Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/2.2.2
2.2.2 Geschiktheidseisen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268431:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Beleidsregel Deskundigheid dagelijks beleidsbepalers artikel 4:9 en 5:29 Wft, Stcrt. 2008, 69. In deze beleidsregel ligt de nadruk op vakinhoudelijke kennis en vaardigheden.
Uitzondering vormde de Wtt (oud), die bepaalde dat zowel bestuurders als commissarissen bij trustkantoren deskundig dienden te zijn, zie art. 4, onderdeel b jo art. 3, onderdeel a, Wtt (oud). De Pw en de Wvp stelden daarentegen noch aan de interne toezichthouders, noch aan de dagelijks beleidsbepalers individuele deskundigheidseisen. Deze werden slechts gesteld aan het collectief (zie ook hierna).
Wet introductie geschiktheidseis en versterkte samenwerking tussen toezichthouders van 22 december 2011, Stb. 2012, 7. In dezelfde wet werd de samenwerking tussen DNB en de AFM bij personentoetsingen versterkt (de zogenaamde “dubbele poortjes”, zie par. 2.3.1) en werden de “gebonden betrouwbaarheidsoordelen” wettelijk verankerd (zie par. 2.2.1). Zie over deze wet en de beleidsregels van DNB en de AFM onder andere: C.A. Doets, ‘Consultatie beleidsregel deskundigheid en wetsvoorstel deskundigheidstoetsing commissarissen: naar een versterking van corporate governance binnen financiële ondernemingen’, Ondernemingsrecht 2010/133, afl. 15, p. 629-634, C.M. Grundmann-van de Krol, ‘Geschiktheid, betrouwbaarheid en de beoordeling daarvan: het ‘twin peaks’-toezichtmodel wankelt’, Ondernemingsrecht 2011/68, afl. 9, p. 344-349, A.A. van Gelder, ‘De geschiktheidseis voor bestuurders en commissarissen: recente ontwikkelingen in Nederland en Europa’, in C.A. Wielenga e.a.(red), Jaarboek Compliance 2012, Capelle aan de IJssel: C.A. Wielenga 2012, p. 71-97 en I. Witte, ‘Toezicht op bestuurders van pensioenuitvoerders: van deskundig naar geschikt’, P&P 2012, afl. 10, p. 20-26.
Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 2.
Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 2.
Art. 3:8 en 4:9, eerste lid, Wft. De Wtt (oud) stelde wel al betrouwbaarheids- én deskundigheidseisen aan zowel bestuurders als commissarissen bij trustkantoren, zie art. 4, onderdeel b jo art. 3, onderdeel a, Wtt (oud).
Rapporten van de Commissie De Wit (KamerstukkenII 2010/11, 31 980, nr. 16), Scheltema (KamerstukkenII, 2009/10, 32 432, nr. 1) en Maas (KamerstukkenII, 2008/09, 31 371, nr. 163 en Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 2). Zie over deze rapporten ook Hoofdstuk 1, par. 1.2.
Stb. 2012, 7, onderdeel II en III. In art. 4, onderdeel b, en 11, tweede lid, Wtt werd de term deskundigheid vervangen door geschiktheid.
Wet versterking bestuur pensioenfondsen, Stb. 2013, 302. De wet trad op 1 juli 2014 in werking. Zie over deze wet onder meer: H.M. Vletter-van Dort, ‘Toezichthouder bij een pensioenfonds: gedoemd te falen?’, Ondernemingsrecht 2013/27, afl. 4, p. 139-149 en I. Witte, ‘Toezicht op bestuurders van pensioenuitvoerders: van deskundig naar geschikt’, P&P 2012, afl. 10, p. 20-26.
