt zo bezien dus voor de keuze gesteld om ófwel (i) het af te sluiten, ófwel (ii) duidelijk kenbaar te maken dat het gebruik ervan verboden is, ófwel (iii) in beginsel, behoudens de sub (a) bedoelde schade of hinder, te dulden dat anderen zich daarop begeven.
3.4.4
Volgens het slot van art. 5:22 BW geldt een en ander onverminderd hetgeen omtrent “openbare wegen” is bepaald. Voor zo’n openbare weg geldt op grond van de Wegenwet dat de eigenaar, die een particulier kan zijn, de gebruikers daarvan in beginsel niet zal kunnen weren.16.De Wegenwet geldt natuurlijk niet voor openbare wateren, de slotformule in art. 5:22 BW daarentegen logischerwijs wel, althans overeenkomstig.17.De eigenaar van een perceel onder een openbaar water heeft, ook als die eigenaar een particulier is, immers in ieder geval ‘normaal gebruik’ in beginsel te dulden.18.Dat moduleert dus óók de rechtsgevolgen van art. 5:22 BW (en overigens ook van art. 5:48 BW). Een voorbeeld in de wet is art. 5:40 BW (bespoeling, drenking van vee of andere dergelijke doeleinden).
3.4.5
Duidelijk is dat het hof in de onderhavige zaak niet toetst of het gaat om een openbaar vaarwater. Daarvoor is vereist dat het gaat om een openbaar water dat met enige duurzaamheid en frequentie voor het economisch vervoer van goederen en personen wordt gebruikt.19.Daarvan is in het arrest geen spoor te vinden. Het hof verwijst daarin ook niet naar die maatstaf. Dat de term ‘vaarwater’ niettemin voorkomt in het arrest komt door het gebruik van die term in de correspondentie tussen partijen en de formulering van [verweester] ’s vorderingen. Dat het hof die term ook kiest in het dictum, is een onvolkomenheid(je). Ik wijs erop dat het predicaat “openbaar vaarwater” verdergaande rechtsgevolgen heeft, in het bijzonder het vermoeden van art. 5:27 lid 1 BW dat de Staat daarvan eigenaar is. Daarvan blijft deze zaak weg.
3.4.6
Het gaat hier om de vraag naar openbaarheid van een water. Wanneer is een water openbaar? De openbaarheid van een water regardeert het publiek in algemene zin, dus niet bijvoorbeeld alleen ‘naburen’ als bedoeld in Titel 5.4 BW. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat “[e]en openbaar water in de zin van Boek 5 (…) ieder water [is], dat voor enig gebruik openstaat voor het publiek.”20.In het Staat/Kerkewaard-arrest heeft de Hoge Raad op basis van een andere, daarmee corresponderende passage uit de parlementaire geschiedenis21.overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, het feitelijke gebruik van het water bepalend is; indien daaruit blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar.22.
3.4.7
Is een water openbaar, dan dient vervolgens logischerwijs als vertrekpunt dat dit tegenover allen gelijkelijk geldt, dus een algemeen karakter heeft. Daarmee is intussen niet alles gezegd. Iets anders is bijvoorbeeld dat niet elk gebruik van een openbaar water is toegestaan. En dat een persoon onder omstandigheden misbruik kan maken van de uit de openbaarheid voortvloeiende bevoegdheid om het relevante (deel van het) water (op de toegestane wijze) te gebruiken (art. 3:13 BW). Kort en goed: dat een water openbaar is, betekent niet dat gebruikers ervan in dit verband ‘carte blanche’ hebben. In voorkomende gevallen kan ter zake recht worden gedaan, onrecht worden voorkomen.
3.4.8
Het gaat bij die openbaarheid van een water in termen van maatstaf dus, zo maak ik op uit de onder 3.4.6 hiervoor bedoelde parlementaire geschiedenis en rechtspraak, om de door het feitelijk gebruik van het water ingegeven gerechtvaardigde percepties van het publiek (“blijkt”) met betrekking tot eenieders mogelijkheid van het water gebruik te maken (“kan”). Belangwekkend in dit verband is het volgende uit de verslaglegging van een op 30 september 2022 (in de grote zittingszaal van de Hoge Raad) gehouden bijeenkomst van het Platform voor publiek- en privaatrecht in dialoog:23.
“In de nautische wereld waarin de deelnemer werkzaam is wordt gekeken naar water op de volgende manier. (…) Over de vraag of het water openbaar is of niet is men heel duidelijk: is het niet afgesloten, hangt er geen bordje, geen fysieke barrière, dan is het openbaar, direct.”
3.4.9
Is voor openbaarheid van een water ook een feitelijk gebruik van het water met enige duurzaamheid en frequentie vereist, zoals is bepleit in annotaties24.en door het hof onbestreden tot uitgangspunt is genomen in rov. 3.21-3.25? Indien de gerechtvaardigde percepties van het publiek omtrent eenieders mogelijkheid van gebruik van het water inderdaad beslissend zijn, zoals genoemde parlementaire geschiedenis en rechtspraak m.i. suggereren, dan zijn een zekere duurzaamheid en frequentie van het feitelijk gebruik van het water wel indicatief, maar niet per definitie nodig. In het licht van het citaat onder 3.4.8 hiervoor kan men ook vanuit praktisch opzicht een vraagteken plaatsen bij zo’n vereiste. Hoe dan ook: in cassatie moet het dus als onbestreden ervoor worden gehouden dat dit vereiste inderdaad geldt.
3.4.10
Zit ik met 3.4.8-3.4.9 hiervoor wat betreft de relevante maatstaf op het goede spoor dan heeft de eigenaar van een waterperceel de mogelijkheid om, vóórdat dat perceel openbaar wordt, door voor het publiek kenbare, duidelijke afsluiting ervan - en m.i. óók door voor het publiek kenbare, duidelijke kennisgevingen/markeringen25.- aan het publiek kenbaar te maken dat (een deel van) zijn perceel géén openbaar water is, waarmee (in zoverre) dat juridische predicaat dus kan worden voorkomen. Want het antwoord op de vraag of uit het feitelijke gebruik van het water blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken, en daarmee genoemde maatstaf, wordt naar mijn appreciatie óók gekleurd door de aan- dan wel afwezigheid van zo’n afsluiting en/of zulke kennisgevingen/markeringen. Dit mede in het licht van wat elders uit de parlementaire geschiedenis blijkt, te weten dat een openbaar water ieder water is dat voor enig gebruik “openstaat” voor het publiek. Zie onder 3.4.6 hiervoor. Ik lees in het daar ook genoemde Staat/Kerkewaard-arrest van de Hoge Raad niets wat hieraan in de weg staat.26.Een andere benadering zou tevens een niet te verwaarlozen beperking van het eigendomsrecht meebrengen,27.waarmee dan art. 1 EP EVRM zich zou doen voelen. Nu waterpercelen in particuliere eigendom eveneens onderhevig kunnen zijn aan openbaarheid,28.lijkt mij dat een niet te negeren aspect.
3.4.11
Hieruit volgt dat de in de klacht voorgestane opvatting, die aanmerkelijk verder en daarmee té ver gaat (zie onder 3.4.1 hiervoor), geen steun vindt in het recht.
3.4.12
Klacht b en klacht c lopen ook vast. Deze nemen eveneens tot uitgangspunt - gelijk klacht a - dat de correspondentie zijdens [eiser], dus vanaf 2009, van belang is bij de beantwoording van de vraag of het water boven perceel [002] een openbaar water is. Blijkens rov. 3.12 en in het bijzonder rov. 3.15 meent het hof evenwel, en terecht, dat die correspondentie daarbij zónder belang is. Zo’n correspondentie is - wat er verder van zij - voor het publiek immers niet kenbaar en kan reeds daarom, gezien 3.4-3.4.11 hiervoor, niet van invloed zijn op de openbaarheid van het water. Ik kan daarlaten of het hof daartoe ook deze redenering volgt. Waar het hier om gaat, is dat ’s hofs conclusie - die correspondentie is daarbij zónder belang - juist is. Bij die stand van zaken gaf deze correspondentie, alsmede daarop gerichte stellingen van [eiser] , het hof hoe dan ook geen reden zijn oordeel nog weer nader te motiveren. Iets anders geldt logischerwijs niet voor de stelling van [eiser] dat [verweester] en [betrokkene 2] ook uit een procedure bij de Raad van State wisten dat [eiser] - in genoemde correspondentie - de coöperatie en haar leden heeft laten weten dat de strook zijn eigendom is en deze niet zonder zijn toestemming mag worden overvaren. Daarom behoeven klacht b en klacht c geen verdere behandeling.
3.5
Dan subonderdeel 2.2.
3.5.1
Dit strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Ik licht dit toe.
3.5.2
Het subonderdeel veronderstelt dat het hof oordeelt dat de strook al ten tijde van de eerste correspondentie zijdens [eiser] in 2009 openbaar (vaar)water was (geworden). Ik lees zo’n oordeel nergens in het arrest: niet in de passages die het subonderdeel noemt (rov. 3.12, 3.15, 3.16, 3.25-3.27), noch elders.29.Zo’n oordeel hoefde het hof ook helemaal niet te geven om te kunnen komen tot toewijzing van [verweester] ’s vorderingen als vervat in het arrest. Daarvoor kon het hof volstaan, gelijk het klaarblijkelijk doet (en in bevestigende zin), met te beoordelen of de strook kwalificeert als openbaar water ten tijde van het door [eiser] gewraakte gebruik van de strook met pleziervaartuigen door de bewoners/gasten van de aan de oever van de opvaart gelegen recreatiewoningen die door [verweester] zijn gerealiseerd. Dit strookt eenvoudigweg met ’s hofs oordeel over “de inzet van dit geschil”,30.waarop het nadrukkelijk “de beoordeling van het feitelijke gebruik (…) toe[spitst]” (rov. 3.19). En met ’s hofs verwijzing naar “het zwaartepunt van het partijdebat”, dat zich “toespitst op de overlast die [eiser] ervaren als gevolg van de realisatie door [verweester] van de aan de opvaart gelegen recreatiewoningen” (rov. 3.29, tweede alinea; zie ook rov. 2.1, eerste alinea). Daarbij zij bedacht dat, naar het hof al optekent in de feitenvaststelling onder “De kern van de zaak”, de realisatie door [verweester] van deze recreatiewoningen eerst ná november 2015 heeft plaatsgevonden (rov. 2.1, 2.3-2.4).31.
