Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.5.1:3.5.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.5.1
3.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586233:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In § 4.5.3 heb ik overigens uitgewerkt waarom mijns inziens de mate van schuld van de laedens voor de begrenzing van aansprakelijkheid in het algemeen niet van belang is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
168. Inmiddels is het tijd om op basis van het voorgaande de verhouding tussen het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste nader te bespreken. Voorop kan worden gesteld dat er gevallen zijn waarin de aansprakelijkheid voor de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade wordt begrensd precies omdat met de geschonden norm beoogd is tegen geheel andere schade te beschermen dan de schade zoals geleden. Net zo goed zijn er gevallen waarin de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade op zo’n abnormale manier teweeg is gebracht dat het niet redelijk zou zijn om deze schade aan de laedens toe te rekenen.
In het voorgaande bleek echter dat wanneer men een groter aantal gevallen overziet, dat tot de volgende conclusies noopt. Enerzijds noopt dat tot de conclusie dat in het relativiteitsvereiste voor de strekking van een norm beslissend is of met een bepaalde strekking een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen. Bij de bepaling van deze strekking konden andere omstandigheden dan de met de norm beoogde bescherming meespelen, in allerlei gevallen op beslissende wijze. Anderzijds geldt dat bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van schade beslissend is of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen. Bij deze beoordeling bleek evenwel van belang, soms zelfs van doorslaggevend belang, of met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Op grond hiervan concludeer ik dat in zowel het relativiteitsvereiste als het toerekeningsvereiste beslissend is of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen. Zowel in het relativiteitsvereiste als in het toerekeningsvereiste worden hierbij in aanmerking genomen de met de geschonden norm (of met het geschonden subjectieve recht of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid) beoogde bescherming én andere omstandigheden.
Hartkamp en Sieburgh hebben zich op het standpunt gesteld dat men bij het uitleggen van het beschermingsbereik van de geschonden norm geen rekening kan houden met de verzekerdheid van schade en de mate van schuld van de laedens. Het toerekeningsvereiste is in hun opvatting daarom naast het relativiteitsvereiste nodig omdat alleen in dat toerekeningsvereiste rekening kan worden gehouden met deze voor de begrenzing van aansprakelijkheid relevante omstandigheden.1 Naar ik meen kan deze opvatting niet meer als juist worden aanvaard. In § 3.3.4 bleek dat in heel uiteenlopende gevallen aan een norm een zodanige strekking wordt gegeven zodat in de omstandigheden van het geval een redelijke begrenzing aan aansprakelijkheid wordt verkregen en daarbij allerlei andere omstandigheden worden betrokken dan de met de norm beoogde bescherming. Niet zie ik daarom in waarom bij de bepaling van de strekking van een norm geen rekening zou kunnen worden gehouden met de verzekerdheid van de schade of de mate van schuld van de laedens als dat tot een redelijk beschermingsbereik leidt. Integendeel; er staat niets aan in de weg om de strekking van een norm ruimer te doen zijn waar de laedens verzekeringsdekking heeft en minder ruim waar dat niet het geval is. Ook staat er mijns inziens niets aan in de weg om het beschermingsbereik van de geschonden norm bij verschillende gradaties van schuld van degene die de norm schendt zodanig uit te leggen dat tot een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt gekomen.2
169. Het gegeven dat in het relativiteitsvereiste en in het toerekeningsvereiste dezelfde omstandigheden beoordeeld worden naar dezelfde maatstaf, is mijns inziens een belangrijke aanwijzing dat het niet zinvol is deze vereisten in de doctrine te onderscheiden. Om tot een oordeel hierover te komen behandel ik in het navolgende eerst tot welke nadelen het maken van dit onderscheid leidt (§ 3.5.2) en daarna of het vanwege de verschillende rechtsgevolgen die de wet aan deze vereisten heeft gekoppeld nodig is om dit onderscheid te maken (§ 3.5.3). Daarna kom ik tot een slotsom over dit onderscheid (§ 3.5.4).