Zie hierover, en een verzoek tot een expliciete, in de wet vast te leggen individuele deskundigheidstoets voor (beroeps-)pensioenfondsbestuurders, de brief van DNB van 3 december 2010, bijlage 97683 bij Kamerstukken II 2010/11, 32 043, nr. 24. Kritisch over deze uitbreiding ten opzichte van de (destijds geldende) IORP-Richtlijn: I. Witte, ‘Toezicht op bestuurders van pensioenuitvoerders: van deskundig naar geschikt’, P&P 2012, afl. 10, p. 20-26.
Commissie Beleggingsbeleid en risicobeheer, 19 januari 2010, Kamerstukken II 2009/10, 30 413, nr. 138 (“Commissie Frijns”).
Kamerstukken II, 2011/12, 33 182, nr. 3, p. 3 en 4.
Zie art. 106, eerste lid Pw en art. 110c, eerste lid, Wvb. De leden van een raad van toezicht en de leden van het belanghebbendenorgaan worden overigens, vanwege hun goedkeuringsrechten, als medebeleidsbepalers op geschiktheid getoetst. De toetsing van de geschiktheid van leden van een visitatiecommissie vindt, vanwege hun beperktere rol, niet steeds bij benoeming plaats maar alleen als daartoe een bepaalde aanleiding bestaat (zie Kamerstukken II, 2011/12, 33 182, nr. 3, p. 35).
Zie art. 106a Pw en 110ca Wvb, uitgewerkt in art. 35aBesluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Zie art. 104, eerste lid, Pw en art. 110a, eerste lid, Wvb.
Art. 107 Pw en art. 110h Wvb jo art. 30, eerste lid Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. In het jaarverslag van een pensioenfonds dient te worden gerapporteerd over de samenstelling naar leeftijd en geslacht van het verantwoordingsorgaan, het belanghebbendenorgaan en het bestuur en over de inspanningen die zijn verricht om diversiteit in de organen van het pensioenfonds te bevorderen.
Hoewel de Wft een grondslag biedt voor een “geschiktheidsamvb” (zie art. 3:8, vierde lid en 4:9.0a, derde lid, Wft) heeft de wetgever hier geen gebruik van willen maken. “In Nederland is gekozen om deze open norm niet door middel van regelgeving in te vullen. Het wordt overgelaten aan de toezichthouders hier nadere maatstaven aan te verbinden. […] De precieze inhoud van de norm wordt ingevuld door middel van een beleidsregel van de toezichthouders,” zie Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 3 en 6.
Beleidsregel Geschiktheid 2012 van 3 juli 2012, Stcrt. 2012, 13546. De Beleidsregel Geschiktheid is de opvolger van de reeds tijdens het wetgevingsproces opgestelde Beleidsregel Deskundigheid van DNB en AFM van 15 december 2010 (Stcrt. 2010, 20810), en is na vaststelling een aantal malen aangepast, laatstelijk op 12 december 2019 (Stcrt. 2020, 1725). Deze laatste versie telt, inclusief de toelichting, 45 pagina’s.
Zie de toelichting op de Beleidsregel Geschiktheid, onder het kopje 3. Aanleiding. Zie ook I.P. Palm-Steyerberg, ‘Toetsingscriteria bestuurders en commissarissen’, in: C.A. Wielenga (red.), Jaarboek Compliance 2011, Nieuwerkerk aan den IJssel: Gelling Publishing 2011, p. 53 en A.A. van Gelder, ‘De geschiktheidseis voor bestuurders en commissarissen: recente ontwikkelingen in Nederland en Europa’, in C.A. Wielenga e.a.(red.), Jaarboek Compliance 2012, Capelle aan de IJssel: Nederlands Compliance Instituut 2012, p. 81.
Beleidsregel Deskundigheid dagelijks beleidsbepalers artikel 4:9 en 5:29 Wft, Stcrt. 2008, 69. In januari 2011 is deze beleidsregel vervangen door de Beleidsregel Deskundigheid van DNB en AFM (Beleidsregel Deskundigheid 2011 van 15 december 2010, Stcrt. 2010, 20810), voorloper van de huidige Beleidsregel Geschiktheid.