3.6
Tot slot subonderdeel 2.3.
3.6.1
Dit strandt in het voetspoor van subonderdeel 2.1. Zie onder 3.4-3.4.12 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.7
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3 (“Een onbegrijpelijke uitleg van de verbodsborden”)
3.8
Dit onderdeel bestaat uit drie subonderdelen: 3.1 t/m 3.3.
3.8.1
Subonderdeel 3.1 valt rov. 3.13 van het arrest aan, waar het hof “overweegt” - zo het subonderdeel - dat de bebording, bevestigd aan de steiger van eigenaar [betrokkene 4] op nr. [1] , is voorzien van een voor interpretatie vatbare tekst die volgens het hof niet kan gelden als een voldoende duidelijke kennisgeving.
a. Het hof gaat ervan uit dat op het desbetreffende bord de tekst stond: “Privé terrein - Geen vrije doorgang” (onderstreping toegevoegd in het subonderdeel). Dit is onbegrijpelijk. Zoals het hof in rov. 2.14 heeft vastgesteld, stond op dit bord de tekst “Privé terrein - Geen vrije doorvaart” (idem). Bovendien blijkt van laatstgenoemde tekst uit de gedingstukken en is deze tussen partijen niet in geschil.
b. Gelet op de juiste tekst (doorvaart) is evenmin begrijpelijk dat deze tekst volgens het hof ook erop zou kunnen duiden dat het bord bedoeld was voor enkel het perceel van [betrokkene 4] , in die zin dat het daar voor derden verboden was aan te leggen (en kennelijk vervolgens over diens perceel te ‘gaan’). Een mededeling dat geen sprake is van vrije doorvaart zal immers geen betrekking hebben op aanleggen (en vervolgens over een perceel ‘gaan’).
c. Aangezien wat het hof in rov. 3.13 (voorts, zo begrijp ik) overweegt over het doodlopen van de opvaart eveneens is gebaseerd op een vergissing ten aanzien van de tekst op het bord, kan ook deze (mogelijke) uitleg niet in stand blijven.
3.8.2
Subonderdeel 3.2 klaagt dat onbegrijpelijk is ‘s hofs oordeel in rov. 3.13 dat het aan de steiger van [betrokkene 4] bevestigde bord voor meerdere interpretaties vatbaar is. Anders dan het hof overweegt, kan de tekst “Privé terrein - Geen vrije doorgang” in redelijkheid niet zo worden begrepen dat deze erop zou duiden dat de opvaart doodloopt. In ieder geval had het hof dit oordeel nader moeten motiveren. Het subonderdeel verwijst daarbij naar (i) een stelling van [eiser] en (ii) getuigenverklaringen.
3.8.3
Subonderdeel 3.3 klaagt dat in het licht van de in subonderdeel 3.2 bedoelde stelling en getuigenverklaringen ook onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof in rov. 3.17 dat de overige verbodsborden specifiek betrekking zouden hebben op de verschillende ligplaatsen, in plaats van op de gehele opvaart welke zij als verboden terrein markeren. In het subonderdeel wordt dat uitgewerkt.
Behandeling
3.9
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.10
Het onderdeel strandt reeds op een gebrek aan belang. Ik licht dit toe.
3.10.1
Het lijdt geen twijfel dat naar ’s hofs oordeel primair te gelden heeft dat, wat er verder zij van correspondentie/bebording, het feitelijke gebruik van het water (hier dus: de strook) bepalend is voor de beantwoording van de vraag of dat water openbaar is en daarbij aan dergelijke correspondentie/bebording hoe dan ook geen relevantie toekomt. Rov. 3.10-3.12 en 3.18 van het arrest spreken ter zake boekdelen.
3.10.2
Hieruit volgt dat het bij hetgeen het hof overweegt in rov. 3.13, inzake het door [eiser] gedane beroep op de in rov. 2.14 aangehaalde bebording als verbodsbord, gaat om overwegingen ten overvloede die hooguit subsidiair aan bod kunnen komen. Dat dit laatste het geval is, blijkt ook met zoveel woorden uit rov. 3.13, eerste zin (“Ten overvloede overweegt het hof”, etc.) en rov. 3.13, laatste zin (houdt het beroep op de bebording “(voor zover al relevant)”, etc.).32.
3.10.3
Hetzelfde geldt dan logischerwijs voor rov. 3.17, waar het hof - in zoverre onder het subopschrift “andere bordjes niet relevant” - nog ingaat op het argument van [eiser] dat de coöperatie bij alle opvaarten een verbodsbord heeft geplaatst met het doel duidelijk te maken dat het privéterrein is. Het is waar dat het hof daar alleen expliciteert waarom het niet inziet hoe dat anders te begrijpen dan bebording specifiek met betrekking tot de eigen aanlegplaatsen, in plaats van een manier om de gehele opvaart als (feitelijk) verboden terrein te markeren. Dit laat onverlet dat, mede gezien rov. 3.10-3.13, het ook hier in ’s hofs beoordeling klaarblijkelijk gaat om overwegingen ten overvloede die hooguit subsidiair aan bod kunnen komen.
3.10.4
Ik stel vast dat in de opzet van het arrest het onder 3.10.2-3.10.3 hiervoor bedoelde beroep/argument van [eiser] (dus betreffende de in rov. 2.14 aangehaalde bebording/de door de coöperatie geplaatste verbodsborden) reeds afketst op het onder 3.10.1 hiervoor bedoelde, primaire oordeel van het hof. Ik stel verder vast dat de procesinleiding, ook bij een uiterst welwillende lezing, geen klachten bevat tegen dit primaire oordeel van het hof.33.Ik stel ten slotte vast dat nu het onderdeel enkel ten strijde trekt tegen rov. 3.13 (de subonderdelen 3.1-3.2) en rov. 3.17 (subonderdeel 3.3), het reeds moet stranden op een gebrek aan belang.34.
3.10.5
Let wel, hiermee is niet gezegd dat bebording nooit in de weg kan staan aan de openbaarheid van een water. Zie onder 3.4.2-3.4.10 hiervoor. Dit doet evenwel niet af aan 3.10-3.10.4 hiervoor.
3.11
Ten overvloede: ook naar de inhoud bezien, treft het onderdeel geen doel. Ik licht weer toe.
3.12
Te beginnen met subonderdeel 3.1.
3.12.1
Klacht a ziet eraan voorbij dat het hof met het bestreden oordeel duidelijk niet iets anders op het oog heeft dan als reeds vastgesteld in rov. 2.14 van het arrest, al verwijst het daar - dus in rov. 3.13 - naar “doorgang” in plaats van doorvaart. We hebben het hier over een kennelijke verschrijving.
3.12.2
Klacht b ziet onder meer eraan voorbij dat het hof in het bestreden oordeel ook betrekt, en op niet onbegrijpelijke wijze, de tekst “Privé terrein” op de bebording als reeds vastgesteld in rov. 2.14 (en daarna ook de naast die tekst aangegeven snelheidsmaximering als reeds vastgesteld in rov. 2.14).
3.12.3
Klacht c bouwt voort op en deelt daarom in het lot van klacht a en/of klacht b, die dus beide falen. Zie onder 3.12.1-3.12.2 hiervoor.
3.13
Dan subonderdeel 3.2.
3.13.1
De in de eerste alinea vervatte klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en sub d Rv. Want het blijft daarin duister waarom de tekst “Privé terrein - Geen vrije doorgang”35.in redelijkheid niet kan worden begrepen zoals het hof doet in het arrest, terwijl zo’n toelichting wel aangewezen was: uit deze tekst volgt de door de klacht voorgestane uitleg ervan immers niet zonder méér.
3.13.2
Het beroep in de tweede alinea sub (i) op de stelling van [eiser] dat hier sprake is van een verbodsbord (verbod op doorvaart in de opvaart) biedt evenmin soelaas. Deze stelling - die het hof blijkens rov. 3.11-3.12 onderkent en verwerpt - gaf het hof geen reden het bestreden oordeel nog weer nader te motiveren, te minder in het licht van rov. 3.13 in totaliteit.36.Daar zet het hof afdoende navolgbaar uiteen, met kracht van argumenten en oog voor de gegeven omstandigheden, waarom de tekst op deze bebording objectief bezien niet kan gelden als voldoende duidelijke kennisgeving dat doorvaart in de opvaart verboden is. In het bijzonder gaat het om de omstandigheid dat de desbetreffende bebording is bevestigd (niet door [eiser] ) aan de steiger van eigenaar [betrokkene 4] op nr. [1] . Dat de opvaart (waaraan de recreatiewoningen zijn gelegen) doodloopt. Dat deze bebording bestaat uit twee borden, met de ook in rov. 2.14 al geciteerde teksten. En, kort gezegd, dat de woningeigenaren ter plaatse bekend mogen worden verondersteld met de op deze bebording vermelde snelheidsmaximering.
