Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.6.1
6.5.6.1 Gescheiden achterstelling
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186788:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 20 maart 2015, JOR 2015/140 (Nationalisatie SNS).
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 95, Asser/Sieburgh 6-I 2016/100, HR 28 juni 2002, NJ 2002/447 (Akzo/ING), r.o. 3.5, HR 3 april 2015, JOR 2015/191 (Eikendal q.q./Lentink), r.o. 3.6.2, HR 20 maart 2015, JOR 2015/140 (Nationalisatie SNS), r.o. 4.34.4 en Van Boom 2016, p. 18-21 en 59.
Zie par. 6.3.2 en art. 6:6 lid 2 BW.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140 (Nationalisatie SNS), r.o. 4.34.4.
Art. 1317 BW (oud).
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 95, zie ook Van Boom 2016, p. 35, art. 6:11 lid 1 BW en daarover TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 114.
Zie ook HR 24 juni 2016, JOR 2016/290 (Boele’s Scheepswerven/Van Galen q.q. II), r.o. 3.5.3.
Art. 4:120 lid 5 BW, Van Es 2006, p. 148 en Perrick 2001, p. 219. Zie verder par. 2.2.3.
Vergelijk, zij het over uitleg van een eigenlijke achterstelling, Hof Amsterdam (OK) 11 juli 2013, JOR 2013/250 (Nationalisatie SNS), r.o. 6.66 en de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 maart 2015, JOR 2015/140 (Nationalisatie SNS), onder 10.12. Zie ook Asser/De Serrière 2-IV 2018/370.
Vgl. A. van Hees 1989, p. 121.
Zie over de achterstelling van de regresvordering hierna par. 6.5.6.5 en 9.3.4.2.
358. Het is mogelijk dat de juniorschuldeiser niet één maar twee of meer schuldenaren kan aanspreken tot voldoening van de juniorvordering. De tweede schuldenaar kan zich bijvoorbeeld borg hebben gesteld of een 403-verklaring hebben afgegeven.1 Als meerdere schuldenaren hoofdelijk zijn verbonden voor dezelfde prestatie bestaat er niet één verbintenis met meerdere schuldenaren, maar er bestaan evenzoveel verbintenissen en vorderingsrechten als schuldenaren.2 Dit roept de vraag op of een oneigenlijke achterstelling van een vordering jegens één schuldenaar doorwerkt in de vordering jegens een andere schuldenaar. Ik ga uit van twee hoofdelijke schuldenaren en duid de ene aan als hoofdschuldenaar en de andere als medeschuldenaar. De specifieke problemen die in dit kader spelen bij concernfinanciering komen aan bod in paragraaf 6.5.6.5.
Uitgaande van het principe dat een opschortende tijdsbepaling een kwalificatie is van de verschuldigde prestatie lijkt het aannemelijk dat die in de vorderingen op alle schuldenaren doorwerkt.3 Hoofdelijke schuldenaren zijn immers verbonden voor dezelfde schuld.4 Dat betekent dat zij dezelfde prestatie moeten leveren, met dezelfde daaraan verbonden tijdsbepaling. Bovendien merkt de Hoge Raad in het SNS-arrest terloops op dat een bepaling omtrent de opeisbaarheid van een verbintenis door iedere schuldenaar daarvan kan worden ingeroepen.5
Dit is een logische hoofdregel. De wetgever acht het echter niet onmogelijk dat de hoofdelijk verbonden vorderingen een verschillend tijdstip van nakoming hebben.6 Ook kan aan één van de twee vorderingen een opschortende voorwaarde worden verbonden zonder dat die ook aan de andere vordering is verbonden. Het oude Burgerlijk Wetboek bepaalde dit expliciet.7 Hoewel dat artikel niet is overgenomen in het huidige Burgerlijk Wetboek is daarmee geen inhoudelijke wijziging beoogd.8 Bovendien kan een schuldeiser aan één van de hoofdelijke schuldenaren uitstel van betaling verlenen terwijl een andere schuldenaar zich daarop niet kan beroepen.9 Het is dus mogelijk dat een hoofdelijke vordering wel opeisbaar is bij de ene schuldenaar, maar niet opeisbaar bij de andere.10
In de wettelijke regeling van legaten doet zich iets vergelijkbaars voor bij de verhaalsrechten na vermindering. De vermindering van een legaat treft enkel het verhaalsrecht op de goederen die behoren tot de nalatenschap en niet het verhaalsrecht op een ander vermogen.11
359. Of een concrete oneigenlijke achterstelling alleen de vordering op de hoofdschuldenaar betreft of ook de vordering op de medeschuldenaar moet door uitleg van die achterstelling worden bepaald.12 De junior heeft er baat bij dat de vordering op de medeschuldenaar wel opeisbaar is of kan worden voordat de senior is voldaan.13 Als de opschortende voorwaarde of tijdsbepaling ook is verbonden aan de vordering op de medeschuldenaar kan de junior weinig zekerheid ontlenen aan de hoofdelijkheid. De senior zal daartegenover betogen dat de opschortende tijdsbepaling ook is verbonden aan de vordering op de medeschuldenaar. De senior heeft belang daarbij als hij zelf ook een vordering op de medeschuldenaar heeft, of de regresvordering door de medeschuldenaar op de hoofdschuldenaar vreest.14