Vergelijk ook de competentie Klant- en kwaliteitsgerichtheid.
Zie art. 1.2.1, Beleidsregel Geschiktheid.
De competenties staan opgenomen in de Bijlage behorend bij art. 1.2.1 van de Beleidsregel Geschiktheid. De lijst van competenties is niet cumulatief noch limitatief van aard. In de literatuur is, vanuit het perspectief van de rechtszekerheid, kritiek geuit op de lijst met competenties. Zo betogen Roth en Roepnarain dat de competenties dermate vaag zijn omschreven dat daar veel onder valt te brengen. Ook is voor een kandidaat niet van tevoren kenbaar welke specifieke competenties de toezichthouder voor een bepaalde functie relevant acht. Zie G. Roth en J. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Beschouwingen vanuit de theorie én de praktijk’, in: M. Lückerath-Rovers e.a. (red.), Jaarboek Corporate Governance 2015-2016, Deventer: Kluwer 2017, p. 77-78.
Onder Voorzittersvaardigheden verstaat de beleidsregel onder meer: “Is in staat een open sfeer te creëren waarin iedereen gelijkwaardig kan participeren. Heeft oog voor taakvervulling en verantwoordelijkheden van anderen.” Onder Onafhankelijkheid wordt verstaan: “Is zelfstandig in zijn of haar gedrag, durft eigen standpunten tegenover anderen (en enig deelbelang) te handhaven en te verdedigen in het belang van de onderneming. Opereert hiertoe objectief en kritisch. Herkent en anticipeert op situaties waarin persoonlijke en zakelijke belangen (potentieel) conflicteren.”
Art. 1.2.1 aanhef en onder D van de Beleidsregel is aangepast, zodat duidelijk is dat onafhankelijkheid in alle gevallen onderdeel uitmaakt van de toets. De toezichthouders hebben toegelicht dat hiermee geen is afwijking beoogd van de reeds bestaande toetsingspraktijk. Al in mei 2012 heeft DNB in een Q&A toegelicht dat zij in haar toezicht naar drie elementen kijkt van onafhankelijkheid in het functioneren van de RvC. Deze elementen zijn: onafhankelijkheid in mind, onafhankelijkheid in appearance en onafhankelijkheid in state. Onder onafhankelijkheid in mind wordt verstaan dat alle commissarissen in staat zijn om onafhankelijk op te treden en een evenwichtige belangenafweging te maken. Zie over deze Q&A ook: S.A. Bezoen & M. Groothuis, ‘Geschiktheid en onafhankelijk functioneren: cruciale onderdelen van een goede governance’, in C.A. Wielenga e.a. (red.), Jaarboek Compliance 2013, Nederlands Compliance Instituut, Capelle aan den IJssel: C.A. Wielenga 2013, p. 214 e.v. Zie voorts het DNB-rapport “Leading by example-Gedrag in de bestuurskamers van financiële instellingen” uit 2013 (https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/nieuws-2013/dnb286976.jsp). In dit rapport geeft DNB aan dat zij verwacht dat niet alleen de commissarissen maar ook de bestuurders in staat zijn tot zorgvuldige oordeels- en besluitvorming (sound judgment). Hieronder verstaat DNB dat de leden elkaar bij de oordeelsvorming actief vragen stellen, constructief discussiëren en elkaar challengen. Het DNB onderzoek wees uit dat in een aantal gevallen onvoldoende diepgaand werd stilgestaan bij de risico’s met concrete financiële verliezen als gevolg. Verder gaf DNB dat zij verwacht dat tegenspraak in de top van de organisatie structureel wordt georganiseerd. Zie over dit rapport ook D. Busch, ‘Gedrag in de bestuurskamers van financiële instellingen’, FR 2013, afl. 7/8, p. 231-232. Zie over het aspect onafhankelijkheid ook par. 2.5.5.