3.13.3
Het voorgaande wordt niet anders door het beroep in de tweede alinea sub (ii) op vier getuigenverklaringen waarin ten aanzien van genoemde bebording is gerept van “verbodsbord”/“verbodsbordje”. De eerste drie daarvan (die van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) reppen slechts in algemene zin over een verbodsbord(je). Bovendien heeft [eiser] in het kader van genoemde stelling slechts beroep gedaan op twee daarvan (die van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ), terwijl de ene zich dus beperkt tot een algemene verwijzing naar een verbodsbord ( [betrokkene 5] ) en de andere juist wijst op het doel “om mensen duidelijk te maken dat ze zich moeten houden aan de maximumsnelheid en ook dat het privéterrein is” ( [betrokkene 6] ). [betrokkene 6] verwijst daarbij dus generiek naar mensen, niet slechts naar de woningeigenaren.
3.14
Tot slot subonderdeel 3.3.
3.14.1
Het hof gaat in rov. 3.17 van het arrest, in zoverre onder het subopschrift “andere bordjes niet relevant”, in op het argument van [eiser] “dat de Coöperatie bij alle opvaarten een verbodsbord heeft geplaatst met het doel duidelijk te maken dat het privéterrein is.” Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof hier slechts het oog heeft op de onderhavige opvaart (zie onder 1.3 hiervoor) en de in rov. 2.14 bedoelde bebording, strandt het subonderdeel op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
3.14.2
Wat het hof oordeelt in rov. 3.17 wordt niet onbegrijpelijk door de in subonderdeel 3.2, tweede alinea sub (ii) bedoelde getuigenverklaringen, in het bijzonder die van [betrokkene 6] waarop het subonderdeel specifiek beroep doet. Uit die getuigenverklaring blijkt immers niet, anders dan het subonderdeel suggereert,37.dat volgens [betrokkene 6] “met de borden wordt bedoeld dat het gehele park inclusief het water privéterrein is.” Met wat [betrokkene 6] ter zake wel heeft verklaard, is hetgeen het hof overweegt in rov. 3.17 prima te rijmen.38.
3.14.3
Voor het overige loopt het subonderdeel vast op de veronderstelling dat bij alle opvaarten een bord is geplaatst dat vergelijkbaar is met de in rov. 2.14 bedoelde bebording. Daarvan maakt dus ook deel uit de snelheidsmaximering waarop het hof reeds wijst in rov. 3.13, en waarop ik al inging onder 3.14.2 hiervoor. In het licht daarvan is het evenmin onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.17 de desbetreffende bebording duidt als specifiek betrekking hebbend op de eigen aanlegplaatsen (“privéterrein”), in plaats van een manier om de gehele opvaart in kwestie als (feitelijk) verboden terrein te markeren.
3.15
Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4 (“ [betrokkene 2] was geen pleziervaart”)
3.16
Dit onderdeel bestaat uit één subonderdeel: 4.1. Het subonderdeel bevat twee klachten.
3.16.1
De eerst klacht behelst het volgende. Het hof oordeelt in het arrest “dat [eiser] moeten dulden dat perceel [002] wordt gebruikt voor pleziervaart, omdat het een openbaar water betreft (rov. 3.1).” In zijn motivering van dit oordeel stelt het hof voorop dat het feitelijk gebruik van een water bepalend is voor het antwoord op de vraag of dat water openbaar is, alsmede voor het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar moet dulden als normaal gebruik (rov. 3.10). Het hof spitst de beoordeling van het feitelijk gebruik vervolgens toe op het feitelijk gebruik door de bewoners van de recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen (rov. 3.19). In dit licht is onbegrijpelijk dat het hof het gebruik door [betrokkene 2] meeweegt bij de beoordeling of sprake is van openbaar water (rov. 3.23, 3.26, 3.27, 3.31 en 3.32) dat openbaar is voor pleziervaart (rov. 3.34). Het gebruik van de opvaart en (volgens het hof ook) de strook door [betrokkene 2] kan namelijk niet (zonder nadere motivering) begrijpelijk worden aangemerkt als pleziervaart. Uit de getuigenverklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] blijkt dat als [betrokkene 2] al gebruik maakte van de strook, dit gebruik steeds bedrijfsmatig is geweest, namelijk om met zijn pont (‘overzet’) gasten van de zeilschool over te zetten dan wel als kapitein van de historische rondvaartboot de [naam] . Ook [eiser] heeft het gebruik door [betrokkene 2] altijd in verband gebracht met de bedrijfsmatige vaart, namelijk in het kader van het overzetten van gasten van de door hem geëxploiteerde groepsaccommodatie. Gezien deze stelling van [eiser] en de eenduidige getuigenverklaringen had het hof zijn (kennelijke) oordeel dat het gebruik van de strook door [betrokkene 2] pleziervaart betrof (nader) moeten motiveren om het begrijpelijk te doen zijn.
3.16.2
De tweede klacht komt erop neer dat voor zover het hof niet heeft geoordeeld dat het gebruik door [betrokkene 2] pleziervaart betrof, onbegrijpelijk is dat het hof het gebruik door [betrokkene 2] dan niettemin heeft betrokken bij de beoordeling van het openbare karakter van de strook. Dit gezien ’s hofs oordeel dat die beoordeling moest worden toegespitst op het gebruik van de bewoners van de recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen (rov. 3.19) en dat het gaat om de beoordeling of de strook openbaar is voor pleziervaart (rov. 3.34).
Behandeling
3.17
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.18
Te beginnen met de eerste klacht.
3.18.1
Onder 3.18.2-3.18.10 hierna maak ik eerst enkele opmerkingen over het arrest. Onder 3.18.11 hierna keer ik terug naar de klacht.
3.18.2
Het hof komt onder meer tot het oordeel dat [eiser] moet dulden dat - conform de door [verweester] sub 2 subsidiair gevorderde verklaring voor recht - met pleziervaartuigen gebruik wordt gemaakt van diens perceel [002] , omdat dit een openbaar water betreft. Zie reeds de vooropstelling in rov. 3.1, die aansluit op het dictum (specifiek 4 en 5 daarvan).
3.18.3
In rov. 3.18 stelt het hof voorop dat het feitelijke gebruik van het water bepalend is voor de beantwoording van de vraag of dat water openbaar is, alsmede voor de duldplicht van de eigenaar van het desbetreffende openbare waterperceel. Dit volgt op rov. 3.10-3.17, waarnaar ik verwijs.
3.18.4
In rov. 3.19 overweegt het hof dat, aangezien de inzet van dit geschil (de duldplicht van [eiser] ter zake van) het gebruik van de strook door de bewoners/gasten van de desbetreffende recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen betreft, het hof de beoordeling van het feitelijke gebruik daarop toespitst.39.
3.18.5
In rov. 3.20 maakt het hof duidelijk dat het, alvorens in te gaan op de getuigenverklaringen ter zake van het feitelijke gebruik van perceel [002] , eerst het een en ander zegt in reactie op de meer algemene standpunten van [eiser] over de van belang zijnde aspecten bij de waardering van dat feitelijke gebruik. Daartoe dienen rov. 3.21-3.24, waarnaar ik verwijs.
3.18.6
In rov. 3.25 volgt de tussenstap dat, indachtig voorgaande overwegingen, het ten slotte aan komt op de vraag of de strook als geheel beschouwd met enige duurzaamheid en frequentie - ‘geregeld’ - feitelijk is gebruikt en daarmee als openbaar heeft te gelden.
3.18.7
In rov. 3.26 wijst het hof erop dat de rechtbank op grond van de verschillende getuigenverklaringen - van [betrokkene 2] die op een nabijgelegen eilandje een groepsaccommodatie exploiteerde en van de eigenaren van de recreatiewoningen met nr. [2] t/m [8] en [1] - gemotiveerd heeft overwogen dat de strook en opvaart feitelijk geregeld zijn gebruikt.
3.18.8
In rov. 3.27 citeert het hof uit rov. 2.9-2.11 van het eindvonnis. Blijkens de laatste zin van rov. 3.27 sluit het hof zich aan bij deze overwegingen van de rechtbank en maakt het deze tot de zijne. Tot deze overwegingen behoren de vaststelling in rov. 2.9 dat door [betrokkene 2]40.is verklaard dat hij “tot in 2020 heel vaak een plek in de opvaart bij de “rotonde” [gebruikte] om met zijn overzet aan te leggen”, en de volgende passage in rov. 2.11:
“De rechtbank is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen die aan de kant van [verweester] zijn afgelegd met een redelijke mate van zekerheid volgt dat de strook gedurende lange tijd voldoende vaak is/wordt gebruikt om als zodanig tot het oordeel van geregeld feitelijk gebruik te kunnen komen, ook indien er van moet worden uitgegaan dat het gebruik slechts "50/50" is, zoals [eiser 1] heeft verklaard. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de strook (althans delen daarvan) door de eigenaren van de woningen [2] tot en met [8] en [1] geregeld wordt gebruikt, door [betrokkene 2] (tot in de loop van 2020) gedurende circa 20 jaar zelfs vaak werd gebruikt en in mindere mate ook door passanten en af en toe door leerlingen en instructeurs van de zeilschool van [hostel] wordt benut. Dat het daarbij vooral of zelfs alleen gaat om vaarbewegingen tijdens het vaarseizoen spreekt voor zich nu het om pleziervaart gaat. (…).”41.[onderstreping toegevoegd, A-G]
3.18.9
In rov. 3.28 maakt het hof duidelijk nog te reageren op de verschillende bezwaren van [eiser] van algemene of terugkerende aard, zoals het hof deze heeft begrepen uit de toelichting op hun grieven. Daartoe dienen rov. 3.29-3.35, waarnaar ik verwijs.
3.18.10
In rov. 3.36 overweegt het hof dat het, net als de rechtbank, al met al van oordeel is dat voldoende is komen vast te staan dat sprake was van een zodanig feitelijk gebruik van de strook dat deze als openbaar water geldt.
