Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.3.1.2
3.3.1.2 Handhaven: alleen met door de wetgever gecreëerde dwangmiddelen
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657565:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Van Boom 2006, p. 20; Van Boom 2007, p. 986.
Conclusie A-G R.B. Ledeboer bij HR 13 november 1914, ECLI:NL:HR:1914:27, NJ 1915/98 (Kieft/Otjes)
HR 13 november 1914, ECLI:NL:HR:1914:27, NJ 1915/98, m.nt. E.M. Meijers (Kieft/Otjes), p. 2.
Zie bijv. Westerouen van Meeteren 1919.
Wet van 29 december 1932, Stb. 676. Voor die tijd werd wel een ‘voorwaardelijke schadevergoeding’ verbonden aan het bevel. Zoals Beekhoven-Van den Boezem betoogt, zou men die veroordeling best kunnen hebben ervaren als een dwangsom (zie Beekhoven van den Boezem 2003, p. 164). Toch was deze veroordeling van fundamenteel andere aard dan de dwangsom omdat de hoogte afhankelijk werd gesteld van de te lijden schade in plaats van (daarnaast) de financiële positie van de gedaagde.
HR 16 juni 1911, W 9194 (Suikerman/Staat); HR 17 januari 1930, ECLI:NL:HR:1930:256, NJ 1930/573, m.nt. E.M. Meijers (Ontvanger/Spaarbank).
HR 27 april 1962, ECLI:NL:HR:1962:121, NJ 1962/254, m.nt. J.H. Beekhuis (Holst/Philips).
HR 11 november 1937, ECLI:NL:HR:1937:AG1892, NJ 1937/1096, m.nt. Meijers (Kolynos); HR 12 januari 1962, ECLI:NL:HR:1962:113, NJ 1962/246, m.nt. Beekhuis (Nibeja/Grundig).
HR 27 april 1962, ECLI:NL:HR:1962:121, NJ 1962/254, m.nt. J.H. Beekhuis (Holst/Philips), p. 819-820.
Ibid. p. 824.
Ibid.
HR 17 januari 1930, ECLI:NL:HR:1930:256, NJ 1930/573, m.nt. E.M. Meijers (Ontvanger/Spaarbank); HR 14 juni 1963, ECLI:NL:HR:1963:AC3603. NJ 1965/82, m.nt. J.H. Beekhuis (EZH/Bailey I); HR 1 december 1972,ECLI:NL:PHR:1972:AB6720, NJ 1973/111, m.nt L. Wichers Hoeth (Royal Sluis/Hakkenberg & Hoopman); HR 24 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8901 NJ 1987/1, m.nt. C.J.H. Brunner & E.A. Alkema (Gebiedsverbod).
Van Nispen 1978, p. 408 (hoewel hij deze eis niet lijkt te stellen voor nevenvorderingen, zie Van Nispen 1978, p. 351-353); Van Nispen 2018, p. 32; Drion 1962, p. 217; Blaauw 2002, p. 193.
Een rechterlijk bevel an sich kan afschrikwekkend werken. Maar niet alle gedaagden leven veroordelingen na. Dat maakt de roep om aanvullende dwangmiddelen groter. Ten eerste zal niet iedere overtreding tot een geslaagde schadevergoedingsactie leiden. Ten tweede, zelfs als een overtreding van het bevel eveneens een recht op schadevergoeding schept, dan wil dat nog niet zeggen dat daar een afschrikwekkende werking vanuit gaat.1 Voor ‘harde preventie’ lijkt dus meer vereist. De Hoge Raad is daar in de vroege jaren van de bevelsremedie echter duidelijk over geweest: handhaven mag alleen met door de wetgever gecreëerde dwangmiddelen.
(a) De dwangsom
In Kieft/Otjes deed de problematiek rondom de handhavende kracht van het bevel zich direct voor. Kieft viste regelmatig in het water van een gebied dat in eigendom toebehoorde aan waterschap De Beemster. Otjes vorderde namens het waterschap een verbod jegens Kieft. Het Hof had het gevraagde verbod te vissen toegewezen en versterkt met een dwangsom van f 50,- voor iedere toekomstige overtreding. Daar bestond op dat moment nog geen wettelijke basis voor. A-G Ledeboer meende dat hoewel het verbod inderdaad toegewezen mocht worden, het Hof met het opleggen van een dwangsom zijn boekje te buiten was gegaan:
“Wat het Hof deed is het verschaffen van een dwangmiddel, dat de wet niet kent en dat geheel in strijd is met den geest van onze geheele wetgeving, daar het veronderstelt een aan den rechter gegeven macht, om zonder eenige wettelijke grens, op overtreding van eenig gebod of verbod, zuiver arbitrair eene boete te stellen.”2
De Hoge Raad kwam tot hetzelfde oordeel onder de overweging dat volgens de wet veroordelingen zich alleen konden oplossen in schadevergoeding.3 Deze opvatting werd in de literatuur gedeeld.4 Resultaat was dat de dwangsom pas als dwangmiddel kon worden toegepast toen zij in 1933 bij wet werd ingevoerd.5
(b) De ontwikkeling van de overeenstemmingseis
Dezelfde afwijzende houding tegenover versterking van handhaving valt te ontwaren ten aanzien van het bevel waarbij de gedaagde méér wordt verboden dan waartoe hij op grond van zijn rechtsplicht gehouden was. Zo’n ruim geformuleerd gebod of verbod werkt de facto als een extra dwangmiddel, omdat het de begunstigde partij toestaat in te grijpen in het rechtmatige handelen van de veroordeelde om onrechtmatig gedrag te voorkomen. Dit soort bevelen wees de Hoge Raad aanvankelijk van de hand.6
Een duidelijk voorbeeld is Holst/Philips.7 Philips onderhield een zogenoemde gesloten verkooporganisatie. Dat wil zeggen dat zij producten alleen verkocht aan bij haar aangesloten verkopers met wie een minimumprijs was afgesproken. Holst en enkele andere handelaren behoorden niet of niet meer tot deze gesloten verkooporganisatie. Toch boden zij begin jaren zestig verschillende Philips-producten tegen lage prijzen aan. Een dergelijk doorbreken van een verkooporganisatie levert volgens eerdere rechtspraak van de Hoge Raad een onrechtmatige daad op als het (i) bewust, (ii) regelmatig en (iii) ter bevordering van het eigen bedrijf en ter benadeling van concurrenten geschiedt.8 Philips meende dat het gedrag van Holst daarop neerkwam en vorderde dat het Holst verboden werd nog Philips-producten te verhandelen.
Het Hof Amsterdam wees de vordering toe omdat Philips belang had bij een dergelijk verbod.9 De Hoge Raad zag geen brood in die redenering: het was niet onrechtmatig om überhaupt Philips producten te verhandelen en dat kon Holst dan ook niet verboden worden.10 Natuurlijk hadPhilips wel ‘belang’ bij het ruime verbod. Voor haar is het veel makkelijker om iedere verhandeling van haar producten tegen te gaan dan te moeten zoeken naar verhandeling die ‘bewust, regelmatig en ter bevordering van het eigen bedrijf van de verkoper’ is. Maar op zo een ruim bevel heeft Philips geen recht. Het bevel kwam er namelijk op neer dat Holst ook rechtmatige verhandeling van Philips producten werd verboden. En dat achtte de Hoge Raad niet gepast:11 er moet overeenstemming bestaan tussen rechtsplicht en remedie. Deze overeenstemmingseis is in eerdere en latere jurisprudentie terug te vinden12 en auteurs lijken de eis vanzelfsprekend te vinden.13