In art. 1.2.1, eerste lid van de Beleidsregel is onderdeel E toegevoegd. Ook hiermee is niet beoogd af te wijken van de staande toezichtpraktijk. Het aspect van voldoende tijd werd al door de wetgever genoemd bij de introductie van de geschiktheidstoets in 2012 (zie Kamerstukken II, 2010/ 11, 32 786, nr. 3, p. 2) en kwam reeds tot uitdrukking in het vereiste “professioneel gedrag” en in de competentie Loyaliteit. Zie over het aspect tijdsbesteding ook par. 2.5.4.
Zie de toelichting bij art. 1.4 van de Beleidsregel, “Diversiteit in het collectief”.
Stb. 2011, 275, in werking getreden per 1 januari 2013.
Bestuurders en commissarissen mogen niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming wanneer zij daar een direct of indirect persoonlijk tegenstrijdig belang bij hebben, zie art. 2:140, vijfde lid, 2:250, vijfde lid, 2:129, zesde lid en 2:239, vijfde lid, BW. Daarnaast volgt uit het BW dat commissaris van een NV, BV, grote OWM en grote coöperatie niet kunnen zijn: personen in dienst van de vennootschap, personen die in dienst zijn van een afhankelijke maatschappij, en bestuurders en personen in dienst van een werknemersorganisatie welke pleegt betrokken te zijn bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de hiervoor genoemde personen, zie art. 2:160 en 2:270 en 2:63h BW.
Zie art. 3:9, eerste lid en 3:271 Wft. Zie Tabel 2.1 voor een overzicht van de betreffende inkomende bijkantoren. DNB toetst slechts de betrouwbaarheid van leden van het tweede echelon en laat de geschiktheidstoets in beginsel over aan de instellingen zelf, Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 5.
Art. 106, negende lid Pw en art. 110c, negende lid Wvb en art. 29, tweede lid, Besluit uitvoering Pw en Wvb. DNB toetst de geschiktheid van de houders van deze (sleutel-)functies slechts indien daar naar haar het oordeel aanleiding toe bestaat. Personen die betrokken zijn bij het vervullen van een dergelijke sleutelfunctie dienen eveneens geschikt (en betrouwbaar) te zijn. Uitgangspunt is dat het (beroeps-)pensioenfonds hier zelf op toeziet. DNB kan, indien zij daartoe aanleiding ziet, de geschiktheid (en betrouwbaarheid) van deze personen op ieder moment toetsen. Zie Stb. 2018, 516 p. 29 en Kamerstukken II, 2017/18, 34 934, nr. 3, p. 9, 30 en 31.
Art. 17aa, derde lid en art. 26.01 Bpr Wft (houders van de interne controlefunctie/interne auditfunctie en de risicobeheerfunctie).
Art. 1.2, eerste lid Beleidsregel Geschiktheid.
Art. 1.3 en 1.4 Beleidsregel Geschiktheid.
Dit constateren bijvoorbeeld ook D. Busch en A.J.A.D. van der Hurk, ‘Bestuursverboden en toetsing van beleidsbepalers in de financiële sector’, in: D. Busch e.a. (red.), Wet continuïteit ondernemingen (delen I en II) en het bestuursverbod, Preadviezen Nederlandse Vereeniging voor Handelsrecht 2014, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 203 e.v. en C.A. Doets, ‘Consultatie beleidsregel deskundigheid en wetsvoorstel deskundigheidstoetsing commissarissen: naar een versterking van corporate governance binnen financiële ondernemingen’, Ondernemingsrecht 2010/133, afl. 15, p. 632.
Art. 1.6, tweede lid, onder a en f Beleidsregel Geschiktheid.
Zie hierover nader Hoofdstuk 8.
