Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.2
7.3.2 Reikwijdte van het onderzoek
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940318:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In een van haar laatste Conclusies als A-G heeft Van Hilten bijvoorbeeld een overzicht gegeven in ruim 6 pagina’s, zie Conclusie A-G 13 mei 2015, V-N 2015/34.7, par. 9.
Als plezierige uitzonderingen verdienen in dit verband vermelding: Langereis, De Roos & Lambregts 2015, Meyjes/Bergman e.a. 2014, Happé e.a. 2013 en Albert 2005. Hoewel ook in die uitgaven in grote lijnen de opzet van de Awb en de AWR gevolgd wordt, hebben alle een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan het fiscale bewijsrecht (respectievelijk hoofdstuk 11, hoofdstuk 3, hoofdstuk 13 en hoofdstuk 6).
Koopman 1996.
Koopman 1996, par. 4.1.
Datgene wat in de fiscale literatuur over het bewijsrecht wordt opgemerkt, blijft dikwijls beperkt tot het aspect van de bewijslastverdeling, en is dan nog tamelijk summier.1 Slechts in de literatuur over het fiscale procesrecht wordt het bewijsrecht wat uitgebreider behandeld.2 De enige wetenschappelijke beschouwing die geheel is gewijd aan het Nederlandse fiscale bewijsrecht is de dissertatie van Koopman, die dateert van 1996.3 Ook zijn onderzoek heeft evenwel een beperkte invalshoek, namelijk de bewijslast en de verdeling daarvan.4
In het kader van mijn onderzoek heb ik getracht om een beeld te schetsen van de volle breedte van het algemene fiscale bewijsrecht, dat uitdrukkelijk niet beperkt is tot het vraagstuk van de bewijslastverdeling. Ik heb daarbij de nadruk gelegd op de ontwikkelingen in wetgeving, jurisprudentie en literatuur in de periode vanaf 1996, omdat de periode tot aan 1996 wordt gedekt door de eerdergenoemde dissertatie van Koopman.