3.18.11
Onder dit gesternte - dus van 3.18.2-3.18.10 hiervoor - keer ik terug naar de klacht. Met de klacht lees ik het arrest zo dat volgens het hof het aangehaalde gebruik van de strook door [betrokkene 2] viel in de categorie pleziervaart. Anders dan de klacht meen ik dat het hof dit oordeel niet (nader) diende te motiveren om begrijpelijk te doen zijn vanwege de in de klacht bedoelde stelling van [eiser] respectievelijk genoemde getuigenverklaringen. Uit het arrest blijkt duidelijk dat naar ’s hofs oordeel - in navolging van de rechtbank - tussen partijen niet in geschil was dat het feitelijke gebruik van de strook als betrokken door het hof op zichzelf viel in de categorie pleziervaart. Het hof wijst in het arrest nergens op zo’n geschilpunt, wel op vele andere (en daarop beslist het hof daarin ook telkens). Iets anders lees ik niet in de klacht. Voor zover de klacht aanvoert dat het hof in die stelling van [eiser] een grief ter zake had moeten lezen, loopt de klacht erop vast dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof dit niet doet. De vindplaatsen die de klacht daarbij noemt, voor zover al betrekking hebbend op het hoger beroep,42.lieten het hof de ruimte daartoe: zo’n grief staat daarin eenvoudigweg niet.43.De door de klacht genoemde getuigenverklaringen, waarin evenmin te lezen valt dat hier geen sprake zou zijn van pleziervaart, maken de uitkomst niet anders. Hierop ketst de klacht reeds af.
3.19
Tot slot de tweede klacht.
3.19.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want anders dan de klacht veronderstelt, oordeelt het hof dus wel dat het gebruik door [betrokkene 2] van de strook pleziervaart betrof. Zie onder 3.18.11 hiervoor.
3.20
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 4 faalt.
Slotsom
3.21
Het cassatiemiddel van [eiser] is derhalve vergeefs voorgesteld.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑04‑2024
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2922.
Dat geldt ook voor de iets ruimere uitsnede die is gehanteerd in eerste aanleg, zie Rb. Noord-Nederland 20 november 2019, zaak-/rolnummer: C/17/165126 / HA ZA 19-21, rov. 2.4.
Ontleend aan https://www.pdok.nl/. Zij is gelijkaardig aan door partijen ingebrachte afbeeldingen. [eiser] heeft op p. 5 van de procesleiding een uitgebreidere uitsnede weergegeven. [verweester] heeft in nr. 1 van haar schriftelijke toelichting eveneens een afbeelding opgenomen.
In de onder 1.2 hiervoor opgenomen afbeelding zijn de huisnummers weggelaten. Uit o.a. Rb. Noord-Nederland 20 november 2019, zaak-/rolnummer: C/17/165126 / HA ZA 19-21, rov. 2.4 en 2.6 blijkt dat nr. [1] perceel [025] of perceel [026] betreft.
Zoals weergegeven in rov. 2.14 van het arrest. Zie voor een duidelijke afbeelding van het bordje productie 1 bij de conclusie van antwoord van [eiser]
Zie Rb. Noord-Nederland 20 november 2019, zaak-/rolnummer: C/17/165126 / HA ZA 19-21.
Zie Rb. Noord-Nederland 19 februari 2020, zaak-/rolnummer: C/17/165126 / HA ZA 19-21.
Zie Rb. Noord-Nederland 12 januari 2022, zaak-/rolnummer: C/17/165126 / HA ZA 19-21.
Rov. 1.1 van het arrest vermeldt per abuis dat [verweester] (als eerste) hoger beroep heeft ingesteld.
In deze “Inleiding; aanleiding tot de procedure” wordt, onder verwijzing naar vindplaatsen in het procesdossier in feitelijke instanties, de voorgeschiedenis van de betrokken percelen en de onenigheid tussen partijen geschetst. In nr. 1.1 staat ook dat het oordeel van het hof dat perceel [002] openbaar vaarwater is, berust op een onjuiste rechtsopvatting over wanneer vaarwater openbaar is of wordt, althans niet toereikend is gemotiveerd, maar deze zeer algemeen geformuleerde klacht voldoet als zodanig niet aan de daaraan te stellen bepaaldheidseis.
Zie o.a. AG Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2021:356) voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, NJ 2022/194, onder 2.9. Dit betreft niet de eigendom van het water in de zin van art. 5:20 lid 1, aanhef en sub d BW (‘verticale natrekking’).
De termen ‘erf’ en ‘perceel’ vallen niet helemaal samen. Een erf is in de eerste plaats een ‘grondstuk’, dus inderdaad een perceel, waaronder uitdrukkelijk ook een waterperceel, maar in de tweede plaats eventueel ook een opstal, los van de grond. Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 123 (MvA II).
Volgens Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 129 (TM) “moet [het] uitgesloten zijn, dat het betreden de eigenaar schade of hinder kan opleveren”, maar geldt ook als criterium “of schade of hinder te vrezen is”. Ik begrijp dit zo dat de imperatief is: bij twijfel niet betreden. Is schade of hinder niet te verwachten, dan zal deze m.i. niet aan betreders kunnen worden tegengeworpen. Dan moet het erf maar worden afgesloten of van bordjes worden voorzien.
Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 129 (MvA II).
Zie specifieker voor openbaar vaarwater o.a. HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, NJ 2022/194, rov. 3.2-3.3, 4.2, 4.4. En voor openbare zaken, dus ook openbaar water in het algemeen, o.a. AG Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2021:356) voor dit Hoge Raad-arrest, onder 2.6-2.8.
Zie o.a. HR december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, NJ 2022/194, rov. 3.2.
Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 166 (TM).
Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 141 (TM), dat betrekking heeft op het eigendomsvermoeden van art. 5:28 lid 1 BW. Daar is te vinden: “Voor de toepasselijkheid van dit vermoeden is nodig dat de zaak door een openbaar lichaam wordt onderhouden, en dat de zaak openbaar is. Aan dit laatste vereiste is voldaan als de zaak feitelijk openbaar is, d.w.z. dat in beginsel een ieder van de zaak gebruik kan maken.”
Zie HR december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, NJ 2022/194, rov. 3.2.
Zie p. 126 in het verslag van L. Van den Eynde & J. Peters, in: Goederen met een publieke bestemming naar publiek- en privaatrecht: (private) eigendom en algemeen belang, Zutphen: Uitgeverij Paris 2023, p. 115-151.
Zie F.M.J. Verstijlen in nrs. 4-5 onder NJ 2022/194 en P.J. Huisman in nr. 4 onder hetzelfde Hoge Raad-arrest, maar dan in AB 2022/245.
In de parlementaire geschiedenis van art. 5:22 BW (waar het dus gaat om andere rechtsgevolgen) wordt melding gemaakt van “de bekende bordjes met: verboden toegang of toegang alleen voor houders van wandelkaarten.” Deze zijn, zo blijkt daar, in het kader van art. 5:22 BW “voldoende, mits die duidelijk kenbaar op de toegangswegen of aan de grens van het terrein zijn geplaatst.” Maar er staat óók nog het volgende: “Deze kennisgevingen zijn gebruikelijk om te beletten, dat een terrein of een deel daarvan openbare weg wordt; zij dienen echter ook om het betreden van niet-afgesloten terreinen te verbieden, ook al bestaat geen gevaar, dat deze openbare weg worden.” Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 129 (TM) en art. 4 lid 2-3 Wegenwet. Hoewel het daar dus gaat om het voorkomen van openbaarheid van een weg, ontgaat mij waarom dit niet op overeenkomstige wijze zou opgaan voor (een deel van) een water. In het geval dat leidde tot HR december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, NJ 2022/194 speelde die vraag niet en het lijkt mij sterk dat dit Hoge Raad-arrest op die vraag prejudicieert. Daarop wordt terecht gewezen in nr. 14 van de repliek van [eiser] (al kan dat in deze zaak, zo zal blijken, nergens toe leiden). Daar wijst hij ook op Hof Leeuwarden 6 november 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY2443, rov. 24, waarin te lezen is dat in het kader van de openbaarheidsvraag niet eraan voorbij kan worden gegaan dat door een getuige is verklaard dat er een bordje met de tekst “verboden toegang” bij de desbetreffende opvaart stond. Zie voorts H.Ph.J.A.M. Hennekens, Openbare zaken naar publiek- en privaatrecht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 29 (over openbare zaken in generieke zin, waarbij de auteur een onderscheid maakt tussen overheidslichamen en particulieren als eigenaars), p. 46-47 (over openbare wegen).
Zie ook de vorige noot.
Daarop is m.i. terecht gewezen door F.M.J. Verstijlen in nrs. 4-5 onder NJ 2022/194.
Dat wordt bijv. ook benadrukt door F.M.J. Verstijlen in nr. 7 onder een ander Hoge Raad-arrest, te weten HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1111, NJ 2022/352.
In de repliek van [eiser] , nr. 7 wordt ook met zoveel woorden onderkend dat een dergelijk oordeel niet (kenbaar) blijkt uit het arrest. Dit laat zien dat [eiser] het tegendeel, zoals nog voorgestaan in het subonderdeel, zelf eigenlijk niet gelooft.
Te weten “(de duldplicht van [eiser] ter zake van) het gebruik van de strook door de bewoners/gasten van de betreffende recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen”.