Zie I.P. Palm-Steyerberg, ‘Toetsingscriteria bestuurders en commissarissen’, in: C.A. Wielenga (red.), Jaarboek Compliance 2011, Nederlands Compliance Instituut, Nieuwerkerk aan den IJssel: Gelling Publishing 2011, p. 59-60.
Het is overigens niet de bedoeling beleidsbepalers een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van bestuursbeleid van belang zijn. Handelingen waarvan achteraf blijkt dat die voor de onderneming nadelig uitpakken, terwijl dat tevoren niet te verwachten was of terwijl tevoren bewust gekozen was voor het nemen van een op zichzelf verantwoord risico, hoeven op zichzelf niet tot een negatief oordeel te leiden. Zo is in de rechtspraak wel bepaald dat een commercieel minder geslaagd gebleken strategie niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat X en Y de vereiste deskundigheid misten (CBb 19 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2222). Ook bij een eenmalige overtreding die te wijten is aan een “beoordelingsfout” van de bestuurders, is een negatief betrouwbaarheidsoordeel een te zware maatregel (CBb 12 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA2940). Zie I.P. Palm-Steyerberg, ‘Toetsingscriteria bestuurders en commissarissen’, in: C.A. Wielenga (red.), Jaarboek Compliance 2011, Nederlands Compliance Instituut, Nieuwerkerk aan den IJssel: Gelling Publishing 2011, p. 59-60.
Zo is in de rechtspraak wel geoordeeld dat bestuurders die willens en wetens leiding bleven geven aan illegale praktijken, zowel onvoldoende betrouwbaar als onvoldoende deskundig (thans: geschikt) moesten worden geacht (CBb 30 januari 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AA9858). De bestuurders waren door de STE (thans de AFM) gewezen op het feit dat de onderneming handelde in strijd met art. 7, eerste lid Wte 1995, een ernstige overtreding. Ondanks de uitdrukkelijke toezegging van de bestuurders dat de gewraakte praktijken zouden worden beëindigd, werden deze nog een tijd lang onverminderd voortgezet.
Het begrip geschiktheid
De Nederlandse wetgeving bevatte lange tijd slechts de eis dat dagelijks beleidsbepalers bij financiële ondernemingen “deskundig” dienden te zijn ten aanzien van de bedrijfsuitoefening. Het wettelijke begrip “deskundig” was niet nader ingevuld. Alleen de AFM had hiervoor een (summiere) beleidsregel paraat.1 De deskundigheidseis zag uitsluitend op de dagelijks beleidsbepalers, en niet op interne toezichthouders of andere (hoge) functionarissen in de organisatie.2
De beperkte deskundigheidseisen van destijds zijn onvergelijkbaar met de ruime kaders voor het toetsen van de geschiktheid van vandaag de dag. Een eerste, belangrijke mijlpaal in deze ontwikkeling was de Wet introductie geschiktheid, die per 1 juli 2012 in werking trad.3 Bij deze wetgevingsoperatie werd de term “deskundig” vervangen door “geschikt”. Met deze wijziging werd beoogd aan te sluiten bij de ontwikkelingen in de maatschappij en in de praktijk waarbij steeds hogere eisen worden gesteld aan de deskundigheid van dagelijks beleidsbepalers.4 Het begrip “geschiktheid” geeft weer dat deze eisen niet alleen zien op de benodigde kennis en ervaring, maar ook op vaardigheden en professioneel gedrag. Ook wanneer iemand over gedegen kennis beschikt kan hij zich niet professioneel gedragen, bijvoorbeeld omdat hij slecht bereikbaar is of, vanwege vele nevenfuncties, onvoldoende tijd beschikbaar heeft om de functie op adequate wijze uit te oefenen. Daarnaast werd benadrukt dat bij de toetsing ook de samenstelling van het collectief dient te worden betrokken.5
De geschiktheidseis werd voorts niet alleen van toepassing verklaard op dagelijks beleidsbepalers maar ook op de interne toezichthouders, die daarvoor uitsluitend aan betrouwbaarheidseisen dienden te voldoen.6 De wetgever heeft met deze aanpassingen uitvoering willen geven aan de lessen van en na de financiële crisis, zoals beschreven in Hoofdstuk 1, en in het bijzonder aan de aanbevelingen van de commissies De Wit, Scheltema en Maas.7
