Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.2.2
3.2.2 Meewerkbereidheid
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285211:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Voor hetgeen wordt verstaan onder de uitvoering van de belastingwet wordt verwezen naar par. 3.2 hierna.
H.J.H. Cloudt, Het verschoningsrecht van de belastingambtenaar, WFR 1956/732. Vergelijk: Hermans 2012, blz. 7.
HR (civiele kamer) 8 november 1991 (Verschueren/Kloosterboer), ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, r.o. 3.2.
Ingetrokken bij besluit Staatssecretaris van Financiën van 12 september 1994 (intrekking Belastingstatuut (1991)), AFZ94/4398M. Zie ook: J.B.H. Röben, Enkele opmerkingen bij het belastingstatuut, WFR 1992/133. Vergelijk: de geheimhoudingsbepaling zoals opgenomen in art. 3.1.7 van de Europese code voor de belastingplichtige (EC 2016).
Brief Staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2012 (notitie over inlichtingenrecht van parlement en fiscale geheimhoudingsplicht), Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 83. Zie ook: aanschrijving Staatssecretaris van Financiën van 19 oktober 1987 (geheimhouding), nr. 587-22 267, V-N 1987/2250, 5 waarin staat dat het gevaar bestaat dat belastingplichtigen niet meer bereid zijn de benodigde informatie te verschaffen hetgeen het werk van de Belastingdienst ernstig zou bemoeilijken. Vergelijk: IIV 1983, onderdeel 1, Aanhangsel Handelingen 1987/88 nr. 73, antwoord op vragen 1-5, brief Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 2019 (Nederland als fiscaal doorsluisland en het nieuwe rulingbeleid), Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 1725, antwoord op vraag 28 en de Instructie informatieverstrekking (2020), blz. 4.
Den Boer e.a. 1999, blz. 557.
Feteris 2007, blz. 288. In vergelijkbare zin: D. Liem, De fiscus: geheimhouder of poortwachter?, WFR 2009/418.
Luchtman 2007, blz. 127.
Luchtman 2007, blz. 199. Vergelijk: Gribnau die stelt dat het weinig betoog hoeft dat informatie essentieel is voor de belastingheffing en de inspecteur afhankelijk is van de belastingplichtige (J.L.M. Gribnau, Fiscale transparantie, de moeilijke weg naar meer vertrouwen, MBB 2016, nr. 09/10, par. 9.3.1).
Douma e.a. 2019 (v/h De Blieck), blz. 100.
M.B.A. van Hout, Gedeeld geheim, verloren geheim? TFB 2015/6-4.
Niessen-Cobben 2016, par. 17.1.
M.C.A. Wijsman, Meewerken versus zwijgen bij informatieverzoeken (nemo tenetur-beginsel), TFO 2017/152.2.
Een tweede doelstelling die voor de huidige geheimhoudingsbepaling is aangedragen, is de meewerkbereidheid. De inspecteur heeft belang erbij om te voorkomen dat gegevens niet worden verstrekt uit vrees voor het gebruik van die gegevens voor andere doeleinden dan de uitvoering van de belastingwet.1 Voor zover kan worden nagegaan, introduceerde Cloudt in 1956 de term ‘andere doeleinden’ die sindsdien gangbaar is geworden.2 Hij koppelde medewerkingsbereidheid aan de vrees voor openbaarmaking door het gebruik van fiscale gegevens voor ‘andere doeleinden' dan direct ten dienste van de belastingheffing. Dat is in het belang van de fiscus omdat de belastingplichtige dan eerder geneigd zou zijn alle door de Belastingdienst gewenste gegevens te verstrekken. In het arrest Verschueren/Kloosterboer bevestigde de Hoge Raad dat de geheimhoudingsplicht een rechtvaardiging vindt in het algemene belang dat belastingplichtigen niet van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de Belastingdienst worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt.3 Vergelijkbaar is de toelichting op het Belastingstatuut (1991) waarin wordt opgemerkt dat het werk van de Belastingdienst ernstig zou worden bemoeilijkt wanneer de belastingplichtigen bevreesd zouden zijn voor schending van die geheimhouding door belastingambtenaren.4 In een brief aan de Tweede Kamer uit 2012 heeft de Staatssecretaris van Financiën het als volgt verwoord:5
De geheimhoudingsplicht draagt voorts bij aan de naleving van fiscale wet- en regeling door belastingplichtigen: belastingplichtigen moeten er niet van worden weerhouden de juiste informatie te verstrekken aan de Belastingdienst uit vrees dat hun informatie voor andere doeleinden wordt gebruikt.
In de literatuur wordt de meewerkbereidheid als doelstelling voor de geheimhoudingplicht breed aanvaard. Zo geven Den Boer e.a. aan dat zonder geheimhouding belastingplichtigen minder geneigd kunnen zijn om mee te werken aan de fiscale informatiegaring.6 Feteris schrijft dat de plicht tot geheimhouding is ingevoerd opdat het publiek niet ervan wordt weerhouden informatie aan de Belastingdienst te verstrekken uit angst dat die gegevens ook gebruikt zouden worden voor andere doeleinden dan een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.7 Luchtman betoogt dat de Belastingdienst, bij de vervulling van zijn taken, in eerste instantie is aangewezen op de medewerkingsbereidheid van de belastingplichtigen en derden voor een goede en volledige informatievoorziening.8 Hij concludeert zelfs dat de geheimhoudingsplicht primair lijkt bedoeld om het functioneren van de Belastingdienst te waarborgen.9 De Douma e.a. geven aan dat het een groot goed is dat de verstrekte gegevens in het algemeen slechts gebruikt kunnen worden voor de belastingheffing.10 De bereidheid om gegevens te verschaffen zal volgens hen daardoor vermoedelijk groter zijn. Van Hout komt tot de conclusie dat het vertrouwen in de fiscale geheimhoudingsplicht correleert met de doelmatigheid van belastingheffing.11 Niessen-Cobben stelt dat de burger die weet dat de door hem verstrekte gegevens en inlichtingen geheim worden gehouden eerder bereid is informatie te verstrekken.12 Volgens Wijsman beperkt zich dit niet alleen tot het verstrekken van inlichtingen en gegevens, maar ook tot andere vormen van medewerking, zoals het voor raadpleging ter inzage geven van documenten en het verlenen van toegang tot gebouwen en gronden.13