Aan dit een en ander wordt ten onrechte voorbijgegaan in de schriftelijke toelichting van [verweester] , nrs. 26-35. Overigens nog dit. (i) De in nr. 28 bedoelde leveringsakte komt niet, laat staan op hier relevante wijze, aan bod in het arrest. (ii) De laatste zin van rov. 3.12 behelst, anders dan wordt gesuggereerd in nrs. 31-32, niet een specifiek op het onderhavige geval toegespitst oordeel (laat staan een waaruit zou volgen dat de strook al vóór 2009 openbaar water betrof). (iii) In nrs. 33-34 wordt uit het oog verloren dat het hof met de laatste zin van rov. 3.27 niet ook rov. 2.12 van het eindvonnis afdekt, omdat de rechtbank daar ingaat op correspondentie van [eiser] aan de coöperatie en haar leden uit 2009-2010 die het hof in rov. 3.15 op andere grond al ter zijde heeft geplaatst. En omdat het hof zich dus ertoe beperkt te beoordelen of de strook kwalificeert als openbaar water ten tijde van het door [eiser] gewraakte gebruik van de strook met pleziervaartuigen door de bewoners/gasten van de aan de oever van de opvaart gelegen recreatiewoningen die door [verweester] zijn gerealiseerd.
Daarop sluit ook aan rov. 3.15, inzake het door [eiser] gedane beroep op de daarvóór al door het hof aangehaalde correspondentie zijdens [eiser] vanaf 2009 waarin de desbetreffende geadresseerden erop werden gewezen dat vrije doorvaart niet was toegestaan.
Iets anders blijkt evenmin uit de repliek van [eiser] , nrs. 13-17, waarin wordt ingegaan op de reactie van [verweester] op onderdeel 3 in haar schriftelijke toelichting, nrs. 36-49.
Zie ook de schriftelijke toelichting van [verweester] , nrs. 37-38.
Waarbij het hof dus met “doorgang” bedoelt: doorvaart. Zie onder 3.12.1 hiervoor.
De passage in rov. 3.13 die het subonderdeel eruit licht en geïsoleerd bestrijdt, is een onderdeel van rov. 3.13.
Redenerend vanuit een stellingname van [eiser] met die strekking.
Ik citeer [betrokkene 6] : “In het park zijn meer van zulke borden [als bedoeld in rov. 2.14, A-G], om mensen duidelijk te maken dat ze zich moeten houden aan de maximumsnelheid en ook dat het privéterrein is.” [onderstreping toegevoegd] Hij verwijst daarbij - als gezegd - dus generiek naar mensen, niet slechts naar de woningeigenaren. Hier doet weer opgeld wat het hof al overweegt in rov. 3.13: waartoe zou die snelheidsmaximering moeten dienen als het publiek de opvaart überhaupt niet zou mogen invaren, de woningeigenaren mogen immers ter plaatse bekend worden verondersteld. Zie ook onder 3.13.2-3.13.3 hiervoor.
In de laatste zin van rov. 3.21 memoreert het hof dat de inzet van het geschil beperkt is tot (de duldplicht ter zake van) het gebruik door pleziervaartuigen.
Als getuige zijdens [verweester] inzake het feitelijk gebruik van de strook.
Zie ook rov. 2.7-2.8 van het eindvonnis, waaronder: “Bij het waarderen van bewijs in een civiele zaak gaat het erom dat met een redelijke mate van zekerheid komt vast te staan dat het feitelijk juist is wat in de bewijsopdracht is vermeld, in dit geval dus of de strook geregeld wordt gebruikt door pleziervaartuigen.” In het vervolg van rov. 2.11 gaat de rechtbank nog nader in op de getuigenverklaring van [betrokkene 2] , waarnaar ik verwijs. Daarbij komt ook de onder 1.10 hiervoor bedoelde brief van [betrokkene 2] aan [verweester] van 10 april 2019 aan bod.
Zie de appeldagvaarding van [eiser] , nrs. 3.9-3.10, 4.34-4.39.
Ook niet indien gelezen in het licht van de vindplaatsen in eerste aanleg die het subonderdeel noemt: de pleitnota van [eiser] , nr. 7 en de conclusie na enquête van [eiser] , nrs. 5.17-5.20.
Beroepschrift 04‑07‑2023
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 4 juli 2023 |
Uiterste verschijndatum verweerster: | 2 augustus 2023 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eisers tot cassatie
Naam en woonplaats: | 1. [eiser 1], |
wonende te [woonplaats] (Zwitserland), | |
2. [eiseres 2], | |
wonende te [woonplaats], | |
hierna gezamenlijk: [eisers] c.s., | |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. J.W. de Jong, die door [eisers] c.s. als zodanig is aangewezen om hen in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. |
Bezuidenhoutseweg 57 | |
2594 AC DEN HAAG |
Verweerster in cassatie
Naam, vestigings- en woonplaats: | [verweester] B.V., |
gevestigd te [vestigingsplaats], | |
hierna: [verweester] | |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. R. Glas |
Kantoor en kantooradres advocaat: | DeHaan Advocaten en Notarissen |
Tesselschadestraat 10 | |
8913 HB Leeuwarden |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) |
Datum: | 4 april 2023 |
Zaaknummer: | 200.309.194/01 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in het bestreden arrest, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1. Inleiding; aanleiding tot de procedure
1.1
In deze zaak staat centraal of [verweester] en de kopers van door haar gerealiseerde recreatiewoningen mogen varen over een aan [eisers] c.s. toebehorende strook grond met daarop water met perceelnummer [001] (hierna: de strook). Voor het antwoord op deze vraag is bepalend of de strook openbaar vaarwater is. Het hof heeft geoordeeld dat dit het geval is. [eisers] c.s. menen dat dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting over wanneer vaarwater openbaar is of wordt, althans niet toereikend is gemotiveerd.
1.2
In 1979 is [betrokkene 1] eigenaar geworden van een eiland nabij [a-plaats].1. Het huidige perceel [001] (waaronder dus de strook) maakte deel uit van dit eiland. In 1996 heeft [betrokkene 1] een deel van zijn eiland, met perceelnummer [002], verkocht aan zijn vennootschap [A] B.V.2. Een deel van dit perceel [002] is in 1997 weer doorverkocht aan [B] BV, die het vervolgens weer verkocht aan [C] B.V.3. Met de verkoop van dit deel werd perceel [002] in tweeën gesplitst, zoals te zien is op onderstaande afbeelding. Het roze gearceerde deel, waartoe het huidige perceel [001] (de strook) behoort, bleef eigendom van [A] B.V.

1.3
Bij deze laatste verkoop in 1997 zijn over- en weer erfdienstbaarheden gevestigd.4. Deze rusten op een strook water van twaalf meter breed die ligt op de erfgrens tussen het roze en het geel gearceerde perceel.5. Op grond van deze erfdienstbaarheden verleenden de betrokken partijen elkaar over en weer het recht van vaarweg om te komen en te gaan naar het openbaar vaarwater.6. De rechtbank heeft echter — in hoger beroep onbestreden — vastgesteld dat dit recht van erfdienstbaarheid niet is gevestigd voor de erven waarop tegenwoordig de door [verweester] gerealiseerde recreatiewoningen staan (waarover hierna).7.
1.4
Op 24 augustus 2004 heeft [A] B.V. onder andere perceel [001] verkocht en geleverd aan (de vennootschap) [verweester].8. [verweester] heeft perceel [001] op diezelfde dag doorverkocht aan de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] voor een prijs van € 5.823,09.
1.5
In 2007 hebben [eisers] c.s. perceel [001] en perceel [004] gekocht van [naam 1] voor € 284.000.9. Op perceel [004] staat de recreatiewoning van [eisers] c.s.10. Perceel [001] ligt direct naast hun recreatiewoning en bestaat grotendeels uit grond met daarop water van ongeveer zes meter breed (de strook). Het water waarvan [eisers] c.s. eigenaar zijn, maakt deel uit van het water waarmee Waterpark [a-plaats] is ontsloten (in de stukken ook: de opvaart). De opvaart biedt toegang tot het omliggende water, de [sloot] en het [meer].11. Deze situatie wordt weergegeven op de onderstaande kadastrale kaart.12.

1.6
In het in 1997 verkochte gebied bevinden zich tegenwoordig de ten zuidoosten van de opvaart gelegen recreatiewoningen met nummer [9] t/m [29].13. Op grond van het toentertijd gevestigde recht van erfdienstbaarheid hebben de bewoners van deze woningen het recht om de strook te bevaren, om zo het openbare vaarwater te bereiken (o.a. het [meer]). Ten tijde van de koop van het perceel wisten [eisers] c.s. dus dat dat er een vastomlijnd aantal personen was dat, op grond van een beperkt recht, gebruik mocht maken van de strook.
1.7
[eisers] c.s. bleek echter dat de strook soms ook door anderen werd bevaren, die geen recht van erfdienstbaarheid hadden. Zij hebben daarom bij brieven van 9 oktober 2009 en 10 november 2010 aan alle leden van de Coöperatie Woningeigenaren ‘Waterpark [a-plaats]’ laten weten dat de strook niet openbaar is en dat het niet is toegestaan om daar te varen.14.
1.8
In 2015 heeft [verweester] perceel [003] verworven.15. Dit perceel, ten noordwesten van de strook, bestond toen nog deels uit land en deels uit water. Het water van [verweester] grensde aan de strook. [verweester] kocht perceel [003] om daarop twaalf recreatiewoningen te ontwikkelen.16. Daartoe is het perceel gesplitst. Op de percelen die grenzen aan de opvaart ([005] t/m [016]17.) heeft [verweester] recreatiewoningen gebouwd en vervolgens verkocht.18. [verweester] procedeert in deze procedure mede als lasthebber voor de (meeste) nieuwe eigenaren van deze recreatiewoningen.19.