Niet alleen de Wft, maar ook de Wet toezicht trustkantoren en de op dat moment in voorbereiding zijnde Wet financiële markten BES werden op deze wijze aangepast.8
Twee jaar later werden met de invoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen identieke wijzigingen aangebracht in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling.9 Daarvóór werden geen deskundigheidseisen of geschiktheidseisen gesteld aan de interne toezichthouders en richtte zelfs de deskundigheidstoets bij (beroeps-)pensioenfondsbestuurders zich naar de deskundigheid in het collectief, zonder dat de wet een expliciete, individuele deskundigheidstoetsing mogelijk maakte.10 Met de wetsaanpassing werd beoogd aan te sluiten bij de genoemde wijzigingen in de Wft11 en bij het rapport van de commissie-Frijns.12 Uit dit rapport en uit onderzoeken van DNB bleek het grote belang van versterking van de deskundigheid en van het interne toezicht.13 Naast de geschiktheidstoets voor zowel bestuurders als interne toezichthouders,14 werden voor bestuurders en leden van de raad van toezicht specifieke eisen ingevoerd over tijdsbeslag15 en werden eisen gesteld aan de onafhankelijkheid van de leden van de raad van toezicht of de visitatiecommissie.16 Kritisch vermogen en onbevangenheid wer den gezien als een noodzakelijke aanvulling op de deskundigheid, omdat dit bevordert dat bestuurders en andere (mede) beleidsbepalers kritisch doorvragen waar dit nodig is.17 Tot slot werden bepalingen opgenomen over diversiteit in onder meer het bestuur, in termen van leeftijd en geslacht.18
Anders dan bij de betrouwbaarheidstoets heeft de open norm “geschikt” geen nadere uitwerking gekregen in lagere regelgeving zoals een ambv. Dit had, in het licht van de machtenscheiding, wel de voorkeur verdiend. De wetgever heeft er echter bewust voor gekozen om de invulling van de norm over te laten aan de toezichthouders.19 DNB en AFM hebben hieraan uitvoering gegeven door het opstellen van de Beleidsregel geschiktheid.20
Ook in deze beleidsregel weerklinkt de echo van de verschillende onderzoekscommissies en de lessen van en na de financiële crisis.21 Belangrijke toevoegingen zijn, ten opzichte van de Beleidsregel Deskundigheid van de AFM uit 2008,22 de nadruk op risicomanagement, productkennis, marktkennis, governance, de zorgvuldige behandeling van klanten23 en het naleven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen.24 Dat niet alleen inhoudelijke, technische kennis en vaardigheden van belang zijn blijkt onder meer uit de toevoeging van een lijst van zestien competenties.25 Hierop staan zaken zoals samenwerkingsvermogen, communicatief vermogen en leiderschap. Het belang van checks and balances komt uiteraard terug in de toepasselijkheid van de geschiktheidseisen op interne toezichthouders, en wordt in de beleidsregel onderstreept door het toevoegen van (het kunnen bijdragen aan) een evenwichtige en consistente besluitvorming en door de competenties voorzittersvaardigheden en onafhankelijkheid.26 Het belang van onafhankelijkheid en het vermogen tot eigen, objectieve en onafhankelijke besluit- en oordeelsvorming, is bij de meest recente herziening van de beleidsregel geëxpliciteerd.27 Dit geldt ook voor het vereiste van “voldoende tijd”. Het betreft hier een verduidelijking, geen afwijking van de reeds bestaande toezichtpraktijk.28 Daarnaast is bij deze herziening het belang van diversiteit in het bestuur en de RvC nader toegelicht.29 Diversiteit wordt in dit verband nadrukkelijk niet beperkt tot variëteit in kennis en ervaring bij de verschillende leden van het collectief, maar ziet ook op zaken als leeftijd, geslacht en geografische achtergrond (nationaliteit).