1.9
Een belangrijk pijnpunt voor [eisers] c.s. in deze procedure is dat [verweester] het water van de percelen waarop zij woningen heeft gebouwd, heeft gedempt. Daardoor is het landgedeelte van deze percelen vergroot ten koste van het watergedeelte.20. In het nog resterende water heeft [verweester] bovendien steigers geplaatst.21. Hierdoor kon [verweester] de recreatiewoningen voor een zo hoog mogelijke prijs verkopen, wat zij deed met de belofte dat de nieuwe bewoners vanaf hun perceel met steiger vrije toegang zouden hebben tot het [meer].
1.10
Als gevolg van [verweester]'s bouwdrift is het [meer] slechts nog te bereiken door over de strook te varen. [verweester] wist echter heel goed dat [eisers] c.s. daarvoor geen toestemming hadden verleend. Zoals gezegd, hadden [eisers] c.s. immers al in 2009 en 2010 brieven verzonden aan alle bewoners van het Waterpark.22. Daarnaast hebben zij zich verzet tegen het bestemmingsplan, waarbij de bouw van de twaalf recreatiewoningen door [verweester] werd toegestaan.23. In 2018 hebben [eisers] c.s. nog eens herhaald dat zij geen toestemming gaven voor het overvaren van hun waterperceel.24.
1.11
[verweester] heeft het verbod van [eisers] c.s. genegeerd. Zij heeft haar bouwplanen doorgezet en heeft [eisers] c.s. geconfronteerd met een fait accompli. Nadat [eisers] c.s. bleven vasthouden aan hun standpunt dat de strook niet vrij toegankelijk was, is [verweester] de onderhavige procedure gestart. Zij vordert daarin een verklaring voor recht dat zij en de eigenaren van de recreatiewoningen vrij gebruik mogen maken van de strook.
1.12
[verweester] heeft de strook van [eisers] c.s. aldus gebruikt voor eigen gewin. Zij heeft de recreatiewoningen en bijbehorende grond met steigers tot aan de strook uitgebouwd en laat de strook — in weerwil van het herhaalde verbod van [eisers] c.s. — door de bewoners gebruiken om naar het omliggende water te varen, waaronder het populaire [meer]. [verweester] heeft de strook zo aangewend om haar recreatiewoningen voor meer geld te verkopen. In plaats van — de nette weg — de strook van [eisers] c.s. te kopen of met hen (ook) een erfdienstbaarheid ten behoeve van de nieuwe woningen overeen te komen.25.
2. De correspondentie van [eisers] c.s. verhinderde dat de strook openbaar werd; ten tijde van de correspondentie was de strook dat niet al
2.1
In rov. 3.10 stelt het hof voorop dat, voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, het feitelijke gebruik bepalend is. Als daaruit blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar. Ook het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar van een openbaar water moet dulden als normaal gebruik, is afhankelijk van het feitelijke gebruik en de overige omstandigheden, aldus het hof. Vervolgens verwerpt het hof het beroep van [eisers] c.s. op de namens hen verstuurde correspondentie waarin zij — zoals het hof het verwoordt (rov. 3.11) — de geadresseerden26. erop wijzen dat vrije doorvaart niet is toegestaan. Volgens het hof laat wat in de wetsgeschiedenis is opgemerkt over openbare wateren waar schepen en jachten niet kunnen komen27. vanwege een verbod, onverlet dat het feitelijke gebruik bepalend is (rov. 3.12, zie ook rov. 3.18), waarbij dit gebruik enige duurzaamheid en frequentie moet hebben om tot openbaarheid te leiden (rov. 3.21 en 3.25 28.). Wat betreft de correspondentie waarmee [eisers] c.s. hebben geprobeerd het door hen veronderstelde verbod te handhaven in weerwil van het hun gebleken feitelijke gebruik, stelt het hof vast dat die pogingen afketsen op het feitelijke gebruik dat door pleziervaartuigen van de opvaart en van de strook werd en wordt gemaakt (rov. 3.15).
Deze oordeelsvorming geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de wijze waarop moet worden beoordeeld of water openbaar is. Het hof miskent dat feitelijk gebruik van een water in strijd met een verbod c.q. het onthouden van toestemming door de eigenaar (in beginsel) niet kan meebrengen dat dat water openbaar is of wordt. Dergelijk (onrechtmatig) gebruik moet bij die beoordeling (in beginsel) buiten beschouwing blijven.
In ieder geval is onbegrijpelijk waarom de correspondentie namens [eisers] c.s. volgens het hof niet heeft verhinderd dat het gebruik dat van de strook is gemaakt in strijd met het in die correspondentie genoemde verbod, toch zou meebrengen dat de strook openbaar vaarwater is (geworden). Althans had het hof, gelet op de daarop gerichte stellingen van [eisers] c.s., zijn oordeel nader moeten motiveren om het begrijpelijk te doen zijn. [eisers] c.s. hebben aangevoerd dat zij de coöperatie en haar leden hebben laten weten dat de strook hun eigendom is en deze niet zonder hun toestemming mag worden overvaren29. en dat [verweester] en [betrokkene 2] dit bovendien wisten uit een procedure bij de Raad van State,30. alsmede dat wanneer bewoners of anderen dat verbod schenden het perceel door dat illegale/onrechtmatige gebruik nog niet openbaar wordt.31. Gelet op deze stellingen had het hof (nader) moeten motiveren waarom het (toch) meent dat, kort gezegd, [eisers] c.s. met hun correspondentie het door hen veronderstelde verbod niet konden handhaven. De algemene verwijzing naar ‘het feitelijke gebruik dat door pleziervaartuigen van de opvaart en van de strook werd en wordt gemaakt’ maakt dit niet duidelijk, aangezien dit gebruik nu juist (grotendeels) plaatsvond in strijd met het verbod door [eisers] c.s.
2.2
Als het hof — in het bijzonder in de laatste volzin van rov. 3.12, rov. 3.15 en/of rov. 3.1632. — heeft geoordeeld dat de strook al ten tijde van de (eerste) correspondentie van [eisers] c.s. met daarin de mededeling dat vrije doorvaart niet was toegestaan openbaar vaarwater was (geworden), is dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. De (eerste) correspondentie waarin [eisers] c.s. vrije doorvaart verboden dateert uit 2009. Uit het arrest, in het bijzonder de rov. 3.25 t/m 3.27, blijkt niet dat het gebruik van de strook toen al zo duurzaam en frequent was (geweest) dat reeds dit gebruik had meegebracht dat de strook openbaar vaarwater was (geworden). Het hof maakt in zijn bewijsoverwegingen geen onderscheid naar de periode waarop het bewijs betrekking heeft (vóór dan wel na 2009 of enig ander jaar). Voor zover uit het gebezigde bewijsmateriaal blijkt welke periode het betreft, zoals ten aanzien van het gebruik door [betrokkene 2], vindt het hof juist de volledige duur daarvan van (tot in 2020) circa twintig jaar relevant voor zijn oordeel (rov. 3.27).
In ieder geval zou een oordeel dat reeds in 2009 sprake was van voldoende duurzaam en frequent gebruik waardoor de strook destijds al openbaar vaarwater zou zijn geworden onvoldoende zijn gemotiveerd gelet op de stellingen van [eisers] c.s. dat:
- (i)
het feit dat in 1997 erfdienstbaarheden zijn gevestigd en de tekst van de desbetreffende akte erop wijzen dat het water toen niet openbaar was of als zodanig werd gezien;33.
- (ii)
[eisers] c.s. het gebruik van de strook niet konden verbieden als deze in 2009/2010 reeds openbaar vaarwater was, maar wél als die toen níet openbaar was, dat veruit de meeste activiteit die in de getuigenverhoren naar voren is gebracht is ontstaan nadat [verweester] eigenaar was geworden van perceel [003] en dit perceel in 2016 heeft schoongemaakt, zodat uit de getuigenverklaringen zeker niet blijkt dat het daarin omschreven gebruik ook al in 2007 plaatsvond. [verweester] heeft daarom niet bewezen dat de strook al openbaar vaarwater was toen [eisers] c.s. het gebruik verboden.34.
Het hof had deze stellingen kenbaar in zijn oordeel moeten betrekken om het begrijpelijk te doen zijn.
Dit geldt temeer/althans, omdat de rechtbank — kennelijk naar aanleiding van de hiervoor weergegeven stellingen van [eisers] c.s. — juist had geoordeeld dat (niet het gebruik vóór 2009, maar) de omstandigheid dat [eisers] c.s. ná 2009 het gebruik door de eigenaren van de nummers [2] t/m [8] en [1] alsnog langdurig zouden hebben toegestaan, zou hebben meegebracht dat geen betekenis meer kon worden gehecht aan de in hun correspondentie vervatte mededelingen (eindvonnis, rov. 2.12). De rechtbank vond dus juist het gebruik ná 2009 doorslaggevend voor zijn oordeel dat de strook openbaar zou zijn (geworden). Een dergelijk oordeel is in het bestreden arrest echter niet te lezen. Het hof sluit zich in rov. 3.27 enkel aan bij de rov. 2.9 t/m 2.11 van het eindvonnis.
2.3
Voor zover het hof toch heeft geoordeeld dat het feitelijke gebruik dat van de strook is gemaakt ná de (eerste) correspondentie van [eisers] c.s. met de mededeling dat vrije doorvaart niet was toegestaan, (zelfstandig) heeft meegebracht dat de strook openbaar is (geworden), is dit oordeel zonder (nadere) motivering niet begrijpelijk. [eisers] c.s. hebben aangevoerd dat zij bij herhaling, in 2009, 2010 en daarna, aan de coöperatie en haar leden hebben laten weten dat de strook niet zonder hun toestemming mocht worden overvaren,35. wat [verweester] en [betrokkene 2] bovendien wisten uit een procedure bij de Raad van State,36. en dat wanneer dit verbod werd geschonden dat illegale/onrechtmatige gebruik het perceel niet openbaar maakte.37. [eisers] c.s. hebben verder betoogd dat (daarom) hooguit het gebruik vóórdat zij dit gebruik verboden relevant kan zijn voor de beoordeling of de strook openbaar vaarwater is (geworden).38. Gelet op deze stellingen had het hof een oordeel dat de strook ná 2009/2010 openbaar is geworden (nader) moeten motiveren om dit begrijpelijk te doen zijn.