Aspecten als tijdsbesteding en onafhankelijk worden overigens ook buiten het financieel toezicht van belang geacht. Zo werd in 2011, met de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht, het Burgerlijk Wetboek (BW) aangepast.30 Sindsdien stelt het BW een beperking aan het aantal door één bestuurder of commissaris te houden bestuursfuncties bij grote rechtspersonen (“limiteringsregeling”).31 Achtergrond hiervan is dat bestuurders en commissarissen bij dergelijke rechtspersonen voldoende tijd beschikbaar moeten hebben om hun functie naar behoren uit te kunnen oefenen. Ook werden regels opgenomen in het BW ter waarborging van de onafhankelijkheid van bestuurders en commissaris ten opzichte van de onderneming.32
Toepassingsbereik
De geschiktheidstoets strekt zich uit tot alle dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders in de Nederlandse financiële sector. Zie voor een overzicht Tabel 2.1. Het toepassingsbereik van de toets is daarmee sterk cross-sectoraal geharmoniseerd. Houders van interne controlefuncties of andere leden van het tweede echelon vallen echter niet steeds onder de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoets. Deze eis geldt slechts in bepaalde sectoren. Het gaat om leden van het tweede echelon bij banken, verzekeraars, kredietunies, verzekeringsholdings, (gemengde) financiële holdings en inkomende bijkantoren33 en om houders van interne controlefuncties bij (beroeps-)pensioenfondsen34 en premiepensioeninstellingen.35 Daarnaast zijn de geschiktheidseisen van overeenkomstige toepassing op (gemengde) financiële holdings en verzekeringsholdings, zie art. 3:271 Wft. Ditzelfde zal gaan gelden voor de beleggingsholdings. Voor houders van een gekwalificeerde deelneming geldt in beginsel geen geschiktheidstoets. Wel dient in bepaalde gevallen een reputatietoets te worden uitgevoerd, waarvan ook “vakbekwaamheid” onderdeel uitmaakt (zie hierna).
Een proportionele toets
Bij de beoordeling van de geschiktheid stelt de toezichthouder vast of de kandidaat beschikt over voldoende relevante kennis, vaardigheden en professioneel gedrag om de functie te vervullen. Dit kan onder andere blijken uit de opleiding, werkervaring en competenties van de kandidaat.36 Geschiktheid heeft betrekking op vijf onderwerpen, te weten A. Bestuur, organisatie en communicatie; B. Producten, diensten en markten waarop de onderneming actief is; C. Beheerste en integere bedrijfsvoering; D. Evenwichtige en consistente besluitvorming en E. Voldoende tijd. Net als betrouwbaarheid is geschiktheid een doorlopende eis. Dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders dienen voorafgaand aan hun aantreden door de toezichthouder te worden getoetst, en moeten ook na aantreden aan de gestelde eisen blijven voldoen. Anders dan bij de betrouwbaarheidstoets wordt geschiktheid echter “proportioneel” getoetst. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met i) de specifieke functie van de kandidaat, ii) de aard, omvang, complexiteit en het risicoprofiel van de instelling en iii) de samenstelling en het functioneren van het collectief. 37 De Beleidsregel reikt dus het toetsingskader aan, aan de hand waarvan de specifieke eisen voor elke functie opnieuw worden vastgesteld. Deze eisen zullen per functie variëren. Anders dan bij betrouwbaarheid kan dit ertoe leiden dat wanneer een kandidaat niet geschikt wordt geacht voor een bepaalde functie, dit niet betekent dat hij of zij evenmin geschikt zou zijn voor een andere functie in de financiële sector. In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat een persoon niet geschikt wordt geacht om zitting te nemen in een bepaalde (zware) commissie waar specifieke vakkennis voor is vereist, zoals de beleggingscommissie bij een pensioenfonds, maar wel geschikt is om bij ditzelfde pensioenfonds een “gewoon” commissariaat te vervullen.
Cross-sectorale harmonisatie van de geschiktheidseisen
De Beleidsregel Geschiktheid is cross-sectoraal van toepassing, en ziet op alle geschiktheidstoetsingen uitgevoerd door DNB en de AFM. De geschiktheidstoetsing is daarmee, net als de betrouwbaarheidstoets, cross-sectoraal van opzet met gelijkluidende bepalingen op zowel wetsniveau als op het niveau van uitwerking en toepassing daarvan door de Nederlandse toezichthouders.
Geschikt en betrouwbaar: een diffuse grens
De grens tussen geschiktheid en betrouwbaarheid is in de praktijk niet steeds scherp te trekken.38 Met de introductie van de geschiktheidsnorm en de Beleidsregel Geschiktheid zijn ook elementen van betrouwbaarheid in de geschiktheidstoetsing geïntroduceerd. Zo ziet geschiktheid onder meer op “professioneel gedrag” en verwacht de Beleidsregel Geschiktheid dat algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen worden nageleefd (zie art. 1.2.1 onder A van de Beleidsregel Geschiktheid). Daarbij kan het gaan om “het uitnodigen tot openheid en eerlijkheid”, “de toezichthouder juist informeren over de werkelijke situatie en erkennen van risico’s en problemen naar de toezichthouder” (als onderdeel van de competentie Authenticiteit), en om “het besef dat zijn of haar handelen invloed heeft op de belangen van stakeholders” (als onderdeel van de competentie Verantwoordelijkheid). Dergelijke elementen liggen in het verlengde van begrippen uit de betrouwbaarheidstoets, zoals niet de waarheid spreken, geen openheid geven over voor het toezicht relevante onderwerpen en het op een onverantwoordelijke wijze optreden in de beroepsuitoefening. Bovendien kunnen diverse feiten en omstandigheden meewegen bij zowel het geschiktheids- als het betrouwbaarheidsoordeel, zoals het niet juist informeren van de toezichthouder,39 de aanwezigheid van toezichtinformatie- en antecedenten zoals formele en informele toezichtmaatregelen,40 betrokkenheid bij surseance van betaling of faillissement,41 informatie uit de aanvraagformulieren en openbare informatie.42 Zaken als het vermelden van onwaarheden op het CV, het “lekken” van vertrouwelijke informatie of het nalaten om in te grijpen bij misstanden in de organisatie (met toezichtmaatregelen tot gevolg) kunnen daarom in beginsel relevant zijn voor beide toetsingen.
Daarnaast kan gewezen worden op de bankierseed en het bancair tuchtrecht (zie ook hierna). De bankierseed bevat diverse integriteitsnormen, terwijl het afleggen van de eed onderdeel vormt van de vereiste geschiktheid van dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon. Ook dit vertroebelt de grens tussen betrouwbaarheid (integriteit) en geschiktheid.43
De waterscheiding tussen betrouwbaar en geschikt zou kunnen liggen in het verschil tussen onwil en onkunde en de mate van opzet of schuld.44 Wordt bijvoorbeeld een illegale praktijk willens en wetens voortgezet, ook nadat het bestuur hierop door de toezichthouder is gewezen, dan wijst dit in de richting van een betrouwbaarheidsgebrek. Een te laconieke of nonchalante houding, onbegrip van de ernst van de situatie of een te lichtvaardige inschatting van risico’s met als gevolg dat niet wordt ingegrepen waar ingrijpen geboden was, zou daarentegen kunnen betekenen dat er sprake is van een tekort aan geschiktheid.45 Het betreft hier echter een grijs gebied.46