3. Een onbegrijpelijke uitleg van de verbodsborden
3.1
In rov. 3.13 overweegt het hof dat de bebording, bevestigd aan de steiger van eigenaar [betrokkene 4] op nr. [1], is voorzien van een voor interpretatie vatbare tekst die volgens het hof niet kan gelden als een voldoende duidelijke kennisgeving. Het hof gaat ervan uit dat op het betreffende bord de tekst stond:
‘Privé terrein — Geen vrije doorgang’
(onderstreping toegevoegd). Dit is onbegrijpelijk. Zoals het hof in rov. 2.14 vaststelt, stond op dit bord de tekst ‘Privé terrein — Geen vrije doorvaart’ (onderstreping toegevoegd). Bovendien blijkt van laatstgenoemde tekst uit de gedingstukken en is deze tussen partijen niet in geschil.39.
Gelet op de juiste tekst (doorvaart) is ook niet begrijpelijk dat deze tekst volgens het hof ook erop zou kunnen duiden dat het bord bedoeld was voor enkel het perceel van [betrokkene 4], in die zin dat het daar voor derden verboden was aan te leggen (en kennelijk vervolgens over diens perceel te ‘gaan’). Een mededeling dat geen sprake is van vrije doorvaart zal immers geen betrekking hebben op aanleggen (en vervolgens over een perceel ‘gaan’). Aangezien wat het hof in rov. 3.13 overweegt over het doodlopen van de opvaart eveneens is gebaseerd op een vergissing ten aanzien van de tekst op het bord, kan ook deze (mogelijke) uitleg niet in stand blijven.
3.2
Het hof oordeelt, zoals gezegd, dat het aan de steiger van [betrokkene 4] bevestigde bord voor meerdere interpretaties vatbaar is (rov. 3.13). Dit oordeel is onbegrijpelijk. Anders dan het hof overweegt, kan de tekst ‘Privé terrein — Geen vrije doorgang’40. in redelijkheid niet zo worden begrepen dat deze erop zou duiden dat de opvaart doodloopt.
In ieder geval had het hof dit oordeel nader moeten motiveren gelet op:
- (i)
de stelling van [eisers] c.s. dat aan het begin van de opvaart altijd een verbodsbord aanwezig is geweest, waarmee doorvaart expliciet werd verboden, zodat met dat bord niet aan passanten kenbaar werd gemaakt dat de opvaart doodliep, maar dat doorvaart hen verboden was, waarmee geen sprake meer kan zijn van openbaar vaarwater;41.
- (ii)
de omstandigheid dat de getuigen [betrokkene 2]42., [betrokkene 4]43., [betrokkene 5]44. en [betrokkene 9]45. het betreffende bord eveneens kwalificeerden als een verbodsbord, waarbij [betrokkene 9] in het bijzonder verklaarde dat het bord duidelijk maakte dat het water privéterrein is, en het uitdrukkelijke beroep van [eisers] c.s. op de getuigenissen van [betrokkene 5] en [betrokkene 9].46.
3.3
In het licht van de onder 3.2 (ii) genoemde getuigenverklaringen is ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, het oordeel van het hof in rov. 3.17 dat de overige verbodsborden specifiek betrekking zouden hebben op de verschillende ligplaatsen, in plaats van op de gehele opvaart welke zij als verboden terrein markeren. Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 9], waarop [eisers] c.s. zich hebben beroepen, blijkt dat met de borden wordt bedoeld dat het gehele park inclusief het water privéterrein is.47. Het hof had deze (aldus onderbouwde) stelling van [eisers] c.s. kenbaar in zijn oordeel moeten betrekken om het begrijpelijk te doen zijn. Dit geldt temeer nu het geenszins voor de hand ligt dat de tekst ‘Privé terrein — Geen vrije doorvaart’48. voor wat betreft het bovenste gedeelte (‘Privé terrein’) betrekking zou hebben op een zeer beperkt gedeelte van het park (te weten: de steiger), en voor wat betreft het onderste gedeelte (‘Geen vrije doorvaart’) slaat op het park (in het bijzonder het water) als geheel, althans de (gehele) betreffende opvaart.
4. [betrokkene 2] was geen pleziervaart
4.1
Het hof oordeelt dat [eisers] c.s. moeten dulden dat perceel [001] wordt gebruikt voor pleziervaart, omdat het een openbaar water betreft (rov. 3.1). In zijn motivering van dit oordeel stelt het hof voorop dat het feitelijk gebruik van een water bepalend is voor het antwoord op de vraag of dat water openbaar is, alsmede voor het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar moet dulden als normaal gebruik (rov. 3.10). Het hof spitst de beoordeling van het feitelijk gebruik vervolgens toe op het feitelijk gebruik door de bewoners van de recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen (rov. 3.19). In dit licht is onbegrijpelijk dat het hof het gebruik door [betrokkene 2] meeweegt bij de beoordeling of sprake is van openbaar water (rov. 3.23, 3.26, 3.27,49. 3.31 en 3.32.) dat openbaar is voor pleziervaart (rov. 3.34). Het gebruik van de opvaart en (volgens het hof ook) de strook door [betrokkene 2] kan namelijk niet (zonder nadere motivering) begrijpelijk worden aangemerkt als pleziervaart.50. Uit de getuigenverklaringen van [betrokkene 6],51. [betrokkene 3],52. [betrokkene 2],53. [betrokkene 4],54. [betrokkene 7] en55. [betrokkene 8]56. blijkt dat als [betrokkene 2] al gebruik maakte van de strook, dit gebruik steeds bedrijfsmatig is geweest. Namelijk om met zijn pont (‘overzet’) gasten van de zeilschool over te zetten dan wel als kapitein van de historische rondvaartboot de [schip]. Ook [eisers] c.s. hebben het gebruik door [betrokkene 2] altijd in verband gebracht met de bedrijfsmatige vaart, namelijk in het kader van het overzetten van gasten van de door hem geëxploiteerde groepsaccommodatie.57. Gezien deze stelling van [eisers] en de eenduidige getuigenverklaringen, had het hof zijn (kennelijke) oordeel dat het gebruik van de strook door [betrokkene 2] pleziervaart betrof (nader) moeten motiveren om het begrijpelijk te doen zijn.
Voor zover het hof niet heeft geoordeeld dat het gebruik door [betrokkene 2] pleziervaart betrof, is onbegrijpelijk dat het hof het gebruik door [betrokkene 2] dan niettemin heeft betrokken bij de beoordeling van het openbare karakter van de strook, gezien 's hofs eigen oordeel dat die beoordeling moest worden toegespitst op het gebruik van de bewoners van de recreatiewoningen met hun pleziervaartuigen (rov. 3.19) en het volgens het hof, zoals gezegd, gaat om de beoordeling of de strook openbaar is voor pleziervaart (rov. 3.34).
Conclusie
Op grond van dit middel vorderen [eisers] c.s. vernietiging van het bestreden arrest, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van [verweester] in de kosten van het geding, met de bepaling dat over die kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑07‑2023
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 2.7.1. Zie ook de dagvaarding in eerste aanleg § 12 en productie 9.
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 2.7.2. Zie ook de dagvaarding in eerste aanleg § 12 en productie 10.
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 2.7.3 en 2.7.4. Zie ook de dagvaarding in eerste aanleg § 13 en producties 11 en 12.
Dagvaarding in eerste aanleg § 14.
CvA § 5.4.
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 2.7.3.
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 4.7.
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 2.7.7, Dagvaarding in eerste aanleg § 18.
Tussenvonnis van 20 november 2019 rov. 2.7.8, Dagvaarding in eerste aanleg, productie 18,
CvA § 1.1.
Appeldagvaarding § 2.1 t/m 2.4.
Akte zijdens [verweester] van 18 december 2019, productie 2.
Appeldagvaarding § 2.11.
Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 4.3, productie 11 en 12.
Bestreden arrest rov. 2.3.
Bestreden arrest rov. 2.3.
Op de kadastrale kaart op de vorige pagina is deze splitsing al zichtbaar.
Bestreden arrest rov. 2.3.
Bestreden arrest rov. 3.3 t/m 3.5.
Bestreden arrest rov. 2.3.
Appeldagvaarding § 2.7.
Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 4.3, productie 11 en 12.
Spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [eisers] § 7.
Dagvaarding in eerste aanleg, productie 8. Zie ook Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 6.3 t/m 6.8.
Of de steigers van die woningen niet tot aan de strook te bouwen, zodat de nieuwe eigenaren niet over de strook zouden hoeven varen om het omliggende water te bereiken.
Te weten: het bestuur van de Coöperatie Woningeigenaren ‘Waterpark [a-plaats]’ in oktober 2009 (rov. 2.5) en november 2010, welke laatste brief tevens bij de overige leden van de coöperatie in de brievenbus is gedaan (rov. 2.6), [verweester] (nogmaals) in 2010 (rov. 2.8), [betrokkene 2] (nogmaals) in 2019 (rov. 2.10) en Recreatieschap voor het Friesche Waterland ‘De Marrekrite’ in 2020 (rov. 2.13).
De cursivering staat ook in het arrest.
Zie ook Appeldagvaarding § 4.27 en 4.28.
Pleitaantekeningen zijdens [eisers] c.s. in eerste aanleg § 12, Akte van 8 januari 2020 § 6 (specifiek met betrekking tot de eigenaren van de woningen met nummers [0], [2], [4], [6] en [8]) en 8, Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 1.4, 3.5 (‘anders zou immers het zo vaak mogelijk tegen de uitdrukkelijke en kenbare wil van de rechthebbende, illegaal gebruiken van een water tot openbaarheid leiden’), 3.6 achter iii, 4.3, 4.5, 5.16, 6.1 t/m 6.15, Appeldagvaarding § 3.5, 4.42, 4.47, 4.48, Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in hoger beroep § 7.
Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in eerste aanleg § 2 en 15, Appeldagvaarding § 4.37, 4.41 Zie over deze bestemmingsplanprocedure en de bespreking daarvan op de vergadering van de coöperatie ook rov. 2.7.
Akte van 8 januari 2020 § 6, onder verwijzing naar Hof Leeuwarden 6 november 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY2443, Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3 en 6.1 t/m 6.15, Antwoordakte van 28 juli 2021 § 8, 12, Appeldagvaarding § 4.20, 4.21, 4.23, 4.24, Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in hoger beroep § 1.
In rov. 3.16 verwijst het hof ten overvloede naar ‘het feitelijke gebruik dat van de betreffende waterpercelen is gemaakt in het verleden’. Deze overweging ziet kennelijk op de periode vóórdat [verweester] de opvaart deels dempte ter realisering van aanlegsteigers. Dit was in de periode tussen eind 2015, toen [verweester] eigenaar werd van perceel [003], en 2020, toen zij de recreatiewoningen verkocht (rov. 2.3). Zelfs bezien vanaf eind 2015 ziet het gebruik ‘in het verleden’ dan dus nog voor zes jaar op de periode ná de eerste correspondentie van [eisers] c.s. In ieder geval rov. 3.16 betreft daarmee niet specifiek het gebruik vóór de (eerste) correspondentie van [eisers] c.s.
CvA § 3.7, Antwoordakte van 28 juli 2021 § 11.
Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3, 5.4 en 5.22, Antwoordakte van 28 juli 2021 § 10 en 12; Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep p. 2 (opmerking mr. Dalmolen: ‘De rechtbank had moeten kijken naar het moment waarop [eisers] c.s. zich verzette tegen het gebruik van de strook.’).
Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in eerste aanleg § 12, Akte van 8 januari 2020 § 6 (specifiek met betrekking tot de eigenaren van de woningen met nummers [0], [2], [4], [6] en [8]) en [10], Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 1.4, 3.5 (‘anders zou immers het zo vaak mogelijk tegen de uitdrukkelijke en kenbare wil van de rechthebbende, illegaal gebruiken van een water tot openbaarheid leiden’), 3.6 achter iii, 4.3, 4.5, 5.16, 6.1 t/m 6.15, Appeldagvaarding § 3.5, 4.42, 4.47, 4.48, Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in hoger beroep § 7.
Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in eerste aanleg § 2 en 15, Appeldagvaarding § 4.37, 4.41 Zie over deze bestemmingsplanprocedure en de bespreking daarvan op de vergadering van de coöperatie ook rov. 2.7.
Akte van 8 januari 2020 § 6, onder verwijzing naar Hof Leeuwarden 6 november 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY2443, Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3 en 6.1 t/m 6.15, Antwoordakte van 28 juli 2021 § 8, 12, Appeldagvaarding § 4.20, 4.21, 4.23, 4.24, Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in hoger beroep § 1.
Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3, 5.4 en 5.22, Antwoordakte van 28 juli 2021 § 10 en 12, Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep p. 2 (opmerking mr. Dalmolen: ‘De rechtbank had moeten kijken naar het moment waarop [eisers] c.s. zich verzette tegen het gebruik van de strook.’).
Conclusie van Antwoord, productie 1, Appeldagvaarding § 4.22, Memorie van Antwoord § 43 (waar ook [verweester] van deze tekst uitgaat).
Zie over deze tekst evenwel subonderdeel 3.1.
Appeldagvaarding § 4.20 t/m 4.22, 4.59, Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3, 7.3, Conclusie van Antwoord § 3.3, 4.3, 4.4, Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in hoger beroep § 5 t/m 8.
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg van 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 2], p. 6: ‘Er heeft een verbodsbordje gehangen bij de ingang, dat is nu weg.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg d.d. 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 4], p. 7: ‘U houdt mij een foto voor van een verbodsbord (productie 1 bij de conclusie van antwoord). Dat is een foto van mijn steiger en dat bord hing er toen ik het huis kocht. Ik ben niet bekend met het feit wie dit heeft opgehangen. Ik weet wel dat dezelfde borden ook bij andere ingangen in het gebied hangen.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg d.d. 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 5], p. 11: ‘U laat mij een foto zien van een verbodsbord (productie 1 van conclusie van antwoord). Dat bord ken ik wel. Deze borden hebben bij alle koppen van alle insteekhavens in het park gehangen.’
Proces-verbaal aanvullend getuigenverhoor in eerste aanleg d.d. 23 februari 2021, verklaring van [betrokkene 9], p. 3: ‘U laat mij nu een foto zien van een verbodsbord (productie 1 bij conclusie van antwoord). Dat bord herken ik, dat was bevestigd ter hoogte van de monding. In het park zijn meer van zulke borden, om mensen duidelijk te maken dat ze zich moeten houden aan de maximumsnelheid en ook dat het privéterrein is.’
Appeldagvaarding § 4.62. Zie in eerste aanleg ook Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3, 7.3.
Appeldagvaarding § 4.62, Pleitnota in hoger beroep zijdens [eisers] § 10, Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5.3, 7.3.
Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 5] blijkt dat op de andere verbodsborden dezelfde tekst stond, als op het verbodsbord dat was bevestigd aan de steiger van [betrokkene 4]. Zie proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg van 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 5], p. 11: ‘U laat mij een foto zien van een verbodsbord (productie 1 van conclusie van antwoord). Dat bord ken ik wel. Deze borden hebben bij alle koppen van alle insteekhavens in het park gehangen.’
Het hof maakt in deze rechtsoverweging rov. 2.9 t/m 2.11 van de rechtbank tot de zijne. De rechtbank overweegt in rov. 2.11 onder meer: ‘[betrokkene 2] heeft weliswaar als getuige niet expliciet verklaard dat hij geregeld gebruik maakte van de strook om bij zijn aanlegplaats bij de ‘rotonde’ te komen, maar gelet op de relatief smalle ingang van de opvaart vindt de rechtbank het voldoende aannemelijk dat [betrokkene 2] met enige regelmaat ook gebruik heeft gemaakt van de strook.’
Uit rov. 3.26 en 3.27 van het bestreden arrest blijkt dat het gebruik door [betrokkene 2] voor zowel rechtbank als hof een belangrijke rol heeft gespeeld in het oordeel dat sprake is van openbaar vaarwater. De rechtbank stoelt zijn oordeel dat sprake is van openbaar vaarwater in rov. 2.11 (die het hof tot de zijne heeft gemaakt) op het gebruik door vier categorieën van personen: ‘Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de strook (althans delen daarvan) door de eigenaren van de woningen [2] tot en met [8] en [1] geregeld werd gebruikt, door [betrokkene 2] (tot in de loop van 2020) gedurende circa 20 jaar zelfs vaak werd gebruikt en in mindere mate ook door passanten en af en toe door leerlingen en instructeurs van de zeilschool van [hostel] [a-plaats] wordt benut.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg d.d. 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 6], p. 2: ‘De andere zeilschool, van Leo [betrokkene 2] maakt ook gebruik van de inham. [betrokkene 2] heeft een eigen pontje en vanaf zijn locatie vaart hij naar ons terrein met dat pontje om daar af te meren.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg d.d. 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 3], p. 4: ‘[betrokkene 2] voer tot voor kort over een klein deel van mijn perceel met een pontje, waarmee hij zijn gasten ophaalde. Of hij ook de inham voor het pontje gebruikte weet ik niet. Als [betrokkene 2] gasten heeft vaart de pont elke dag.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg van 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 2], p. 6: ‘Op die plek heeft ons bedrijf twintig jaar lang aan kunnen leggen met overzetbootjes. Hoe vaak wij dat deden hing af van de vraag hoeveel gasten we hadden. Afhankelijk van de drukte gebeurde het soms wel tientallen malen per dag maar soms ook helemaal niet. Op die manier maakte wij dus gebruik van de inham. Daarnaast ben ik ook een aantal maal als kapitein van de [schip] met dat schip in de inham geweest.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg van 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 4], p. 7: ‘[betrokkene 2] maakte ook gebruik van de ingang. Hij haalde daar zijn gasten op.’
Proces-verbaal getuigenverhoor in eerste aanleg van 20 oktober 2020, verklaring van [betrokkene 7], p. 9: ‘[betrokkene 2] kwam er het meest. Dat was dan ter hoogte van het witte bootje op de luchtfoto. Gasten parkeerden dan hun auto op het parkeerterrein en dan haalde hij ze daar op.’
Proces-verbaal aanvullend getuigenverhoor in eerste aanleg van 23 februari 2021, verklaring van [betrokkene 8], p. 4: ‘U houdt mij voor dat een aantal andere getuigen heeft verklaard dat er ook nog andere schepen in de opvaart kwamen en wijst op de luchtfoto de plek aan waar de onderneming van [betrokkene 2] is gevestigd. U vraagt mij of hij ook in de opvaart kwam. [betrokkene 2] kwam er inderdaad ook. Hij had auto's bij de rotonde staan en hij ging daar met de boot naartoe. Hij deed dat geregeld want hij haalde daar de gasten weg.’
Pleitnota zijdens [eisers] c.s. in eerste aanleg § 7, Conclusie na enquête zijdens [eisers] § 5. 17 t/m 5.20, Appeldagvaarding § 3.9, 3.10, 4.34 t/m 4.39.